<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2020:9080</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-28T07:54:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8612589 \ CV EXPL  20-3046</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2020:9080">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2020:9080</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-28T07:53:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2020:9080 Rechtbank Limburg , 18-11-2020 / 8612589 \ CV EXPL  20-3046</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2020:9080:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Incassokosten afgewezen; 14 dagenbrief voldoet niet aan art 6:96 lid 6 BW</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2020:9080:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para>Burgerlijk recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 8612589 \ CV EXPL  20-3046</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter van 18 november 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Arnhem,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>gemachtigde Inkassier Gerechtsdeurwaarders &amp; Incasso,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende [adres] ,</para>
      <para>
        [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>procederende in persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De verdere procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para>- het tussenvonnis van 23 september 2020</para>
        <para>- de akte. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eisende partij vordert, samengevat, de veroordeling van gedaagde partij tot betaling van  € 383,15, vermeerderd met rente en kosten.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Ter onderbouwing van haar vordering voert eisende partij (samengevat) het volgende aan.</para>
        <para>Eisende partij heeft op grond van een met gedaagde partij gesloten zorgverzekeringsovereenkomst bedragen bij gedaagde partij in rekening gebracht. De totale achterstand bedraagt volgens eisende partij € 1.029,14. Daarnaast is gedaagde partij aan haar de wettelijke rente verschuldigd. Eisende partij berekent de wettelijke rente tot 2 juni 2020 op € 16,89. Voorts stelt zij dat gedaagde partij aan haar een vergoeding van € 159,80 voor buitengerechtelijke kosten inclusief btw verschuldigd is. Naar aanleiding van de aanmaningen heeft eisende partij een bedrag van € 822,68 in mindering ontvangen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De kantonrechter constateert dat in de hoofdsom een bedrag van € 4,50 betrekking heeft op acceptgirokosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij tussenvonnis heeft de kantonrechter eisende partij in de gelegenheid gesteld om het beding waar de vordering met betrekking tot de acceptgirokosten op is gebaseerd, te overleggen. Ook is eisende partij verzocht toe te lichten waarom gekozen is voor de betaalwijze middels acceptgiro alsmede waarom dit beding niet onredelijk bezwarend moet worden geacht. </para>
        <para>Eisende partij heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De kantonrechter is van oordeel dat het beding op voldoende begrijpelijke en duidelijke wijze is opgesteld en dat het beding voor de consument niet nadelig is. Uit de overgelegde informatie alsmede de daarop gegeven toelichting blijkt dat bij de drie kosteloze betaalwijzen een handeling van gedaagde partij nodig is. Indien gedaagde partij voor geen van deze mogelijkheden heeft gekozen, kan eisende partij niet anders dan betaling verlangen door middel van een acceptgiro. Op grond van het beding wordt daarvoor een bedrag van € 1,50 aan bijkomende kosten aan de consument in rekening gebracht. Gelet op het feit dat daarvoor een brief dient te worden uitgedraaid, in een enveloppe dient te worden gedaan, voorzien dient te worden van een frankering en tot slot aan de postbezorging moet worden aangeboden, is het bedrag van </para>
        <para>€ 1,50 dat eisende partij hiervoor als bijkomende kosten in rekening brengt niet te hoog. Derhalve is geen sprake van een onredelijk bezwarend beding, zodat de kosten voor acceptgirokosten kunnen worden toegewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Eisende partij heeft aanspraak gemaakt op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De gevorderde vergoeding van €159,80 inclusief btw is niet toewijsbaar, nu de door eisende partij aan gedaagde partij op 13 mei 2020 verzonden aanmaning niet voldoet aan de eisen die artikel 6:96 lid 6 BW daaraan stelt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De overige vordering van eisende partij staat als niet weersproken tussen partijen vast en behoort als onvoldoende betwist te worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De kantonrechter zal een bedrag groot € 223,35 toewijzen (hoofdsom € 1.029,14 + vervallen wettelijke rente € 16,89 minus deelbetalingen € 822,68)</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Gedaagde partij zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van Incassopartners worden begroot op:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>dagvaarding	€	105,09</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>griffierecht	€	124,00</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>salaris gemachtigde 	€<emphasis role="underline">	36,00	</emphasis>	(1 x tarief € 36,00)</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>totaal 	€	265,09</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK&amp;T en worden begroot op een half salarispunt conform het liquidatietarief proceskosten aan nakosten salaris. De gevorderde btw over de nakosten zal, voor zover die nakosten zien op het salaris gemachtigde, worden afgewezen nu hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 223,35, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 juni 2020 tot de dag van volledige betaling,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 265,09,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde partij onder de voorwaarde dat deze niet binnen twee weken na aanschrijving door eisende partij volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op: </para>
      <para>- € 18,00 aan salaris gemachtigde, </para>
      <para>- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, dit bedrag te vermeerderen met de hierover verschuldigd zijnde btw,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J.  Otto en in het openbaar uitgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>type: JEC</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>