<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2020:492</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-23T12:00:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-01-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C.03 / 272334 / KGZA 19-570</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2020:492">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2020:492</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-22T16:18:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2020:492 Rechtbank Limburg , 22-01-2020 / C.03 / 272334 / KGZA 19-570</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2020:492:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering tot opheffing maritaal beslag afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2020:492:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="26ac593c-db13-42cc-be1f-8e996cce33be" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="c509045d-12b6-49b0-8721-07bd6629f078" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Burgerlijk recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer / rolnummer: C/03/272334 / KG ZA 19-570</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 22 januari 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres in conventie, verweerster in reconventie]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ,</para>
      <para>eiseres in conventie,</para>
      <para>verweerster in reconventie,</para>
      <para>advocaat: mr. C.C.J. van Pol,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde in conventie, eiser in reconventie]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , verblijvende te [feitelijke verblijfplaats gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ,</para>
      <para>gedaagde in conventie,</para>
      <para>eiser in reconventie,</para>
      <para>advocaat: mr. E.J.M. Stals.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de eis in reconventie tevens houdende akte inbreng producties van de man;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de nagezonden productie 9 van de man;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling van 8 januari 2020, ter gelegenheid waarvan de advocaat van de man een pleitnota heeft overgelegd en voorgedragen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Tot slot is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Partijen zijn op [huwelijksdatum partijen] met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Het verzoekschrift tot echtscheiding is door de vrouw bij de rechtbank Limburg ingediend op 12 juli 2017. Bij (tussen)beschikking van 2 mei 2018 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren onder andere twee onroerende zaken, de woning met aanhorigheden aan de [adres en plaats huwelijkse woning 1] (hierna: de woning te [plaats huwelijkse woning 1] ) en de woning met aanhorigheden aan de [adres en plaats huwelijkse woning 2] (hierna: de woning te [plaats huwelijkse woning 2] ).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op 8 oktober 2019 is zijdens de man maritaal beslag gelegd op de verkoopopbrengst van de woning te [plaats huwelijkse woning 1] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De eindbeschikking is door de rechtbank Limburg gewezen op 10 oktober 2019. </para>
        <para>In deze beschikking is, onder meer, het volgende beslist:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“(…) 3.1. bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres en plaats huwelijkse woning 1] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">stelt de (wijze van) verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">vast:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- de (waarde van de) aandelen in de stamrecht BV, dient bij helfte gedeeld te worden,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">waarbij rekening dient te worden gehouden met de fiscale componenten;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- de beide woningen dienen verkocht te worden, waarbij ieder voor de helft gerechtigd is tot</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">de verkoopopbrengsten, alsmede de opbrengst van de spaarhypotheek, en partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van (het eventuele restant na verkoop van de woning) het bedrag aan hypothecaire leningen en de schuld aan de BV (inclusief rentecomponent)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- bepaalt dat de man een bedrag van € 3.473,69 uit de gemeenschap krijgt ter zake van de</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">onder uitsluiting ontvangen schenking;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- bepaalt dat de saldi op bankrekeningnummers (…) bij helfte gedeeld dienen te worden per peildatum 12 juli 2017;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- bepaalt dat de trailer dient te worden verkocht waarna de opbrengst bij helfte wordt</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">gedeeld, dan wel aan de man wordt toegedeeld tegen vergoeding van de helft van de waarde</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">aan de vrouw, waarbij partijen in onderling overleg de waarde vaststellen dan wel laten</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">taxeren;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">aan de vrouw wordt toegedeeld:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- de auto Renault Twingo [kenteken auto 1] , tegen een waarde van € 2.750,-, onder de verplichting</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">de helft van dit bedrag aan de man te voldoen;</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">aan de man wordt toegedeeld:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- de auto Renault Twingo [kenteken auto 2] , tegen een waarde van € 150,-, onder de verplichting de helft van dit bedrag aan de vrouw te voldoen;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- de dameszegelring;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- de persoonlijke spullen van de man die zich nog bevinden in de woning te [plaats huwelijkse woning 1] ;</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">verklaart de beslissing met betrekking tot het voortgezet gebruik van de woning, de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">partnerbijdrage en de verdeling uitvoerbaar bij voorraad; (…)” </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De woning te [plaats huwelijkse woning 1] is inmiddels verkocht en geleverd op 30 september 2019.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil in conventie</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De vrouw vordert  samengevat - de man te veroordelen om het maritaal beslag dat hij heeft gelegd op de overwaarde van de woning te [plaats huwelijkse woning 1] binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis op te heffen, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de man in de procekosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De man voert verweer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op hetgeen partijen hebben aangevoerd wordt, voor zover van belang, onder de beoordeling teruggekomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het geschil in reconventie</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De man vordert  samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,</para>
        <para>I. <emphasis role="underline">primair</emphasis> de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan het opstellen van een convenant, omvattende de gehele afwikkeling van de nog openstaande verdelingspunten, voortvloeiende uit de beschikking van 10 oktober 2019, zodat de bank het verzoek van de man om de vrouw te ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid in behandeling kan nemen, waarvoor een termijn van twee maanden na ondertekening van het convenant gehanteerd wordt, en bij gebreke van het verlenen van het gevraagde ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid binnen deze termijn, de vrouw te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan het aanwenden van de gelden uit de verkoop van de echtelijke woning aan de [adres en plaats huwelijkse woning 1] , zijnde € 204.029,04, die zich onder notaris</para>
        <para>mr. Mols te Neer bevinden, voor betaling van de openstaande schulden bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer 1] ad € 143.666,82, met nummer [rekeningnummer 2] ad € 40.000,00, met nummer [rekeningnummer 3] ad € 80.000,00 en de lening van de stamrecht B.V. ‘ [naam stamrecht BV] ’ ad € 290.000,00 inclusief de rente tot en met 2018 ten bedrage van</para>
        <para>€ 70.195,00 verhoogd met de rente over 2019;</para>
        <para>II. <emphasis role="underline">subsidiair</emphasis> de vrouw te veroordelen om - indien en voor zover niet binnen zes weken een convenant, als bedoeld in de eis onder 1, is opgesteld en ondertekend - haar medewerking te verlenen aan het aanwenden van de gelden uit de verkoop van de echtelijke woning aan de [adres en plaats huwelijkse woning 1] , zijnde € 204.029,04, die zich onder notaris mr. Mols te Neer bevinden, voor betaling van de openstaande schulden bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer 1] ad € 143.666,82, met nummer [rekeningnummer 2] ad € 40.000,00, met nummer [rekeningnummer 3] ad € 80.000,00 en de lening van de stamrecht B.V. ‘ [naam stamrecht BV] ’ ad € 290.000,00 inclusief de rente tot en met 2018 ten bedrage van € 70.195,00 verhoogd met de rente over 2019;</para>
        <para>III. de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure als nader omschreven in de eis in reconventie.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De vrouw voert verweer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Op hetgeen partijen hebben aangevoerd wordt, voor zover van belang, onder de beoordeling teruggekomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling in conventie</title>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De spoedeisendheid van de zaak is uit het gestelde en gevorderde voldoende aannemelijk geworden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Het maritaal beslag is een bijzonder conservatoir beslag dat één van de echtgenoten, op grond van artikel 768 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), kan leggen op goederen van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap, om te voorkomen dat de ander die goederen zal wegmaken. Alleen goederen die tot de gemeenschap behoren kunnen maritaal worden beslagen. Daarnaast moet sprake zijn van een gegronde vrees voor verduistering van die goederen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Artikel 770b Rv bepaalt dat bij toewijzing van het verzoek tot opheffing van de gemeenschap respectievelijk tot echtscheiding, tot scheiding van tafel en bed of tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, het beslag vervalt zodra de goederen aan de andere echtgenoot of geregistreerde partner worden toegedeeld of krachtens de verdeling aan de beslaglegger geleverd. Het beslag op de goederen die krachtens de uitspraak aan de andere echtgenoot worden toebedeeld vervalt zodra die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. De beschikking dateert van 10 oktober 2019 en deze is ten tijde van het indienen van de onderhavige vordering en de mondelinge behandeling daarvan nog appellabel. De beschikking is derhalve nog niet in kracht van gewijsde gegaan. Voor zover de vrouw een beroep op het bepaalde in dit artikel heeft gedaan, geldt dat de vordering niet op grond van deze bepaling kan worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Het maritaal beslag kan desgevraagd worden opgeheven door de kortgedingrechter of in het echtscheidingsgeding. Voor maritaal beslag geldt dat het beslag dient om de tot de gemeenschap behorende goederen voor de verdeling te behouden. Als niet komt vast te staan dat er gegronde vrees is dat de huwelijksgoederengemeenschap zonder het maritale beslag zodanig benadeeld zal worden dat het aandeel van de beslagleggende echtgenoot in die gemeenschap niet langer zal zijn gegarandeerd, kan het beslag worden opgeheven. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.4.1.</nr>
        <para>Vastgesteld wordt dat in de beschikking van 10 oktober 2019 het aandeel van de vrouw in de woning te [plaats huwelijkse woning 1] aan haar is toebedeeld. Tevens kan worden vastgesteld dat zij ingevolge deze beschikking diverse schulden dient te dragen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.2.</nr>
        <para>De vrouw stelt dat de man na volledige afrekening méér aan haar verschuldigd is dan het bedrag dat haar aandeel in de woning te [plaats huwelijkse woning 1] vertegenwoordigt. Dat heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Zo is onduidelijk welke waarde de woning te [plaats huwelijkse woning 2] vertegenwoordigt. Deze staat kennelijk al lang te koop, maar geen van partijen heeft de rechtbank voorzien van een objectieve waardebepaling van deze woning. Bij gebreke daarvan is de waarde van deze woning voor de rechtbank niet inzichtelijk. Voorts geldt dat sprake is van een zogeheten stamrecht BV, waarvan partijen een lening hebben ontvangen ten behoeve van de aankoop van de woning in [plaats huwelijkse woning 2] . De vrouw stelt weliswaar dat dit ‘een sigaar uit eigen doos’ is, maar maakt niet aannemelijk of inzichtelijk hoe ter zake dient te worden afgerekend. Ook op dit punt is door partijen geen gedegen onderbouwing gegeven van hun ingenomen stellingen. Zo kunnen er met betrekking tot de stamrecht BV diverse fiscale aspecten spelen, maar partijen hebben geen stukken overgelegd die daaromtrent enige duidelijkheid geven. Daardoor is het voor de rechtbank niet inzichtelijk hoe precies afgerekend dient te worden en wat de financiële gevolgen daarvan zijn. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.3.</nr>
        <para>Verder heeft de vrouw zelf aangevoerd dat zij haar aandeel in de overwaarde van de woning te [plaats huwelijkse woning 1] wenst aan te wenden om een woning te kunnen kopen. Zij wenst deze gelden dus kennelijk (deels) te verbruiken. Daarmee wordt het lastiger voor de man - indien de aanspraken van de vrouw uiteindelijk kleiner blijken te zijn dan dit bedrag - om verhaal te halen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.4.</nr>
        <para>Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er geen gegronde vrees is dat de huwelijksgoederengemeenschap zonder het maritale beslag zodanig benadeeld zal worden dat het aandeel van de beslagleggende echtgenoot in die gemeenschap niet langer zal zijn gegarandeerd. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat handhaving van het beslag in strijd is met de redelijkheid en billijkheid heeft zij daartoe onvoldoende aangevoerd. Dat het beslag haar verhindert een woning te kopen heeft zij niet met stukken onderbouwd. Uitgaande van de juistheid van deze stelling, brengt dat bovendien nog niet mee dat handhaving van het beslag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Onvoldoende gebleken is dat de vrouw thans door het gelegde beslag niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Dat zij door het beslag beperkt wordt in haar financiële mogelijkheden brengt niet mee dat het beslag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Het voorgaande betekent dat de vordering van de vrouw dient te worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>6</nr>De beoordeling in reconventie</title>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De spoedeisendheid van de zaak is uit het gestelde en gevorderde onvoldoende aannemelijk geworden. Daarnaast heeft te gelden dat evenmin voldoende aannemelijk is geworden dat het gevorderde in een bodemprocedure toewijsbaar zou zijn. Daartoe wordt het volgende overwogen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>De man heeft nagelaten een juridische grondslag voor zijn vorderingen aan te voeren. In de beschikking van 10 oktober 2019 is - kort gezegd - ter zake de woning in [plaats huwelijkse woning 2] beslist dat deze dient te worden verkocht. Waarom de vrouw dan gehouden zou zijn om mee te werken aan het opstellen van een convenant, waarvan onderdeel (kennelijk) is het ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de schuld bij de bank, is onvoldoende toegelicht. Dat partijen ter zake afspraken hebben gemaakt van die strekking is niet gebleken. Ook overigens is onvoldoende toegelicht waarom de vrouw gehouden is tot medewerking aan het opstellen van een convenant, waarvan ook slechts gedeeltelijk is toegelicht hoe de inhoud daarvan zou moeten luiden. De beschikking van 10 oktober 2019 biedt op veel punten duidelijkheid over de verdeling en voor zover die verdeling nog nader uitgewerkt dient te worden, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de (verkoop van de) woning in [plaats huwelijkse woning 2] en de afwikkeling van de stamrecht BV, geldt dat zowel de man als de vrouw in deze procedure te weinig concreets naar voren heeft gebracht om daaraan een nadere invulling te kunnen geven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>Het voorgaande betekent dat de vorderingen van de man dienen te worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De beslissing in conventie en reconventie</title>
    <para>De voorzieningenrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de vorderingen af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2020.<footnote-ref linkend="_246f7a54-34a8-49de-81da-c5ade2ef7907" /></para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_246f7a54-34a8-49de-81da-c5ade2ef7907" label="1">
    <para>type: <emphasis role="bold">Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.</emphasis></para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>