<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2022:2147</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-30T16:09:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/03/280400 / HA ZA 20-372</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2022:2147">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2022:2147</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-30T16:08:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2022:2147 Rechtbank Limburg , 16-03-2022 / C/03/280400 / HA ZA 20-372</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2022:2147:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Van de vrouw kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer worden verlangd de bestaande situatie, waarin de man de voormalige echtelijke woning bewoonde en ten behoeve van de verkoop zou opknappen, een situatie die al meer dan vier jaar bestond, te accepteren. Beslist wordt dat de man de woning dient te verkopen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2022:2147:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="7bbf8b02-d39c-4828-9a50-7e8dd23ea8a8" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="8a31e3bf-82ff-4f1e-ad27-2dfb06a5d794" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Burgerlijk recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/03/280400 / HA ZA 20-372</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 16 maart 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats 1] ,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>advocaat mr. L.E.I.K. Jaminon te Heerlen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. M. van Riet te Hoensbroek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna de vrouw en de man worden genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van de vrouw met tien producties, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord van de man met twee producties, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>B8 formulier ‘inzending stukken’ van 5 mei 2021 van de vrouw met twee producties</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van 26 mei 2021 van de man met producties 3 en 4, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 31 mei 2021.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Nadat partijen ter mondelinge behandeling hadden verzocht om de zaak aan te houden met het oog op het treffen van een minnelijke regeling, hebben de vrouw en de man ter rolle van respectievelijk 29 december 2021 en 3 januari 2022 vonnis gevraagd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Daarop is vonnis bepaald op heden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Partijen zijn op 29 oktober 1976 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank Limburg van 29 juni 2016 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, waarna de beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Partijen hebben op 25 mei 2016 een echtscheidingsconvenant gesloten. Met betrekking tot de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats 2] zijn zij het volgende overeengekomen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“5.8 De in artikel 5.3 genoemde onroerende zaak zal worden verkocht. Partijen zullen daartoe gezamenlijk een makelaar inschakelen. Zulks zal gebeuren zodra de vrouw de woning heeft verlaten en de man vervolgens de woning heeft opgeknapt.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Van de opbrengst van de echtelijke woning zal de hypothecaire geldlening afgelost worden alsmede de verkoopkosten voldaan worden. Een eventueel resterend saldo dan wel restschuld wordt aan de man toebedeeld. </emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zolang de woning niet is verkocht, zal de man de woning bewonen. De hypothecaire lasten, de aanslag WOZ, de opstalverzekering, de onderhouds</emphasis>[l]<emphasis role="italic">asten en het eigenwoningforfait komen voor rekening van de man. </emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij akte van verdeling van 16 augustus 2016 heeft de vrouw (haar deel van) de eigendom aan de man geleverd. Daarbij is de woning in de verdeling betrokken voor een waarde van € 127.000,00. Daarnaast is in de akte neergelegd:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“De toedeling (…) geschiedt onder de verplichting voor verkrijger </emphasis>[de man, toevoeging de rechtbank] <emphasis role="italic">om met ingang van de overnamedatum voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen alle verplichtingen voortvloeiende uit de (…) overeenkomsten van geldleningen (…).</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…) Beide deelgenoten blijven uitdrukkelijk voor voormelde hypothecaire geldleningen (en eventuele restschulden) hoofdelijk aansprakelijk voor het geheel.”  </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>De vrouw heeft de woning verlaten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man de afspraken die zijn vastgelegd in het echtscheidingsconvenant volledig lijkt te zijn vergeten, nu hij maar blijft stellen dat hij verbeteringen aan de woning wil aanbrengen, maar daartoe geen aanstalten maakt. Het lijkt erop alsof de man, aldus de vrouw, de woning helemaal niet wilt verkopen en de vrouw daarmee in een onmogelijke positie manoeuvreert. De vrouw zit in de WSNP; een restschuld valt niet binnen het bereik van een schone lei. Daarnaast is de vrouw met kanker gediagnosticeerd, in levensbedreigende vorm; zij vreest dat wanneer zij komt te overlijden haar kinderen een restschuld erven, nu zij hoofdelijk aansprakelijk blijft. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het dan ook onaanvaardbaar om de situatie te laten voortduren; het belang van de vrouw bij het beëindigen van de hoofdelijke verbondenheid prevaleert boven het belang van de man bij het handhaven van de thans bestaande situatie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Op grond van het vorenstaande heeft de vrouw gevorderd dat de rechtbank de man bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen om:</para>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>binnen tien dagen na dagtekening van dit vonnis dan wel binnen tien dagen na betekening van dit vonnis aan de vrouw een afschrift te verstrekken, voor zover nog niet in deze procedure ingebracht, dan wel inzage te verlenen in:<?linebreak?>(a) WOZ-beschikking 2019 woning [adres] , [woonplaats 2] ,<?linebreak?>(b) WOZ-beschikking 2020 woning [adres] , [woonplaats 2] ,<?linebreak?>(c) jaaroverzicht hypotheek ABN AMRO, leningdeelnummers 614.763.452.001, 614.763.452.002, 614.763.452.300 en 614.763.452.319, 2018 (waaruit stand per 1 januari 2019 blijkt),<?linebreak?>(d) jaaroverzicht hypotheek ABN AMRO, leningdeelnummers 614.763.452.001, 614.763.452.002, 614.763.452.300 en 614.763.452.319, 2019 (waaruit stand per 1 januari 2020 blijkt),<?linebreak?>(e) (overzicht van) de in en aan de woning verrichte verbeteringen, <?linebreak?>op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of dagdeel dat de man met deze veroordeling in gebreke blijft, <?linebreak?></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>binnen tien dagen na dagtekening van dit vonnis dan wel binnen tien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] , [woonplaats 2] te verkopen waarbij onder verkoop wordt begrepen deze woning te koop aan te bieden, daartoe een makelaar aan te wijzen, de woning zichtbaar te koop te zetten, bezichtigingen laten plaatsvinden, ieder aannemelijk bod te accepteren op advies van de aan te wijzen makelaar, een koopovereenkomst ter zake de woning te ondertekenen en het laten passeren van de akte en het daadwerkelijk leveren van de (ontruimde en schoongemaakte) woning, en de vrouw stapsgewijs althans op eerste verzoek op de hoogte te stellen van de vorderingen,<?linebreak?>op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of dagdeel dat de man met deze veroordeling in gebreke blijft, </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>en dat de rechtbank</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>(3) de vrouw vervangende toestemming zal verlenen hetgeen te doen waartoe de man ter zake de vordering onder (2) veroordeeld wordt wanneer de man niet binnen de gestelde termijn aan de veroordeling voldoet en in dat kader zal bepalen dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW mede in de plaats zal treden van de door de notaris op te stellen akte van levering met betrekking tot voornoemde woning, voor zover het betreft het verlenen van toestemming van de man tot die levering,</para>
      <para />
      <para>(4) met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure, inclusief het salaris en de verschotten van de advocaat van de vrouw, te vermeerderen met de nakosten ad €131,00 zonder betekening, dan wel €199,00 in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, met dien verstande dat, mocht betaling hiervan niet uiterlijk binnen veertien dagen na dit vonnis plaatsvinden, voornoemde nakosten worden vermeerderd met de wettelijke rente sedert deze termijn tot en met de dag der algehele voldoening. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De man voert verweer.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De stellingen van partijen zullen hierna, voor zover deze relevant worden geacht, nader worden weergegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw gesteld dat, gelet op de door de man in het geding gebrachte stukken, is voldaan aan het door haar sub (1) gevorderde, zodat de rechtbank daarop niet meer hoeft te beslissen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Wat betreft het sub (2) en (3) gevorderde overweegt de rechtbank als volgt. </para>
      <paragroup>
        <nr>4.2.1.</nr>
        <para>De man heeft erkend dat partijen hebben afgesproken dat de woning zal worden verkocht zodra de vrouw de woning heeft verlaten, hetgeen is gebeurd, en de man de woning vervolgens heeft opgeknapt. Met dit opknappen heeft de man reeds een aanvang gemaakt, waartoe hij foto’s in het geding heeft gebracht. De man stelt dat <emphasis role="italic">“alle werkzaamheden binnen nu en één jaar afgerond zullen zijn.”</emphasis> Een taxatie wil de man <emphasis role="italic">“graag laten uitvoeren, doch pas als de aanpassingen gereed zijn”</emphasis> (conclusie van antwoord, pag. 2, eerste alinea). Hij heeft daar immers belang bij, nu een restschuld of positief saldo alleen aan de man zal toekomen en de woning in opgeknapte staat meer zal opbrengen. De man heeft het belang van de vrouw niet betwist, met dien verstande dat hij wel heeft aangegeven dat het WSNP-traject inmiddels is geëindigd en de vrouw zich daar niet meer op kan beroepen. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.2.</nr>
        <para>Mede in het licht van het beperkte, door de man gevoerde verweer is de rechtbank van oordeel dat het belang van de man in deze minder zwaar weegt dan het belang van de vrouw. Daartoe het volgende. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.3.</nr>
        <para>De rechtbank wijst erop dat partijen al op 25 mei 2016 hebben afgesproken dat de woning zal worden verkocht, zodra de vrouw de woning heeft verlaten en de man vervolgens de woning heeft opgeknapt. De man heeft derhalve, gerekend tot aan de dagvaarding van de vrouw van 14 juli 2020, ruim vier jaar de gelegenheid gehad de woning op te knappen. Bij conclusie van antwoord van 16 september 2020 stelt de man nog een jaar nodig te hebben om de werkzaamheden af te ronden. Ter mondelinge behandeling van 31 mei 2021 stelt de man nog één jaar <emphasis role="italic">“te willen om alles te regelen” </emphasis>(proces-verbaal van mondelinge behandeling), waarna de zaak tot einde 2021/begin 2022 is aangehouden. In het licht hiervan heeft de man naar het oordeel van de rechtbank méér dan ruimschoots de gelegenheid gehad de woning naar zijn wensen aan te passen, zodat deze voor een goede prijs kan worden verkocht. Hiermee is dan ook genoegzaam tegemoet gekomen aan het belang van de man. Dat geldt echter niet voor het belang van de vrouw. Al die tijd was zij hoofdelijk aansprakelijk voor de hypothecaire schuld. Dat de woningmarkt op dit moment gunstig is, maakt dat niet anders, nu zulks evenzeer geldt voor de man die de woning in het huidige tijdsgewricht naar verwachting met een positief saldo zal kunnen verkopen. Die hoofdelijke aansprakelijkheid brengt, los van de (gunstige) woningmarkt, nu eenmaal  financiële risico’s met zich, temeer in geval de man zijn hypothecaire betalingsverplichtingen niet nakomt. Daarbij komt dat een dergelijke aansprakelijkheid belemmeringen meebrengt, indien de vrouw andere financiële verplichtingen wenst aan te gaan. Ook haar vrees dat de kinderen bij een onverhoopt lagere opbrengst uit de verkoop van de woning met een restschuld blijven zitten, indien zij komt te overlijden, vormt hoe dan ook een financieel risico. Gelet hierop is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om de huidige, langdurige situatie te laten voortduren. De vorderingen sub (2) en (3) zijn dan ook voor toewijzing vatbaar, op de hierna in het dictum geformuleerde wijze. </para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt de man om binnen 21 dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] , [woonplaats 2] te verkopen waarbij onder verkoop wordt begrepen deze woning te koop aan te bieden, daartoe een makelaar aan te wijzen, de woning zichtbaar te koop te zetten, bezichtigingen te laten plaatsvinden, ieder aannemelijk bod te accepteren op advies van de aan te wijzen makelaar, een koopovereenkomst ter zake de woning te ondertekenen en het laten passeren van de akte en het daadwerkelijk leveren van de (ontruimde en schoongemaakte) woning, en de vrouw stapsgewijs althans op eerste verzoek op de hoogte te stellen van de vorderingen van de verkoop, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of dagdeel dat de man met deze veroordeling in gebreke blijft, tot een maximum € 30.000,00,   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>verleent de vrouw vervangende toestemming om hetgeen te doen waartoe de man onder 5.1 is veroordeeld, wanneer de man niet binnen de gestelde termijn aan de veroordeling voldoet en bepaalt in dat kader dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW mede in de plaats zal treden van de door de notaris op te stellen akte van levering met betrekking tot voornoemde woning, voor zover het betreft het verlenen van toestemming van de man tot die levering, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2022.<footnote-ref linkend="_1c5b9c5a-ad6e-4dda-87dc-524eb297b9bd" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_1c5b9c5a-ad6e-4dda-87dc-524eb297b9bd" label="1">
    <para>type: TP</para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>