<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2021:8500</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-12T09:13:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-10-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/03/296131 / HA RK 21-289</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2021:8500">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2021:8500</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-12T09:12:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2021:8500 Rechtbank Limburg , 08-10-2021 / C/03/296131 / HA RK 21-289</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2021:8500:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wraking voorzitter wrakingskamer – vertraging geen grond voor wraking - ogg – wraking rechter – procesbeslissing - ogg</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2021:8500:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="81a55115-abc6-4b38-b540-54302882a23e" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="e6bdf7f3-1be7-45a8-9680-686cfb4a02ac" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beslissing</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wrakingskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/03/296131 / HA RK 21-289</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoeker,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>dat strekt tot wraking van mr. E.P.J. Rutten, rechter in deze rechtbank, hierna de rechter, alsmede op het verzoek tot wraking van de voorzitter van de wrakingskamer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para>Op 31 augustus 2021 heeft verzoeker een verzoek tot wraking van de rechter ingediend in de zaak met zaaknummer ROE 21/1961 BESLU.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter heeft de wrakingskamer op 21 september 2021 in een schriftelijke reactie haar zienswijze gegeven en aangegeven dat zij niet berust in de wraking. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 27 september 2021 heeft verzoeker een aanvullende brief gestuurd met een verzoek tot wraking van de voorzitter van de wrakingskamer die belast is met de behandeling van vorengenoemd verzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De datum van de uitspraak is bepaald op heden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <bridgehead role="italic">Het verzoek tot wraking van de voorzitter van de wrakingskamer</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 36 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 4 lid 2 onder a van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg kan de wrakingskamer een verzoek zonder behandeling ter zitting direct ongegrond of niet-ontvankelijk verklaren indien het verzoek kennelijk ongegrond is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek tot wraking van de voorzitter van de wrakingskamer is naar het oordeel van de wrakingskamer kennelijk ongegrond. De wrakingskamer overweegt daartoe als volgt. Verzoeker voert als wrakingsgrond aan – kort samengevat – dat de uitoefening van het wrakingsmiddel wordt belemmerd door ongerechtvaardigd oponthoud. Het enkele feit dat de procedure, hoe onwenselijk ook, vertraagd is kan echter geen grond voor wraking zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wraking van de rechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke partijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 4, lid 2, onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg kan de wrakingskamer een verzoek direct ongegrond of niet ontvankelijk verklaren indien het verzoek kennelijk ongegrond is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het door verzoeker ingediende verzoek tot wraking van de rechter is kennelijk ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer overweegt daartoe als volgt. Als uitgangspunt geldt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing, noch over het gestelde verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich evenzeer ertegen dat de motivering van een (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. </para>
      <para>Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (vgl. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het wrakingsverzoek zijn twee (rol)beslissingen ten grondslag gelegd. Bezien in het licht van de door de Hoge Raad aangelegde maatstaf (zie hierboven) is met betrekking tot deze beslissingen van de rechter, de door de Hoge Raad geformuleerde uitzonderingsituatie, waarin een (tussen)beslissing niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter, niet aan de orde. Van onbegrijpelijke beslissingen als hiervoor bedoeld is naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake. De wrakingskamer constateert namelijk dat er onder verantwoordelijkheid van de rechter administratieve en procedurele stappen zijn genomen; procesbeslissingen dus die geen grond voor wraking kunnen zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De wrakingskamer:</para>
    <para />
    <para>- verklaart het verzoek tot wraking van de voorzitter van de wrakingskamer ongegrond;</para>
    <para />
    <para>- verklaart het verzoek tot wraking van de rechter ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, mr. R.H.J. Otto en </para>
      <para>mr. W.E. Elzinga, bijgestaan door mr. M.J.W.D. Janssen als griffier. In het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2021.<footnote-ref linkend="_8fcaa02b-7d5b-49b4-be91-70e7f14c8cab" /></para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_8fcaa02b-7d5b-49b4-be91-70e7f14c8cab" label="1">
    <para>type: </para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>