<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2021:1384</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-02-24T11:26:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-02-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-02-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8740379 CV EXPL 20-4198</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2021:1384">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2021:1384</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-02-24T11:26:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2021:1384 Rechtbank Limburg , 17-02-2021 / 8740379 CV EXPL 20-4198</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2021:1384:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wanprestatie en ontbinding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2021:1384:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para>Burgerlijk recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 8740379 CV EXPL 20-4198</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter van 17 februari 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eisende partij]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats 1] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>gemachtigde mr. R.J.J. van den Boom (Achmea Rechtsbijstand),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde partij] , h.o.d.n. [handelsnaam]</emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief met bijlagen van [eisende partij] , ingekomen bij de rechtbank op 28 september 2020, die wordt aangemerkt als conclusie van antwoord </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van repliek</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief met bijlagen van [eisende partij] , ingekomen bij de rechtbank op 2 december 2020, die wordt aangemerkt als conclusie van dupliek.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde partij] heeft [eisende partij] een offerte aangeboden, die [eisende partij] heeft aanvaard, voor het vervaardigen en plaatsen van een veranda met glas dak antraciet, dimbare led verlichting en een aluminium schuifdeur voor:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Totaal excl. btw 	€	6.500,00</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Btw 0%	€	0,00</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Totaal incl. btw	€	6.500,00</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Totaal te betalen	€	6.500,00	</emphasis>
          <emphasis role="italic">”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij ondertekening van de offerte heeft [eisende partij] € 3.500,- contant aan [gedaagde partij] voldaan en op 9 november 2019, de dag dat werd gestart met de bouw, heeft [eisende partij] het restantbedrag van € 3.000,- betaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op 18 november 2019 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] schriftelijk in gebreke gesteld omdat het werk niet deugdelijk zou zijn uitgevoerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde partij] op 29 november 2019 herstelwerkzaamheden zou uitvoeren, maar de afspraak is door [gedaagde partij] geannuleerd. [gedaagde partij] schreef op 5 december 2019 dat er een betalingsachterstand zou zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij brief van 19 december 2019 heeft de gemachtigde van [eisende partij] [gedaagde partij] geschreven dat de overeenkomst wordt ontbonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Bij e-mail van 18 februari 2020 is [gedaagde partij] in de gelegenheid gesteld de veranda zelf af te breken en bij brief van 2 maart 2020 is zij gesommeerd de veranda af te breken binnen één week.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [eisende partij] heeft twee deskundigen (<emphasis role="italic">RM Terrassen &amp; Überdachung </emphasis>en Bureau voor Bouwpathologie B.V.)  ingehuurd om het werk van [gedaagde partij] te beoordelen. Beide kwamen tot de conclusie dat de werkzaamheden ondeugdelijk en gevaarzettend zijn uitgevoerd, dat herstel niet mogelijk is en dat de veranda moet worden afgebroken. Bureau voor Bouwpathologie heeft € 1.663,75 bij [eisende partij] in rekening gebracht voor haar werkzaamheden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Aangezien [gedaagde partij] de veranda niet heeft afgebroken, heeft [eisende partij] hiervoor een derde ingeschakeld, die voor de werkzaamheden € 1.210,00 in rekening heeft gebracht.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Volgens [eisende partij] is [gedaagde partij] tekortgeschoten in de uitvoering van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst, verkeert [gedaagde partij] ter zake in verzuim en is de overeenkomst rechtsgeldig ontbonden, zodat op [gedaagde partij] de verplichting rust de aanneemsom terug te betalen en de schade te vergoeden. [eisende partij] vordert daarom dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>voor recht zal verklaren dat de aanneemovereenkomst op rechtsgeldige en correcte wijze is ontbonden,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [gedaagde partij] zal veroordelen tot betaling van:</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <parablock>
        <para>o € 7.710,00 (€ 6.500,00 en € 1.210,00) aan hoofdsom</para>
        <para>o € 1.663,75 aan expertisekosten</para>
        <para>o € 843,61 aan buitengerechtelijke incassokosten</para>
        <para>o de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 28 november 2020</para>
        <para>o de proceskosten</para>
        <para>o de nakosten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde partij] voert als verweer dat de veranda niet slecht staat en dat het laatste gedeelte van de factuur (de kantonrechter begrijpt: de btw) nog niet is betaald. In de e-mails die bij haar brieven zijn gevoegd lijkt zij zich ook op het standpunt te stellen dat zij in de gelegenheid moet worden gesteld zelf de herstelwerkzaamheden te verrichten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer dat de veranda niet slecht stond. Immers blijkt uit twee rapportages dat de werkzaamheden dusdanig slecht zijn uitgevoerd dat de veranda niet kon worden hersteld, maar moest worden afgebroken. Hiermee staat in rechte vast dat [gedaagde partij] is tekortgeschoten in de uitvoering van de op haar rustende verbintenis uit hoofde van de aanneemovereenkomst om een deugdelijke veranda te leveren en monteren. [gedaagde partij] heeft niet betwist dat zij ten aanzien van die tekortkoming in verzuim verkeert en dit blijkt ook niet. [eisende partij] heeft [gedaagde partij] in de gelegenheid gesteld de tekortkoming te herstellen (zie 2.3 en 2.4) en [gedaagde partij] heeft dit niet gedaan, volgens eigen zeggen vanwege een betalingsachterstand. Voor zover zij hiermee wil aanvoeren dat sprake was van schuldeisersverzuim slaagt dat verweer niet. Immers moest [eisende partij] volgens de offerte € 6.500,- betalen en die is ook betaald. Dat [gedaagde partij] blijkbaar abusievelijk heeft vergeten btw te offreren, komt voor haar rekening en risico. Immers is overeengekomen een totaalprijs inclusief btw van € 6.500,-. Dit betekent dat [eisende partij] de herstelwerkzaamheden had moeten uitvoeren en, nu zij dat niet heeft gedaan, in verzuim verkeert. [eisende partij] mocht de overeenkomst dan ook ontbinden, wat zij bij brief van 19 december 2019 heeft gedaan (zie 2.5). De gevraagde verklaring voor recht zal worden gegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Nu de overeenkomst is ontbonden ontstonden er aan beide zijden ongedaanmakingsverbintenissen. [eisende partij] moest [gedaagde partij] in de gelegenheid stellen de veranda te verwijderen en [gedaagde partij] moest de betaalde som terugbetalen. De kantonrechter zal de vordering van € 6.500,- derhalve toewijzen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde partij] heeft de veranda niet verwijderd en is derhalve tekortgeschoten in deze verbintenis, en verkeert, omdat zij niet heeft voldaan aan de sommaties (zie 2.6), te dien aanzien in verzuim. Zij moet de schade die [eisende partij] hierdoor heeft geleden dan ook vergoeden. De kantonrechter zal de vordering van € 1.210,- derhalve toewijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Tegen de gevorderde expertisekosten heeft [gedaagde partij] geen verweer gevoerd en op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) is [gedaagde partij] deze verschuldigd. De kantonrechter zal de vordering van 1.663,75 derhalve toewijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De wettelijke rente, tegen de verschuldigdheid waarvan [gedaagde partij] geen verweer heeft gevoerd, over voornoemde bedragen zal ook worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De buitengerechtelijke incassokosten, tegen de verschuldigdheid en hoogte waarvan [gedaagde partij] geen verweer heeft gevoerd, zullen ook worden toegewezen. [eisende partij] heeft immers gesteld dat hij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en de buitengerechtelijke werkzaamheden gespecificeerd, en de door hem gevorderde kosten zijn redelijk (minder dan 10% van de vordering) en in redelijkheid gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde partij] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van [eisende partij] . Deze worden tot vandaag begroot op:</para>
        <para>dagvaarding:	€	110,67</para>
        <para>griffierecht:	€	236,00</para>
        <para>salaris gemachtigde:	<emphasis role="underline">€	746,00</emphasis>	(2 punten x tarief € 373,-)</para>
        <para>totaal €	1.092,67</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>De nakosten zullen worden toegewezen, echter minder dan gevorderd, te weten tot een half salarispunt met een maximum van € 124,- in plaats van de gevorderde € 131,-.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>verklaart voor recht dat de aanneemovereenkomst op rechtsgeldige en correcte wijze is ontbonden,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 10.217,36, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 9.373,75 vanaf 28 november 2020 tot de dag van betaling,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de proceskosten van [eisende partij] , tot vandaag begroot op € 1.092,67,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde partij] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [eisende partij] aan de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 124,- aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>type: GD</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>