<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2021:4646</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-17T08:49:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8859550 \ CV EXPL  20-5523</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2021:4646">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2021:4646</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-17T08:48:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2021:4646 Rechtbank Limburg , 09-06-2021 / 8859550 \ CV EXPL  20-5523</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2021:4646:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BIK afwijzen; geen kostenloze aanmaning ex art 6:96 lid 6 BW</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2021:4646:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para>Burgerlijk recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 8859550 \ CV EXPL  20-5523</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter van 9 juni 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid <?linebreak?>KURA MEERSSEN B.V.,<?linebreak?>gevestigd te Meerssen,</title>
    <parablock>
      <para>2.	de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid <?linebreak?><emphasis role="bold">KURA B.V.</emphasis>,<?linebreak?>gevestigd te Meerssen,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>gemachtigde mr. E.L.M. van Monfort-Hendriks, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende [adres] ,</para>
      <para>
        [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>procederende in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De verdere procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para>- het tussenvonnis van 7 april 2021</para>
        <para>- de akte van eisende partij.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eisende partij vordert – samengevat - veroordeling van gedaagde partij tot betaling van:</para>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>een bedrag van € 5.339,00 aan hoofdsom,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>vermeerderd met een bedrag van € 641,95 aan buitengerechtelijke incassokosten,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede de nakosten. </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Aan haar vordering heeft eisende partij - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd dat tussen eisende partij en gedaagde partij een overeenkomst tot stand is gekomen, inhoudende de levering en installatie van kunststof gevelelementen en rolluiken in een door gedaagde partij beheerd gebouw. Partijen hebben een geschil gekregen over de uitgevoerde werkzaamheden en de betaling. Met behulp van hun gemachtigden hebben partijen een minnelijke regeling getroffen. </para>
        <para>Gedaagde partij blijft in gebreke met betaling van het restantbedrag groot € 5.339,00.</para>
        <para>Voorts stelt eisende partij dat gedaagde partij aan haar een vergoeding van € 641,95 voor buitengerechtelijke kosten verschuldigd is. Verder maakt eisende partij aanspraak op de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 23 september 2020 tot de dag der algehele voldoening.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Uit de overgelegde akte blijkt dat gedaagde partij een consument is. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak geen beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht zijn geschonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Gedaagde partij heeft, na verkregen uitstel niet meer geantwoord. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De vordering ten aanzien van de hoofdsom en de wettelijke rente staat als niet weersproken tussen partijen vast en behoort als onvoldoende betwist te worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.</para>
        <para>De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat een kosteloze aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Gedaagde partij zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>dagvaarding	€	86,85</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>griffierecht	€	499,00</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>salaris gemachtigde 	€<emphasis role="underline">	311,00</emphasis>		(1 x tarief € 311,00)</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>totaal 	€	896,85</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>De gevorderde nakosten worden, met inachtneming van de richtlijnen van het LOVCK, toegewezen op de hierna in het dictum te vermelden wijze.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 5.980,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.339,00 vanaf 23 september 2020 tot de dag van volledige betaling,</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde partij voorts in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 896,85, De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen met ingang vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde partij onder de voorwaarde dat deze niet binnen twee weken na aanschrijving door eisende partij volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op: </para>
      <para>- € 124,00 aan salaris gemachtigde, </para>
      <para>- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J.  Otto en in het openbaar uitgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>type: JEC</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>