<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2021:3179</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-05-26T14:45:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-04-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8579983 \ CV EXPL  20-2732</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2021:3179">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2021:3179</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-05-26T14:44:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-05-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2021:3179 Rechtbank Limburg , 07-04-2021 / 8579983 \ CV EXPL  20-2732</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2021:3179:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geldlening tussen particulieren.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2021:3179:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para>Burgerlijk recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 8579983 \ CV EXPL  20-2732</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter van 7 april 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de vennootschap onder firma</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres] ,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>gemachtigde mr. R. Kulk (In-Kas Intermediair B.V.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam] ,</emphasis>
      </para>
      <para>zaakdoende te [vestigingsplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>procederende in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord met een bijlage</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de beslissing waarbij een mondelinge behandeling is bepaald</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 18 november 2020. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op 9 december 2011 is tussen [eiseres] als geldgever en [gedaagde] en [naam dochter] (de dochter van de vennoten van [eiseres] en tevens de ex-partner van [gedaagde] ) beiden h.o.d.n. [handelsnaam] als geldnemers een geldleningsovereenkomst voor € 20.000,-- gesloten. Partijen zijn daarbij onder meer een looptijd van vijf jaar en een rentepercentage van 2,5 % per jaar, achteraf te voldoen, voor het eerst op 9 december 2012, overeengekomen. [eiseres] heeft in dat kader op 30 november 2011 aan [handelsnaam] , de onderneming van [gedaagde] en [naam dochter] , € 20.000,-- verstrekt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij aangetekende brief van 5 februari 2020 heeft [eiseres] [gedaagde] voor betaling van het openstaande saldo van € 20.000,-- en de contractuele rente van 9 december 2012 tot en met 8 december 2018 van € 3.773,72 in gebreke gesteld. De op 13 maart 2020 aangetekende brief van [eiseres] aan [gedaagde] is door [gedaagde] niet afgehaald. Vanaf 16 april 2020 heeft de incassogemachtigde van [eiseres] [gedaagde] meermaals tot betaling gesommeerd en in gebreke gesteld. Desondanks blijft [gedaagde] met de betaling van de hoofdsom en contractuele rente in gebreke en verkeert hij in verzuim.  </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 20.000,--, vermeerderd met € 3.773,72 aan contractuele rente van 9 december 2011 tot 8 december 2018, met de wettelijke rente over € 23.773,72 vanaf de dag volgend op de dag na dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening en met € 1.012,74 aan buitengerechtelijke incassokosten.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Ter mondelinge behandeling heeft [gedaagde] onder meer verklaard dat hij de onderwerpelijke geldsom heeft geleend, dat hij de vordering van [eiseres] erkent en dat hij begrijpt dat [eiseres] een persoon tot nakoming van de vordering mag aanspreken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nog van belang, nader ingegaan.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft de grondslag en de verschuldigdheid van de hoofdsom en de contractuele rente erkend, zodat deze vaststaan. Dit deel van de vordering zal worden toegewezen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, de door [eiseres] daarmee gepaard gaande en onderbouwde incassowerkzaamheden en de gevorderde wettelijke rente heeft [gedaagde] onweersproken gelaten zodat deze als niet, althans onvoldoende weersproken ook voor toewijzing gereed liggen. De stellingen van [gedaagde] dat hij ter voldoening van de vordering de machines van zijn zaak wil gaan verkopen en de vordering in vier termijnen wil betalen, maken voormeld oordeel niet anders. Het is aan [gedaagde] om te bepalen hoe hij zijn schulden zal voldoen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>dagvaarding	€	86,85</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>griffierecht	€	996,00</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>salaris gemachtigde 	€<emphasis role="underline">	996,00</emphasis> (2 punten x tarief € 498,00)</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>totaal 	€	2.078,85.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>€ 20.000,--, aan hoofdsom</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 3.773,72 aan contractuele rente vanaf 9 december 2011 tot 8 december 2018, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de wettelijke rente over € 23.773,72 vanaf de dag volgend op de dag na dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 1.012,74 aan buitengerechtelijke incassokosten.  </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] voorts tot betaling van de kosten van de procedure aan de zijde van [eiseres] gevallen en tot op heden begroot op € 2.078,85, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>type: YT</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>