<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2020:8373</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-09T09:00:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-10-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 20/795</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2020:8373">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2020:8373</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-06T16:45:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2020:8373 Rechtbank Limburg , 30-10-2020 / AWB 20/795</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2020:8373:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek verschillende objecten als gemeentelijk monument aan te wijzen. Partijen zijn het erover eens dat te laat is beslist. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit wordt daarom vernietigd. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen een termijn van twintig weken, die verweerder heeft gevraagd en waarmee eiseres heeft ingestemd, een besluit op het verzoek bekendmaakt. De rechtbank heeft aan haar uitspraak een dwangsom verbonden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2020:8373:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 20/795</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">beslissing van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2020 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Stichting tot behoud van het negentiende en twintigste-eeuwse cultuurgoed in Nederland en tot ondersteuning van het Cuypersgenootschap</emphasis>, statutair gezeteld in Maasgouw, eiseres</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade</emphasis>, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van het bestuur van het Cuypersgenootschap om een aantal panden en een standbeeld in de gemeente Kerkrade als gemeentelijk monument aan te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vaststaande feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Het bestuur van het Cuypersgenootschap heeft verweerder op 10 juli 2017 verzocht de panden aan de [adres 1] , [adres 2] , </para>
    <para>
      [adres 3] en [adres 4] in [plaats] en [naam 1] of [naam 2] op de [adres 5] in [plaats] als gemeentelijk monument aan te wijzen. Bij brief van 13 augustus 2018 heeft het bestuur van het Cuypersgenootschap verweerder in gebreke gesteld. Tussen verzoek en ingebrekestelling en tussen ingebrekestelling en beroep is er van de zijde van het Cuypersgenootschap regelmatig naar de voortgang van de procedure geïnformeerd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De ontvankelijkheid van het beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Volgens de website van het Cuypersgenootschap bestaat het uit een vereniging en een stichting (eiseres) en heeft het één bestuur. Volgens de statuten van eiseres vertegenwoordigt het bestuur haar. De rechtbank gaat er daarom en omdat het verzoek en de ingebrekestelling op briefpapier van eiseres zijn ingediend, van uit dat het verzoek en de ingebrekestelling door het bestuur namens eiseres zijn ingediend. De rechtbank leidt uit de bij het beroepschrift gevoegde machtiging af dat het beroep is ingediend namens eiseres. Eiseres kan daarom in beroep worden ontvangen.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De verdere beoordeling van het beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Partijen zijn het erover eens dat niet op tijd op het verzoek is beslist. Verder onderzoek is daarom niet nodig. De rechtbank sluit het onderzoek dan ook en doet deze uitspraak op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is kennelijk gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit zal worden vernietigd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De beslistermijn en de nadere dwangsom</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De rechtbank zal daarbij bepalen binnen welke termijn verweerder alsnog een besluit op het verzoek bekend dient te maken. De rechtbank overweegt daarover het volgende.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Monumentenverordening 2004 van de gemeente van verweerder (de monumentenverordening) kan verweerder al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument. Ingevolge het tweede lid vraagt verweerder advies aan de monumentencommissie voordat hij beslist. Alleen in spoedeisende gevallen hoeft verweerder dat niet te doen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de monumentenverordening, adviseert de monumentencommissie binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van verweerder. Ingevolge het tweede lid, beslist verweerder binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie, maar in elk geval binnen twintig weken na de adviesaanvraag.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt voorop dat eiseres, gelet op haar statutaire doelstellingen, waaronder het beschermen van monumenten in de breedste zin van het woord, hieronder begrepen het voeren van procedures als deze, is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 3, eerste lid, van de monumentenverordening. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een spoedeisend geval als bedoeld in het tweede lid van dit artikel. Verweerder moest daarom advies vragen aan de monumentencommissie. Verweerder heeft dat op </para>
        <para>22 april 2020 ook gedaan. Gebleken is dat de benoeming van de commissieleden is verlopen en de herbenoeming pas plaatsvindt op 20 of 27 oktober 2020. Met het gevraagde advies is dus nog geen aanvang gemaakt, terwijl de maximale termijn van twintig weken waarin verweerder ingevolge artikel 4, tweede lid, van de monumentenverordening na adviesaanvraag dient te beslissing inmiddels is verstreken. Verder is gebleken dat verweerder verzoekt om een beslistermijn gelijk aan de termijn in artikel 4, tweede lid, van de monumentenverordening en dat eiseres zich kan vinden in een maximale termijn van acht weken om de monumentencommissie in de gelegenheid te stellen om te adviseren en een maximale termijn van twaalf weken om verweerder vervolgens de gelegenheid te geven op het verzoek te beslissen en dus in de maximale termijn van twintig weken die verweerder op grond van artikel vier, tweede lid, van de monumentenverordening na adviesaanvraag heeft. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder binnen twintig weken een besluit op het verzoek bekend dient te maken. Deze termijn van twintig weken gaat in op 28 oktober 2020, de datum waarop de benoeming van alle commissieleden heeft plaatsgehad, en eindigt op </para>
        <para>16 maart 2021. De rechtbank zal aan de uitspraak een nadere dwangsom verbinden voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet in de door verweerder aangehaalde omstandigheid, dat advies is gevraagd aan de monumentencommissie en het besluitvormingsproces daarmee in gang is gezet, geen reden een lagere dwangsom aan de uitspraak te verbinden, reeds omdat verweerder met deze uitspraak nog eens de maximale beslistermijn krijgt die hij ingevolge artikel 4, tweede lid, van de monumentenverordening na adviesaanvraag heeft. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Omdat het beroep gegrond is zal de rechtbank bepalen dat verweerder het griffierecht vergoedt dat eiseres voor de behandeling van het beroep heeft moeten betalen.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank: </para>
      </parablock>
      <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      <para>- bepaalt dat verweerder uiterlijk op 16 maart 2021 een besluit op het verzoek van eiseres bekend maakt;</para>
      <para>- verbindt aan deze uitspraak een nadere dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elk dag dat verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven;</para>
      <para>- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht</para>
      <parablock>
        <para>van € 354,- vergoedt.</para>
        <para>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beslissing is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van </para>
        <para>mr. A.W.C.M. Frings, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2020.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>	         rechter</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Afschrift verzonden aan partijen op:30 oktober 2020</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>