<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2020:6409</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-04T09:00:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-08-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/03/271967 / HA RK 19-258</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2020:6409">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2020:6409</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-03T12:43:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2020:6409 Rechtbank Limburg , 28-08-2020 / C/03/271967 / HA RK 19-258</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2020:6409:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wrakingsgrond vindt geen steun in proces-verbaal - afwijzing</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2020:6409:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="9a815a5b-4d74-40e0-99cf-7c8ebe1c929d" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="62b20fc5-4370-44e9-9d97-342ce85a3cb5" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beslissing</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wrakingskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer / rekestnummer: C/03/271967 / HA RK 19-258</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>verzoekster,</para>
      <para>vertegenwoordigd door E. Sweers,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>dat strekt tot wraking van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. W.E. Elzinga rechter van de rechtbank Limburg (hierna: de rechter). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het op 4 december 2019 bij de rechtbank binnengekomen wrakingsverzoek,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de schriftelijke reactie van de rechter, ontvangen op 23 december 2019 en het proces-verbaal van de civiele zitting van 3 december 2019,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van 30 december 2019 van verzoeker,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verzoek tot wraking van de wrakingskamer van 28 januari 2020 en de beslissing daarop van 5 maart 2020 van de wrakingskamer,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de geplande behandeling op 19 maart 2020, die in verband met corona-maatregelen niet is doorgegaan,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mededeling van verzoeker dat hij niet akkoord is met schriftelijke afdoening van deze zaak,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling van 10 augustus 2020, waarbij de rechter is verschenen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hoewel deugdelijk opgeroepen is verzoeker niet verschenen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het wrakingsverzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Verzoeker heeft aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechter tijdens de zitting van 3 december 2019 onder meer in bijzijn van beide partijen heeft gezegd:</para>
      <para>- <emphasis role="italic"> - tegen partij [verzoekster] : “Je moet het regelen, anders gaat het je nog veel meer kosten,”</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- tegen de advocaat van [naam] : “Het kwartje moet nog vallen”, daarmee aangevende dat [verzoekster] alleen nog maar zelf hoeft te begrijpen dat de onderliggende vordering van [naam] betaald moet worden;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- de rechter heeft de zaak aangehouden tot 10 januari 2020 om [verzoekster] de gelegenheid te geven de onderliggende vordering van [naam] integraal te voldoen dan wel daartoe een [naam] passende betalingsregeling te treffen; bij gebreke waarvan de rechter zelf uitspraak zou gaan doen.”</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Volgens verzoeker is – gelet op voormelde uitlatingen van de rechter mede in samenhang bezien – voldaan aan artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten. Zij betwist de door verzoeker gestelde uitlatingen gedaan te hebben en heeft daartoe verwezen naar het proces-verbaal van de zitting. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De standpunten van verzoeker en de rechter worden hierna (voor zover nodig) besproken. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Van deze situatie is geen sprake, zodat het verzoek afgewezen dient te worden. Daartoe wordt als volgt overwogen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De wrakingskamer stelt vast dat de lezingen van verzoeker en de rechter over hetgeen tijdens de zitting van 3 december 2019 door de rechter is gezegd van elkaar verschillen. De lezing (lees: de wrakingsgronden) van verzoeker vindt echter geen steun in het proces-verbaal van 3 december 2019. De rechter heeft daarentegen tijdens de wrakingszitting een toelichting gegeven in de lijn van de inhoud van voormeld proces-verbaal en haar eerdere schriftelijke reactie. Aangezien verzoeker niet ter zitting is verschenen, ontbreekt een reactie van verzoeker op de ter zitting gegeven toelichting van de rechter. De door de rechter ter zitting gegeven toelichting is daarmee onweersproken. Het verzoek tot wraking van de rechter wordt daarom afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De wrakingskamer ziet - gelet op de ter zitting gegeven onweersproken toelichting van de rechter en hetgeen hiervoor is overwogen - geen aanleiding om het verzoek van verzoeker om de originele handgeschreven aantekeningen van de zitting van 3 december 2019 op te vragen en aan het dossier te voegen, te honoreren. Dit geldt ook voor het verzoek van verzoeker om de rechter en haar griffier als getuigen op te roepen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst de verzoeken om de handgeschreven aantekeningen van de zitting van 3 december 2019 aan het wrakingsdossier toe te voegen en de rechter en de griffier als getuigen op te zitting op te roepen af;</para>
    <para />
    <para>- wijst het verzoek tot wraking van mr. W.E. Elzinga af. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus vastgesteld door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, voorzitter, mr. R.M.M. Kleijkers en mr. M.B.T.G. Steeghs, leden. </para>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2020. <footnote-ref linkend="_b46fbde0-ee9f-428b-ac3c-c1edf71478ca" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_b46fbde0-ee9f-428b-ac3c-c1edf71478ca" label="1">
    <para>type: NO</para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>