<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2020:9152</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-03T14:53:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/03/281179 / HA ZA 20-405</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2020:9152">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2020:9152</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-03T14:52:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2020:9152 Rechtbank Limburg , 18-11-2020 / C/03/281179 / HA ZA 20-405</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2020:9152:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bevoegdheidsincident afgewezen. Rechtens geen mogelijkheid af te wijken van absolute competentie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2020:9152:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="dfb4876a-5a45-4001-8d87-3edba676ebaf" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="495894dd-449a-4894-88dc-8299cb6e4cf5" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Burgerlijk recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/03/281179 / HA ZA 20-405</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in incident bij vervroeging van 18 november 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres in conventie in hoofdzaak, verweerster in reconventie in hoofdzaak, verweerster in incident]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats 1] ,</para>
      <para>eiseres in conventie in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerster in reconventie in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerster in het incident,</para>
      <para>advocaat mr. J.E.A.H. Verstraelen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde in conventie in hoofdzaak, eiser in reconventie in hoofdzaak, eiser in incident]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde in conventie in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiser in reconventie in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiser in het incident,</para>
      <para>advocaat mr. A.F.T. Grul.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiseres in conventie in hoofdzaak, verweerster in reconventie in hoofdzaak, verweerster in incident] en [gedaagde in conventie in hoofdzaak, eiser in reconventie in hoofdzaak, eiser in incident] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding met producties 1 t/m 10, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord in conventie tevens houdend de incidentele vordering tot <?linebreak?>  verwijzing naar de kantonrechter alsmede eis in reconventie met producties 1 en 2,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het mondeling vonnis van 21 oktober 2020 waarbij een mondelinge behandeling is gelast <?linebreak?>  op 26 mei 2021 van 13.30 uur tot 15.30 uur,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief namens [gedaagde in conventie in hoofdzaak, eiser in reconventie in hoofdzaak, eiser in incident] waarin gewezen wordt op de opgeworpen exceptie van <?linebreak?>  onbevoegdheid, ontvangen op 26 oktober 2020,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de incidentele conclusie van antwoord.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling </title>
    <bridgehead role="bold">in het incident</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde in conventie in hoofdzaak, eiser in reconventie in hoofdzaak, eiser in incident] stelt dat de grondslag voor de vorderingen voortvloeit uit de tussen partijen op 30 augustus 2011 gesloten samenlevingsovereenkomst. In art. 15 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst is – kort gezegd – bepaald dat alle geschillen welke mochten ontstaan naar aanleiding van deze overeenkomst zoveel mogelijk worden beslist door de kantonrechter. [gedaagde in conventie in hoofdzaak, eiser in reconventie in hoofdzaak, eiser in incident] vordert derhalve dat de rechtbank de zaak verwijst naar de kamer voor kantonzaken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [eiseres in conventie in hoofdzaak, verweerster in reconventie in hoofdzaak, verweerster in incident] voert verweer. Zij stelt dat de kantonrechter in de samenlevingsovereenkomst niet uitdrukkelijk bevoegd is verklaard en dat de rechtbank bevoegd is ten aanzien van vorderingen ter zake van verdeling.    </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De inleidende vorderingen van partijen strekken tot de verdeling van de tussen hen bestaande ontbonden gemeenschap. De absolute bevoegdheid van de rechter wordt beheerst door het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Tot aan de herziening van dit wetboek per 1 januari 2002 bepaalde artikel 126 lid 12 dat de rechtbank de bevoegde rechter was ter zake van een verdeling. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat de wetgever deze absolute bevoegdheid heeft willen wijzigen. In de memorie van toelichting op de Aanpassingswet wordt vermeld, dat na de bestuurlijke overbrenging van de kantongerechten in de rechtbank het takenpakket van de kantonrechter gehandhaafd blijft (Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 258). Op grond van artikel 42 Wet op de rechterlijke organisatie (RO.) nemen de rechtbanken in eerste aanleg kennis van alle burgerlijke zaken, behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen. Waar het de absolute bevoegdheid van de kantonrechter betreft, geeft artikel 93 Rv een aantal uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 42 RO. Deze uitzonderingen omvatten geen verdelingszaken. Onder vorderingen als bedoeld in artikel 93 Rv letter a worden geldvorderingen verstaan (MvT, Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 192). Onder de vordering als bedoeld in letter b van artikel 93 Rv moet ook een geldvordering worden verstaan. Ook aan de andere in artikel 93 Rv omschreven uitzonderingen kan de kantonrechter in verdelingszaken geen bevoegdheid ontlenen (zie ook: ECLI:NL:GHDHA:2018:714).</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.3.1.</nr>
        <para>De regels inzake absolute competentie zijn van dwingend recht. Partijen hebben rechtens niet de mogelijkheid gekregen om van die regels af te wijken. Ten aanzien van de onderhavige vorderingen ter zake verdeling is dan ook de rechtbank bevoegd. Dit betekent dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de kamer voor kantonzaken niet bevoegd is. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [gedaagde in conventie in hoofdzaak, eiser in reconventie in hoofdzaak, eiser in incident] heeft als in het ongelijk gesteld te gelden en wordt daarom in de proceskosten van dit incident veroordeeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in de hoofdzaak in conventie en in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De zaak zal, zoals reeds in het roljournaal is vermeld, worden verwezen naar de rol van <emphasis role="bold">2 december 2020</emphasis> voor conclusie van antwoord in reconventie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De rechtbank wijst er verder op dat de voor 26 mei 2021 geplande mondelinge behandeling doorgang zal vinden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>wijst het gevorderde af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde in conventie in hoofdzaak, eiser in reconventie in hoofdzaak, eiser in incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiseres in conventie in hoofdzaak, verweerster in reconventie in hoofdzaak, verweerster in incident] begroot op € 543,-,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in de hoofdzaak in conventie en in reconventie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van <emphasis role="bold">2 december 2020</emphasis> voor conclusie van antwoord.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken.<footnote-ref linkend="_3c995f9b-02f0-416e-aa99-0cdff4a25080" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_3c995f9b-02f0-416e-aa99-0cdff4a25080" label="1">
    <para>type: AH</para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>