<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2019:9868</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-07T14:28:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-11-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/03/269932 / KG ZA 19-486</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2019:9868">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2019:9868</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-07T14:28:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2019:9868 Rechtbank Limburg , 05-11-2019 / C/03/269932 / KG ZA 19-486</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2019:9868:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering dat gedaagden eiser zouden vrijwaren voor de nadelige gevolgen van een veroordeling in de “hoofdzaak” (ECLI:NL:RBLIM:2019:9867) afgewezen, nu niet is gebleken dat gedaagden onwillig zijn ten aanzien van, of in verzuim met, die vrijwaringsverplichting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2019:9868:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="6b081de0-6675-4514-a646-fd6bf2131e4c" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="f8798b0c-a59c-4708-aa8b-cc516e09240b" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Burgerlijk recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: C/03/269932 / KG ZA 19-486</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 5 november 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats 1]</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat mr. J.G.C. van Baar te Sittard;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde sub 1] ,</title>
    <para>wonend te [woonplaats 2] ,</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr> [gedaagde sub 2] ,</title>
    <para>wonend te [woonplaats 3] ,</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr> [gedaagde sub 3] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonend te [woonplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>advocaat mr. F.H.C. Aarts.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiser] , gedaagde, en [gedaagden] , eisers gezamenlijk, en [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , eisers ieder afzonderlijk, genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleitnota van [gedaagden] .</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser] is op 1 augustus 2011 toegetreden tot de advocatenmaatschap die toentertijd was genaamd [naam maatschap 1] . Op dat moment bestond die maatschap uit de volgende maten: [naam maat 1] , [gedaagde sub 1] , [naam maat 2] (hierna: [naam maat 2] ) en [gedaagde sub 2] en, na diens toetreding, [eiser] . [eiser] is in 2019 uit de maatschap getreden. Op dit moment bestaat de maatschap (die thans is genaamd: [naam maatschap 2] ) uit de volgende maten: [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , de gedaagden in deze procedure.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Naar aanleiding van het uittreden van [eiser] uit de maatschap is tussen partijen op 20 maart 2019 een vaststellingsovereenkomst opgesteld, met daarin in artikel 5 een bepaling waarin [eiser] wordt gevrijwaard van aansprakelijkheid. Die bepaling luidt – voor zover te dezen van belang – als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">“Artikel 5: Ontslag (hoofdelijke aansprakelijkheid [eiser] en Vrijwaring.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">5.3</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verder vrijwaren zij </emphasis>(de verblijvende vennoten, de voorzieningenrechter)<emphasis role="italic"> [eiser] eveneens uitdrukkelijk voor alle schulden en verplichtingen van de Maatschap, ook dewelke die zijn ontstaan voor dan wel hun grondslag vinden in de periode tot aan de dag dat [eiser] feitelijk is vertrokken.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…)”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij dagvaarding van 1 oktober 2019 heeft [naam maat 2] de maatschap [naam maatschap 2] (voorheen genaamd [naam maatschap 1] ) alsmede [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [eiser] in kort geding voor deze rechtbank gedagvaard. Deze zaak is door de rechtbank onder nummer C/03/269083 / KG ZA 19/452 geregistreerd en zal verder “de hoofdzaak” worden genoemd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>In de hoofdzaak vordert [naam maat 2] , kort gezegd, dat de maatschap [naam maatschap 2] , [gedaagden] en [eiser] worden veroordeeld tot – zakelijk weergegeven – betaling van achterstallige huur van een tweetal panden, waarvan [naam maat 2] mede-eigenaar is, en daarnaast nakoming van de exploitatieverplichting van die panden. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat uit het bepaalde in artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst, waaruit hierboven is geciteerd, volgt dat [gedaagden] hem dienen te vrijwaren in geval van een eventuele veroordeling in de hoofdzaak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op grond van het vorenstaande vordert [eiser] dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, des dat de één of meer van hen betalend, de andere(n) zullen zijn bevrijd, veroordeelt:</para>
      <para />
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>tot hoofdelijke nakoming van artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst;<?linebreak?></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>zorg te dragen voor voldoening van die veroordeling, indien [eiser] , ingevolge het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis op de eisen van [naam maat 2] ingesteld bij diens dagvaarding d.d. 1 oktober 2019, zou worden veroordeeld jegens [naam maat 2] om bedragen te voldoen op grond van de gestelde huurovereenkomsten of indien [eiser] zou worden veroordeeld jegens [naam maat 2] deze overeenkomsten anderszins na te komen, één en ander op straffe van een hoofdelijke dwangsom van € 25.000,--, indien gedaagden [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet tijdig aan die veroordeling(en) jegens [naam maat 2] zouden voldoen;<?linebreak?></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>tot voldoening, hoofdelijk, aan [eiser] van al hetgeen op basis van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis aan [naam maat 2] daadwerkelijk betaalt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betaling door [eiser] aan [naam maat 2] tot de dag van voldoening door [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] aan [eiser] ;<?linebreak?></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>in de kosten van dit geding.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Uit het verweer van [gedaagden] ter zitting volgt dat zij erkennen dat zij [eiser] dienen te vrijwaren ter zake een eventuele veroordeling ten gunste van [naam maat 2] in de hoofdzaak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Echter, [gedaagden] voeren aan zij tot aan de dagvaarding door [eiser] nooit zijn verzocht [eiser] te vrijwaren, als door hem thans gevorderd, en zij ook niet te kennen hebben gegeven zich niet aan de eventuele vrijwaringsafspraken te houden. Op grond daarvan bepleiten zij dat [eiser] geen opeisbare vordering heeft en deze derhalve niet in zijn vordering kan worden ontvangen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit verweer terecht is voorgedragen. Uit dat verweer, dat door [eiser] niet is weersproken, volgt dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vordering. Immers, niet is gebleken dat [gedaagden] onwillig en in verzuim zouden zijn ten aanzien van de gestelde vrijwaringsverplichting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Dat betekent dat de vordering op die grond al moet worden afgewezen en [eiser] op grond daarvan in de kosten van deze procedure dient te worden veroordeeld. De overige verweren behoeven, wat daar verder overigens van zij, geen beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>
        [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:</para>
      <para>- griffierecht	€ 	297,00; </para>
      <para>- salaris advocaat	€<emphasis role="underline">	980,00;</emphasis></para>
      <para>Totaal	€ 	1.277,00.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.277,00;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken.<footnote-ref linkend="_efde4fe8-5807-4d54-b8f9-2ec143da0e35" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_efde4fe8-5807-4d54-b8f9-2ec143da0e35" label="1">
    <para>type: MT</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>