<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2022:10232</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-17T14:07:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROE 21/1477 en ROE 21/2000</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2022:10232">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2022:10232</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-23T14:22:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2022:10232 Rechtbank Limburg , 20-12-2022 / ROE 21/1477 en ROE 21/2000</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2022:10232:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>WIA-beoordeling per einde wachttijd.  </para>
        <para>Medische situatie voldoende onderkend door verweerder. In het kader van de duurzaamheid is door de verzekeringsarts B&amp;B een bottleneckanalyse uitgevoerd. Omdat de verzekeringsarts B&amp;B pas na de vragen van de rechtbank het stappenplan heeft gemotiveerd, is het bestreden besluit pas in beroep van een juiste motivering voorzien. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepasseerd, nu het gebrek in beroep is geheeld en eiseressen hier niet door zijn benadeeld.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2022:10232:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Inloopteam bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: ROE 21/1447 en ROE 21/2000 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">
            [eiseres I] , </emphasis>te [plaats 1] , eiseres I</para>
        <para>(gemachtigde: mr. E.R. Peeters),</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>en</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres II] , te [plaats 2] , eiseres II   </bridgehead>
    <parablock>
      <para>(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),<?linebreak?></para>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen</emphasis>, het UWV</para>
      <para>(gemachtigde: E. Olthof).<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 19 november 2020 (het primaire besluit) heeft het UWV eiseres I met ingang van 9 februari 2021 een loongerelateerde uitkering in verband met Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 16 april 2021 (het bestreden besluit) heeft het UWV de bezwaren van eiseressen ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het UWV heeft verweerschriften ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaken zijn bij de rechtbank gelijktijdig behandeld op de Teams-zitting van 15 november 2022. Eiseres I was aanwezig samen met haar gemachtigde. Eiseres II en het UWV hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres I heeft geen toestemming gegeven om medische gegevens te delen met eiseres II (ex-werkgever). De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist dat eiseres II geen kennis mag nemen van de medische stukken. De rechtbank zal in de uitspraak geen medische informatie opnemen, om te voorkomen dat eiseres II alsnog kennisneemt van de medische situatie van eiseres I.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Wat ging er aan deze procedure vooraf</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres I werkte bij eiseres II als [functie] voor gemiddeld 35,63 uur per week. Zij heeft zich op 12 februari 2019 ziekgemeld voor dit werk. Het dienstverband van eiseres I is op 27 november 2019 verbroken. Sindsdien ontvangt zij ziekengeld op grond van de Ziektewet. Op grond van de resultaten van de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling is het ziekengeld gecontinueerd. </para>
    <para />
    <para>2. Op 25 oktober 2020 heeft eiseres I een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet WIA ingediend. Naar aanleiding daarvan heeft het UWV een medisch onderzoek verricht.   </para>
    <para />
    <para>3. Een verzekeringsarts van het UWV heeft eiseres I telefonisch gesproken en aan de hand van alle beschikbare medische gegevens beoordeeld wat haar arbeidsbeperkingen zijn per 9 februari 2021. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat bij eiseres I sprake is van geen benutbare mogelijkheden, maar de aldus ingeschatte beperkingen van eiseres I is niet duurzaam. De mate van arbeidsongeschiktheid is gelet hierop bepaald op 80 tot 100%, waarop het primaire besluit is genomen.  </para>
    <para />
    <para>4. Eiseressen hebben bezwaar gemaakt. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben opnieuw naar de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van eiseres I gekeken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep handhaaft de conclusie van de verzekeringsarts dat op 9 februari 2021 bij eiseres sprake is van het ontbreken van benutbare mogelijkheden. Daarnaast heeft hij een bottleneckanalyse verricht en in dat kader een FML met daarin duurzame beperkingen opgesteld. Aan de hand van deze duurzaamheids-FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat eiseres I met deze beperkingen in staat moet worden geacht meer dan 65% te verdienen van het loon dat zij ontving toen zij [functie] was. Hierop heeft het UWV het bestreden besluit genomen.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Wat vindt eiseres I </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	 Eiseres I is het niet eens met het UWV. Volgens haar heeft zij recht op een uitkering op grond van de Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering.) Het UWV heeft ten onrechte (de drie stappen van) het beoordelingskader van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen (hierna: beoordelingskader) niet toegepast. Daarnaast voert eiseres I aan dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd in hoeverre een verbetering te verwachten is binnen een jaar en het daaropvolgende jaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit verband alleen algemene overwegingen genoemd, zonder in te gaan op de specifieke situatie van eiseres I. Het is bovendien onvoldoende om bij deze motivering aan te sluiten bij het enkele feit dat eiseres in het verleden in staat is geweest om arbeid te verrichten. Om dit te kunnen inschatten had de verzekeringsarts bezwaar en beroep actuele informatie over de ingezette behandeling moeten opvragen bij de behandelaren. Het is juist dat de ingezette behandeling door maatregelen in verband met de covid-19-pandemie is gestagneerd maar deze stagnatie komt ook door intrapersoonlijk onvermogen. Eiseres I heeft ter zitting ook nog de duurzaamheids-FML betwist. Volgens haar is zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Wat vindt eiseres II</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	Eiseres II is het niet eens met het UWV. Volgens eiseres II heeft eiseres I recht op een IVA-uitkering. Eiseres II voert aan dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd in hoeverre een verbetering te verwachten is binnen een jaar en het daaropvolgende jaar. Volgens eiseres II is eiseres I volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Eiseres II vindt dat de rechtbank een deskundige zou moeten benoemen gezien de aard van het verschil in interpretatie tussen eiseres II enerzijds en het UWV anderzijds.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Waarover gaat het in deze zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.	Tussen partijen is niet in geschil dat bij eiseres I per 9 februari 2021 sprake is van het ontbreken van duurzaam benutbare mogelijkheden en dat zij daarom op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of het UWV terecht stelt dat de volledige arbeidsongeschiktheid van eiseres I niet duurzaam is. De rechtbank moet die vraag beantwoorden aan de hand van wat eiseres I en eiseres II daartegen in hebben gebracht. Belangrijk punt is dat het gaat om de medische toestand van eiseres I op 9 februari 2021 en de vraag welke beperkingen daaruit volgen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Wat de rechtbank vindt </title>
    <para />
    <para>8. Uit het dossier maakt de rechtbank het volgende op. De verzekeringsarts heeft dossier en de daarin aanwezige medische informatie over eiseres I bestudeerd. Hij heeft een telefonisch spreekuurcontact verricht. Volgens de verzekeringsarts is er sprake van geen benutbare mogelijkheden. De verzekeringsarts heeft tevens geconcludeerd dat een verbetering niet uitgesloten is, waardoor een herbeoordeling na één jaar verricht kan worden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het standpunt van de verzekeringsarts in zijn rapport van 11 maart 2021 heroverwogen. Hij heeft het dossier bestudeerd en kennis genomen van de informatie van de behandelaars. Tevens heeft hij eiseres I gezien en onderzocht tijdens een spreekuur. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven waarom hij geen aanleiding ziet anders te denken over de duurzaamheid van de beperkingen van eiseres I dan de verzekeringsarts. Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een situatie waarin ook in de toekomst op basis van kwetsbaarheid sprake zal zijn van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een bottleneck-analyse uitgevoerd. Indien eiseres I naar aanleiding van de duurzaamheids-FML 80 tot 100% arbeidsongeschikt is, is er sprake van volledige én duurzame arbeidsongeschiktheid en heeft eiseres I recht op een IVA-uitkering. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op grond van de beperkingen in de duurzaamheids-FML vastgesteld dat er sprake is van 1,11% arbeidsongeschiktheid. </para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank stelt het volgende voorop. Het beoordelen van de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid vindt plaats per 9 februari 2021 en is een inschatting naar de toekomst toe. Als onverhoopt veel later blijkt dat die inschatting niet juist was, wil dat niet per definitie zeggen dat het UWV ten aanzien van de duurzaamheid een onjuist standpunt heeft aangenomen. Om deze inschatting van de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid naar de toekomst toe te kunnen maken en motiveren is in het beoordelingskader een stappenplan opgenomen met drie stappen. Middels dit stappenplan dient de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) te onderzoeken of er al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.</para>
    <para>Bij de boordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid gaat het – zoals hiervoor reeds aangegeven – om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. De inschatting van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) van de kans op herstel in het eerste jaar en het volgende jaar moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de eiseres I als individu aan de orde zijn. Als de inschatting van de kans op herstel is gebaseerd op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan op de situatie van eiseres I.  </para>
    <para />
    <para>10. Op verzoek van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 4 augustus 2022 het stappenplan (nogmaals) doorlopen en nader gemotiveerd. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie opgevraagd bij de behandelaars en deze bij zijn beoordeling betrokken. Uit deze informatie blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er wel degelijk behandelmogelijkheden zijn met name voor wat betreft de geconstateerde problemen van eiseres I. Tevens blijkt uit de brief van de behandelaars dat het behandelproces wegens Covid-19 maatregelen is vertraagd en wegens de verhuizing van eiseres I volledig is stilgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat op basis van de ontvangen informatie, indien niet in het eerstkomende jaar, zeker in het daaropvolgende jaar wel een redelijk of goede verwachting is op het optreden van een verbetering van de belastbaarheid. Eiseres I zat nog vooraan in het behandeltraject en dat traject was ook nog niet optimaal van de grond gekomen. Deels was er sprake van een nog onderzoekende fase en daarnaast is bepaalde therapie door externe factoren niet goed van de grond gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveert dat begeleiding mogelijk is voor de beperkingen van eiseres I. De verzekeringsarts bezwaar en beroep neemt wel aan dat ook indien de meest gunstige resultaten worden behaald, een bepaalde restsituatie altijd aanwezig zal zijn. In het kader van een bottleneckanalyse is de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgegaan van de meest gunstige resultaten en heeft hij gemotiveerd welke beperkingen binnen de restsituatie blijvend aanwezig zullen blijven. </para>
    <para />
    <para>11. Eiseres I voert aan dat het aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 augustus 2022 niet tijdig is ingediend en dus buiten het geding gelaten moet worden. Eiseres I verwijst hierbij naar het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021. Indien de rechtbank toch ervoor kiest om het rapport mee te nemen in de overweging, zou dit in strijd zijn met het beginsel van equality of arms. Subsidiair stelt eiseres I dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet voldoende heeft beargumenteerd dat er kans bestaat op een verbetering. Volgens eiseres I heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn oordeel niet gebaseerd op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die aan de orde zijn op de datum in geding. Eiseres I voert hierover aan dat het enkel benoemen dat er behandelmogelijkheden zijn, niet voldoende is om te kunnen aantonen dat er sprake is van redelijke of goede verwachting van verbetering. Welke precieze verbetering er valt te verwachten is niet door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd. Ter zitting heeft eiseres I aangevoerd niet te begrijpen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgaat van volledige arbeidsgeschiktheid terwijl de verzekeringsarts op lange termijn slechts in beperkte mate verbetering verwacht. Volgens haar staan deze meningen haaks tegenover elkaar. Tevens heeft eiseres I aangevoerd dat zij wegens haar persoonlijke beperkingen de behandelingen heeft moeten staken en niet (enkel) wegens externe redenen, zoals Covid-19-maatregelen.</para>
    <para />
    <para>12. De rechtbank heeft aanleiding gezien dat omwille van het definitief kunnen beslechten van het geschil aanleiding bestond om het UWV om een nadere motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te vragen. Het in het kader van het vooronderzoek vragen om een nadere motivering is een bevoegdheid van de rechtbank. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres I naar voren brengt geen argument om niet van die bevoegdheid gebruik te maken. De rechtbank heeft op 18 juli 2022 ambtshalve het UWV uitstel verleend tot 1 augustus 2022 voor het indienen van het aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het UWV heeft zonder tegenbericht pas op 8 augustus 2022 het aanvullend rapport ingestuurd. Vaststaat dat het UWV niet om een uitstel heeft verzocht en het aanvullend rapport pas na het verstrijken van de uiterste datum heeft ingediend bij de rechtbank. Dit enkele feit houdt echter niet in dat de later ingediende stukken buiten het geding gelaten moeten worden dan wel dat dit per direct tot schending van het beginsel van equality of arms zou moeten leiden. Het is aan de rechtbank om de goede procesorde te bewaken. De vraag die beantwoord dient te worden is dan ook of het later dan de gegunde termijn doch ruim vóór de termijn van 10 dagen voor de zitting<footnote-ref linkend="_a1922648-78ff-4d2c-a787-76dae75f691a" /> indienen van de stukken in dit geding in strijd is met de goede procesorde. Eiseres I heeft het aanvullend rapport ontvangen, heeft – inclusief een op haar verzoek verleend uitstel – vier weken de tijd gekregen om haar aanvullende gronden in te dienen. Eiseres I heeft uitgebreide aanvullende gronden ingediend, welke ook zijn meegenomen door de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van ongelijkheid in de procespositie van partijen en dat het meenemen van het aanvullend rapport geen strijdigheid van de goede procesorde oplevert. <?linebreak?></para>
    <para>13. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende en begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom een redelijke of goede verwachting van verbetering van de belastbaarheid van eiseres I aanwezig is. In het aanvullend rapport van 4 augustus 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het stappenplan volledig en naar het oordeel van de rechtbank navolgbaar uitgewerkt. Daarnaast heeft hij ook informatie opgevraagd bij de behandelaars en dat bij deze beoordeling kenbaar betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep overweegt in dit kader dat eiseres I op de datum in geding nog vooraan in het behandeltraject zat en het traject nog niet optimaal van de grond is gekomen. Deels was er sprake van een nog onderzoekende fase en deels is het traject gestopt door externe omstandigheden. Verwijzend naar de ontvangen informatie oordeelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er sprake is van een redelijke of goede verwachting van verbetering van de belastbaarheid. Wel benadrukt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat ook na de behandelingen een zekere restsituatie aanwezig zal blijven. Uit de eerder opgestelde duurzaamheids-FML van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat hij daarom nog beperkingen aanneemt. Aan de hand van deze duurzaamheids-FML blijkt dat eiseres I niet volledig arbeidsongeschikt is, waardoor er geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Hiermee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank de kans op herstel op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden gemotiveerd. Ook heeft hij bij zijn motivering de individuele situatie van eiseres I betrokken en vastgesteld dat er ook na de behandelingen beperkingen zullen blijven bestaan. </para>
    <para />
    <para>14. Ten aanzien van de stelling van eiseres I dat het onbegrijpelijk is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep spreekt over verbetering, terwijl de verzekeringsarts eerder te kennen heeft gegeven dat op lange termijn slechts een beperkte verbetering te verwachten is, oordeelt de rechtbank als volgt. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 19 november 2020 geconcludeerd dat op lange termijn een beperkte mate aan verbetering te verwachten is. Echter, hij heeft ook in hetzelfde rapport overwogen dat verbetering op functionele mogelijkheden niet uitgesloten is en er een redelijke of goede verwachting bestaat dat de verbetering van de belastbaarheid zal optreden in het komende jaar of daarop volgende jaar. De verzekeringsarts overweegt dus in beginsel niets anders dan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen in zijn rapport en FML, namelijk dat een verbetering te verwachten is, maar heeft dat – in die zin kan eiseres I wel gevolgd worden – niet uitgebreid gemotiveerd. Dat is in bezwaar en beroep evenwel hersteld. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom de rapportages tegenstrijdig zouden zijn. </para>
    <para />
    <para>15. Ook de stelling van eiseres I dat de behandelingen zijn gestaakt wegens haar persoonlijke situatie en beperkingen en niet wegens externe omstandigheden slaagt niet. Ter zitting heeft eiseres I namelijk zelf aangegeven dat ze nog steeds kampt met haar klachten, zij daarom veelal binnenshuis is en dat zij dat een onplezierige situatie vindt. Zij heeft verder verklaard dat zij al een geruime tijd op de wachtlijst staat voor behandeling en dat zij daarom nog niet wordt geholpen. Zij heeft verklaard dat ze contact opgenomen heeft met de huisarts en dat deze heeft verklaard dat zij moet wachten, omdat zij geen gevaar vormt voor andere mensen in haar omgeving. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseres I wegens haar persoonlijke beperkingen niet kan deelnemen aan de behandelingen. Hieruit blijkt juist dat eiseres I graag wil starten met de behandelingen en hiervoor juist actie heeft ondernomen door de lange wachtlijst bij haar huisarts bespreekbaar te maken. De rechtbank betrekt hier nog bij dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn aanvullende rapportage van 27 september 2022 ook aangeeft dat is gebleken dat de behandeling in 2022 (dat wil zeggen ruim na 9 februari 2021) is gestaakt, maar dat daarvoor nog wel een indicatie bestaat. Ook hij refereert daarbij aan de omstandigheid dat er een lange wachttijd bestaat bij de nieuwe behandelaar. </para>
    <para />
    <para>16. Tot slot heeft eiseres ter zitting de duurzaamheids-FML betwist. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich in zijn rapport van 29 juli 2021 aangesloten bij de eerder door hem opgestelde duurzaamheids-FML (van 11 maart 2021). In zijn rapport van 11 maart 2021 heeft hij gemotiveerd dat wanneer de meest gunstige situatie wordt bereikt met de voorgestelde behandelingen, bij eiseres een zekere kwetsbaarheid zal blijven bestaan. Vanuit die kwetsbaarheid zijn beperkingen aangewezen op deadlines/productiepieken, leidinggeven, hoge eindverantwoordelijkheid en de noodzaak voor een werkomgeving bestaande uit een vaste groep collega’s (30 tot 40 personen) en waarin de mogelijkheid bestaat om op collega’s terug te kunnen vallen. De rechtbank kan deze motivering volgen. Eiseres heeft ook niet (met medische stukken) onderbouwd dat haar belastbaarheid in de meest gunstige situatie na behandelingen hiermee wordt miskent. </para>
    <para />
    <para>17. Aangezien de rechtbank de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan volgen en geen twijfel heeft aan de juistheid van het rapport wordt eiseres II niet gevolgd in haar verzoek om een deskundige te benoemen. </para>
    <para />
    <para>18. Omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep pas na de vragen van de rechtbank het stappenplan heeft gemotiveerd, is het bestreden besluit pas in beroep van een juiste en volledige motivering voorzien. De rechtbank zal dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) passeren, omdat het gebrek in beroep is geheeld, eiseres I hierop heeft kunnen reageren, zoals zij ook heeft gedaan, en eiseres I en eiseres II hier niet door zijn benadeeld.  </para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>De conclusie van de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>19.	Het UWV heeft terecht beslist dat eiseres I per 9 februari 2021 volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. De beroepen van eiseres I en II zijn ongegrond. Dit betekent dat zij geen gelijk krijgen. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wel aanleiding te bepalen dat het UWV aan eiseres I en eiseres II de door hen gemaakte proceskosten moet vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor eiseres I en eiseres II afzonderlijk vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt tevens dat het UWV het griffierecht aan eiseres I en eiseres II moet vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart de beroepen van eiseres I en eiseres II ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres I te vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eiseres II te vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres I tot een bedrag van 	</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>€ 1.518,-.</para>
    <para>- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres II tot een bedrag van 	</para>
    <para>€ 1.518,-.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 20 december 2022 door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Deve, griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is verzonden op 20 december 2022.				 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Als u het niet eens bent met deze uitspraak</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_a1922648-78ff-4d2c-a787-76dae75f691a" label="1">
    <para>Artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>