<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2021:9360</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-20T08:12:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROE 21/2981</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2021:9360">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2021:9360</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-20T08:07:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2021:9360 Rechtbank Limburg , 10-12-2021 / ROE 21/2981</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2021:9360:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Verzoek voorlopige voorziening tegen een besluit van de gemeente waarbij aan vergunninghouder een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een stalling.</para>
        <para>Spoedeisend belang is aanwezig omdat vergunninghouder wil starten met de bouw zonder de beslissing op bezwaar af te wachten en de stalling naar verwachting klaar zal zijn voordat de beslissing op bezwaar zal worden</para>
        <para>genomen.</para>
        <para>Verzoeker is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen belanghebbende bij het bestreden besluit en het bezwaar zal naar verwachting door verweerder niet-ontvankelijk worden verklaard. Gelet op de</para>
        <para>afstand tot de stalling in combinatie met de houtopstanden en (reeds aangeplante) beplantingen in de zichtlijn, acht de voorzieningenrechter de gevolgen van het zicht op de beoogde stallingsruimte te beperkt om nog te</para>
        <para>kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. Gelet hierop wordt verzoeker door het bestreden besluit niet rechtstreeks in zijn belangen geraakt.</para>
        <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2021:9360:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK limburg</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROE 21/2981</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 december 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , te [woonplaats] , verzoeker,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende] , te [woonplaats] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 oktober 2021 (het bestreden besluit) van verweerder waarbij aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een stallingsruimte op het adres [adres] te [woonplaats] . Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft [belanghebbende] als derde-partij in de gelegenheid gesteld om aan het geding deel te nemen. Hij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2021. Verzoeker is door middel van een Skype-verbinding verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [belanghebbende] is in persoon verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Is sprake van spoed? </emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. </para>
    <para />
    <para>2. De voorzieningenrechter overweegt dat [belanghebbende] heeft medegedeeld zo snel mogelijk te zullen starten met de bouw van de stalling zonder de beslissing op bezwaar af te wachten en dat deze stalling naar verwachting over drie maanden klaar zal zijn. Verweerder heeft medegedeeld dat de hoorzitting in het kader van de beslissing op bezwaar is gepland op 16 januari 2022 en dat naar verwachting in februari 2022 de beslissing op bezwaar zal worden genomen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter heeft dat niet bindend is voor de beslissing in de bodemprocedure.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Is verzoeker belanghebbend?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat verzoeker geen belanghebbende is. Volgens verzoeker is dit wel het geval en dient een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het besluit te worden ingenomen. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 7:1, eerste lid, en artikel 6:4, eerste lid, van deze wet, kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en vervolgens beroep instellen bij de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de beantwoording van de vraag of verzoeker belanghebbende is stelt de voorzieningenrechter voorop dat verzoeker belanghebbende is als hij rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit die het bestreden besluit toestaat. Dat is anders als deze gevolgen voor verzoeker niet van enige betekenis zijn. Dan is verzoeker geen belanghebbende. Het moet dus aannemelijk zijn dat verzoeker ter plaatse van zijn woning als gevolg van de verleende vergunning gevolgen van enige betekenis kan ondervinden. </para>
        <para>Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het betrokken besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.<footnote-ref linkend="_c0db4f73-bc46-4f0a-87a3-8a65afa80c06" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter overweegt dat uit de stukken volgt dat de stallingsruimte zal worden gerealiseerd op een afstand van circa 250 meter van de woning van verzoeker. De locatie van de stalling wordt (deels) aan het zicht van verzoeker onttrokken doordat er struwelen, houtopstanden en fruitbomen zijn geplant c.q. aangelegd of nog zullen worden geplant als gevolg van het volledig realiseren van het landschapsplan. Verder is ter zitting komen vast te staan dat het zicht op de stallingsruimte ook nog wordt beperkt door een haag die vóór de woning van verzoeker staat. Gelet op de afstand in combinatie met de houtopstanden en (reeds aangeplante) beplantingen in de zichtlijn, acht de voorzieningenrechter de gevolgen van het zicht op de beoogde stallingsruimte te beperkt om nog te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. Gelet hierop wordt verzoeker door het bestreden besluit niet rechtstreeks in zijn belangen geraakt. Hieruit volgt dat verzoeker naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen belanghebbende is bij het bestreden besluit en het bezwaar naar verwachting door verweerder niet-ontvankelijk zal worden verklaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is de conclusie?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.</para>
      <para />
      <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.E. Hamers-Aerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.A.E. van de Venne, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Griffier	De rechter is verhinderd te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:  10 december 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
  </section>
  <footnote id="_c0db4f73-bc46-4f0a-87a3-8a65afa80c06" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2175).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>