<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2020:8340</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-24T11:23:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-10-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8724053 OV VERZ 20-58</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenbeschikking">Tussenbeschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2020:8340">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2020:8340</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-24T11:21:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2020:8340 Rechtbank Limburg , 16-10-2020 / 8724053 OV VERZ 20-58</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2020:8340:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenvonnis. Art. 24 lid 1 tweede alinea Brussel I-bis. Toepasselijk recht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2020:8340:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">BESCHIKKING</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">________________________________________________________________ _</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK LIMBURG</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Burgerlijk recht / Kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer 8724053 OV VERZ 20-58</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van 16 oktober 2020</emphasis>
      </para>
      <para>op een verzoek van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster] ,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>verzoekster,</para>
      <para>gemachtigde mr. S.T.L.A. Mulders,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonend aan de [adres] te [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerder,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [verzoekster] en [verweerder] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure </title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het door [verzoekster] ingediende Europees betalingsbevel met bijlagen ingekomen ter griffie van de rechtbank Den Haag op 4 mei 2020</para>
      <para>- het door [verweerder] ingediende verweer met bijlagen ingekomen ter griffie van de rechtbank Den Haag op 6 juli 2020</para>
      <para>- de (verzwijging)beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 juli 2020, ter griffie van deze rechtbank ontvangen 30 juli 2020</para>
      <para>- het door de rechtbank Limburg aan [verweerder] verzonden antwoordformulier C </para>
      <para>- het ter griffie van deze rechtbank op 21 september 2020 van [verweerder] ontvangen antwoord en een getuigenverklaring.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Daarna is beschikking bepaald, waarvan de uitspraak is gesteld op heden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [verzoekster] vordert veroordeling van [verweerder] tot betaling van:</para>
      <para>- € 1.428,00 aan hoofdsom</para>
      <para>- € 29,54 aan rente</para>
      <para>- € 142,80 aan contractuele boete </para>
      <para>- € 713,20 aan kosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [verzoekster] legt aan haar vordering nakoming door [verweerder] van huurpenningen uit hoofde van de tussen haar en [verweerder] gesloten huurovereenkomst van een standplaats op de camping van [verzoekster] te [vestigingsplaats] ten grondslag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [verweerder] voert verweer.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen zal de kantonrechter, indien nodig, nader ingaan.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft aangegeven dat zij de op grond van verordening van 1896/2006 ingeleide procedure wilt voortzetten volgens de regels van verordening 861/2007. Gelet daarop is bij beschikking van de rechtbank Den haag van 29 juli 2020  bevolen dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels van de Europese procedure voor geringe vorderingen en is de kantonrechter bij de rechtbank Limburg, locatie Maastricht aangewezen als de rechter die de zaak verder behandelt. Een formeelrechtelijke beslissing over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en over het toepasselijke recht is daar bij niet gegeven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De hoofdvordering van [verzoekster] heeft betrekking op een huurovereenkomst van een onroerende zaak te Luxemburg , meer in het bijzonder op betaling van huurpenningen van een standplaats voor een caravan te Luxemburg . Met inachtneming van de inhoud van art. 2.1 sub i van Verordening (EG) nr. 861/2007 (Europese procedure voor geringe vorderingen), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 2015/2421 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015, vallen de vordering noch de nevenvorderingen onder de uitzondering van het bepaalde in voormeld artikel. Alvorens verder op de vorderingen in te kunnen gaan dient de kantonrechter ambtshalve te toetsen of hij bevoegd is om van de vorderingen van [verzoekster] kennis te nemen. Daartoe moet gekeken worden naar de bevoegdheidsregels, waarnaar verordening (EU) nr. 2015/2421 verwijst, als bepaald bij Verordening (EU) nr. 1215/2012 (verder: Brussel I-bis).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van de exclusieve bevoegdheid als bepaald in art. 24 lid 1 Brussel I-bis “Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd: </para>
        <para>1. voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is. </para>
        <para>Voor huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voor tijdelijk particulier gebruik voor ten hoogste zes opeenvolgende maanden zijn evenwel ook bevoegd de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, mits de huurder of pachter een natuurlijke persoon is en de eigenaar en de huurder of pachter woonplaats in dezelfde lidstaat hebben” </para>
        <para>juncto art. 26 lid 1 “Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van deze verordening, is het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 24 bij uitsluiting bevoegd is”</para>
        <para>luidt het voorshands oordeel dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt om van de onderhavige vorderingen kennis te nemen en dient de kantonrechter zich volgens art 27 Brussel I-bis ambtshalve onbevoegd te verklaren temeer nu partijen hebben gesteld noch doen blijken dat tussen hen een forumkeuzebeding is overeengekomen. Dat [verweerder] een verweerschrift heeft ingediend laat het voorgaande onverlet. Echter, nu partijen zich niet over de bevoegdheid, het forumkeuzebeding en het bepaalde in de tweede alinea van </para>
        <para>art. 24 lid 1 Brussel I-bis hebben kunnen uitlaten, worden zij daartoe in de gelegenheid gesteld. Partijen dienen zich ook uit te laten over welk materieel recht (Nederlands, Luxemburgs of een ander) op de hoofd- en nevenvorderingen van toepassing is. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [verzoekster] zal daarbij tevens in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over de inhoud van het verweer en de getuigenverklaring die door [verweerder] zijn overgelegd en [verweerder] zal in de gelegenheid worden gesteld om de betalingsbewijzen waaruit blijkt dat hij t/m juni 2019 de standplaats bij [verzoekster] heeft betaald aan te leveren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>stelt [verzoekster] en [verweerder] in de gelegenheid om binnen zes weken na heden een akte te nemen waarbij zij zich gemotiveerd dienen uit te laten:</para>
      <para>a. over het voorshands oordeel in r.o. 3.3., </para>
      <para>b. of de tweede alinea van art 24 lid 1 Brussel I-bis op de onderwerpelijke vordering van toepassing is, </para>
      <para>c. of en per welke datum zij een forumkeuzebeding zijn overeengekomen, </para>
      <para>d. over welk recht op de vordering van [verzoekster] van toepassing is,</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.1.</nr>
        <para>
          [verzoekster] zal daarbij tevens in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over de inhoud van het verweer en de getuigenverklaring die door [verweerder] zijn overgelegd en [verweerder] om de betalingsbewijzen waaruit blijkt dat hij t/m juni 2019 de standplaats bij [verzoekster] heeft betaald aan te leveren,</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>YT</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>