<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2021:4676</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-22T10:23:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">03.060334.18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2021:4676">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2021:4676</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-22T10:22:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2021:4676 Rechtbank Limburg , 09-06-2021 / 03.060334.18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2021:4676:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging, gelet op de brief van de plaatsvervangend hoofdofficier Zeeland-West-Brabant, Portefeuillehouder VRIS d.d. 1 februari 2021 waaruit onder meer blijkt dat er wordt verzocht om in aangebrachte zaken met een pleegdatum voor 1 januari 2020 de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te vorderen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2021:4676:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer	: 03.060334.18 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegenspraak (gemachtigde raadsman)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juni 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de strafzaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,</para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.H.P. Feiner, advocaat kantoorhoudende te Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek van de zaak</title>
    <para>Op 25 mei 2018 is de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting door de politierechter bevolen en is de zaak, gelet op de juridische complexiteit, verwezen naar de meervoudige kamer. Vervolgens heeft de rechtbank op 5 december 2018 de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting bevolen om het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de gestelde prejudiciële vraag door de Hoge Raad af te wachten. De zaak is op de zitting van 26 mei 2021 inhoudelijk behandeld. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De tenlastelegging</title>
    <parablock>
      <para>De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. </para>
      <para>De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte te Gronsveld als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard of terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie</title>
    <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie nietontvankelijk dient te worden verklaard. Hij volgt daarbij het naar aanleiding van het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het daaropvolgende arrest van de Hoge Raad door het openbaar ministerie ingenomen standpunt, inhoudende dat in onderhavige zaken die reeds bij de rechter zijn aangebracht en waarbij de pleegdatum is gelegen op een datum vóór 1 januari 2020, het openbaar ministerie de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zal vorderen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Voordien bestond de vraag of het inreisverbod ex artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) verenigbaar was met het Unierecht. De Hoge Raad heeft daarop op 27 november 2018 een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Naar aanleiding van het arrest van het Hof (HvJ-EU 17 september 2020, ECLI:EU:C:2020:724, C-806/18 (JZ)) heeft de Hoge Raad op 1 december 2020 arrest gewezen in een zaak waarin het inreisverbod ex artikel 197 Sr aan de orde was (ECLI:NL:HR:2020:1893). In het arrest heeft de Hoge Raad onder andere overwogen dat artikel 197 Sr niet vereist dat een vreemdeling eerst het grondgebied van de Europese Unie verlaat, voordat deze bij verblijf in Nederland in weerwil van het inreisverbod strafbaar is op grond van artikel 197 Sr. Hiermee is een einde gekomen aan onzekerheid over deze kwestie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de brief van J. van Berkel, plaatsvervangend hoofdofficier Zeeland-West-Brabant, Portefeuillehouder VRIS d.d. 1 februari 2021 blijkt onder meer dat er wordt verzocht om in aangebrachte zaken met een pleegdatum voor 1 januari 2020 de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te vorderen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het verhandelde ter zitting en op het voorgaande zal de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>- <emphasis role="bold">verklaart</emphasis> het openbaar ministerie <emphasis role="underline">niet-ontvankelijk</emphasis> in de vervolging. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. R.A.M.M. Gijselaers en mr. A.P.A. Bisscheroux, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 juni 2021. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJLAGE I: De tenlastelegging</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is ten laste gelegd dat</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op of omstreeks 23 december 2017 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard of terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>