<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2018:9814</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-16T11:57:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-10-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 18 _ 2243</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:9814">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:9814</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-16T11:49:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2018:9814 Rechtbank Limburg , 12-10-2018 / AWB - 18 _ 2243</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2018:9814:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen beëindigingsbesluit ZW.</para>
        <para>Verzoeker heeft uiteengezet waarom in het geval van verzoeker sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker zit al maanden zonder inkomen. Hij heeft een bijstandsuitkering aangevraagd, maar die aanvraag is afgewezen. De bijstandsaanvraag en ook het daartegen gerichte verzoek om voorlopige voorziening zijn afgewezen, omdat er geen of onvoldoende gegevens door verzoeker zijn overgelegd om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Nog daargelaten dat aan het onderhavige verzoek (ook) geen (financiële) gegevens ten grondslag zijn gelegd die het ontbreken van middelen van bestaan aannemelijk maken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het op de weg van verzoeker ligt om in het kader van de nog lopende procedure tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag, dan wel in het kader van een nieuwe bijstandsaanvraag, de nodige duidelijkheid te verschaffen over zijn inkomens- en vermogenspositie. Als dit niet tot toekenning van bijstand leidt, bestaat de mogelijkheid om in dat verband opnieuw om een voorlopige voorziening te vragen. Afwijzing verzoek.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2018:9814:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK limburg</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB/ROE 18/2243</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , te Sittard, verzoeker</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen)</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: A.M.C. Crombach).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 23 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die verzoeker ontving ingevolge de Ziektewet (ZW) beëindigd per 5 januari 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 24 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
    <para />
    <para>2. Verzoeker had met ingang van 2 januari 2017 een uitkering ingevolge de ZW. Verweerder heeft deze uitkering bij het primaire besluit beëindigd per 5 januari 2018 omdat verzoeker volgens hem meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het hiertegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.</para>
    <para />
    <para>4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. In geval de bodemzaak het recht op uitkering ingevolge een socialezekerheidswet betreft, is in beginsel slechts sprake van een spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen als zich een acute financiële noodsituatie voordoet die niet op andere wijze is op te heffen. Tenzij het verzoek betrekking heeft op bijstand, is daarbij is uitgangspunt dat de bijstandsvoorziening in het kader van de Participatiewet (PW) een vangnet biedt waarmee, behoudens de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, in beginsel in alle gevallen een minimaal noodzakelijk inkomen is gewaarborgd. </para>
    <para />
    <para>5. Verzoekers gemachtigde heeft bij brief van 25 september 2018 uiteengezet waarom in het geval van verzoeker sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker zit al maanden zonder inkomen. Hij heeft een bijstandsuitkering aangevraagd, maar die aanvraag is afgewezen. Verzoeker heeft hangende het bezwaar tegen de afwijzing van de gevraagde bijstandsuitkering ingevolge de PW een voorlopige voorziening gevraagd, maar dat verzoek is afgewezen op 2 juli 2018. Verzoeker verkeert thans (nog steeds) in de situatie dat hij zijn maandelijkse lasten – zoals de energiekosten – niet meer kan betalen. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter dan ook om de werking van het primaire besluit en het besluit op bezwaar van verweerder te schorsen totdat op het beroep is beslist.</para>
    <para />
    <para>6. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bijstandsaanvraag en ook het eerdere verzoek om voorlopige voorziening van 2 juli 2018 zijn afgewezen, omdat er geen of onvoldoende gegevens door verzoeker zijn overgelegd om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Nog daargelaten dat aan het onderhavige verzoek (ook) geen (financiële) gegevens ten grondslag zijn gelegd die het ontbreken van middelen van bestaan aannemelijk maken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het op de weg van verzoeker ligt om in het kader van de – naar de voorzieningenrechter aanneemt – nog lopende procedure tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag, dan wel in het kader van een nieuwe bijstandsaanvraag, de nodige duidelijkheid te verschaffen over zijn inkomens- en vermogenspositie. Als dit niet tot toekenning van bijstand leidt, bestaat de mogelijkheid om in dat verband opnieuw om een voorlopige voorziening te vragen. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om thans in het kader van het beroep tegen de ZW-uitkering te concluderen dat sprake is van een situatie die tot het treffen van een voorlopige voorziening noopt. </para>
    <para />
    <para>7. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter niet toe aan beantwoording van de vraag of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het thans bestreden besluit in rechte stand houdt. </para>
    <para />
    <para>8. Gelet op het voorgaande en mede in aanmerking genomen dat het in het belang van verzoeker is dat zo snel mogelijk duidelijk wordt dat deze verzoekprocedure niet tot het beoogde resultaat zal leiden, heeft behandeling van het verzoek ter zitting geen meerwaarde. Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb doet de voorzieningenrechter daarom zonder zitting uitspraak en wijst hij het verzoek om voorlopige voorziening af. </para>
    <para />
    <para>9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. Th.M. Schelfhout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>12 oktober 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:  12 oktober 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>