<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2018:6812</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-19T12:24:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-07-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-07-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/04/127034 / HA ZA 13-359</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_goederenrecht">Civiel recht; Goederenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2020:3762" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:3762</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2021:702" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2021:702</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2021:1664" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2021:1664</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2022:1346" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2022:1346</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:6812">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:6812</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-19T12:23:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2018:6812 Rechtbank Limburg , 18-07-2018 / C/04/127034 / HA ZA 13-359</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2018:6812:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eindvonnis over de inhoud van een erfdienstbaarheid, meer in het bijzonder de maximaal toelaatbare belasting van erfdienstbaarheid van weg waarvoor deskundigenadvies is ingewonnen. Verder beslissingen op diverse verklaringen voor recht die betrekking hebben op (het gebruik van) de erfdienstbaarheid en op een vordering ex artikel 5:75 BW. Dit vonnis is bekrachtigd in het arrest van 26 april 2022 van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch: ECLI:NL:GHSHE:2022:1346</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2018:6812:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="815c1aa4-6c25-4c63-a477-1c7a44f413e3" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="53dcc654-6cf0-4db9-a616-56eefdb0ded4" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Burgerlijk recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/04/127034 / HA ZA 13-359</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 18 juli 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser in conventie,</para>
      <para>verweerder in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. G.M.W. Scaf te Voerendaal,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde 1] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>2.	<emphasis role="bold">[gedaagde 2]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagden in conventie,</para>
      <para>eisers in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. W.P.G. Verstappen te Eindhoven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 12 april 2017</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het deskundigenbericht </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie na deskundigenbericht van [eiser]</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagden] </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <bridgehead role="bold">in conventie</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank verwijst naar haar vonnissen van 18 februari 2015, 20 mei 2015 en van 12 april 2017, bij de inhoud van welke vonnissen wordt volhard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij laatstgenoemd vonnis is bepaald dat de bij vonnis van 20 mei 2015 benoemde deskundige nader dient te rapporteren omtrent (in elk geval) de in dat vonnis geformuleerde vraagpunten en wel met inachtneming van hetgeen in dat vonnis is overwogen. De deskundige heeft op 5 maart 2018 aanvullend gerapporteerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Ter beslissing liggen nog voor de vorderingen sub 1., 2. en 5. van [eiser] en de tweede vordering van [gedaagden] </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vordering sub 1 van [eiser]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Onder 1. is door [eiser] gevorderd te verklaren voor recht dat de in 1977 gevestigde erfdienstbaarheid van weg niet mede het recht inhoudt om van deze weg gebruik te maken met:</para>
      <para>a. voertuigen breder dan 3.00 meter dan wel</para>
      <para>b. voertuigen met een aslast van meer dan 2,5 ton.</para>
      <para>Ter onderbouwing van deze vordering is door [eiser] aangevoerd dat aan zijn pand schade wordt berokkend, indien van de erfdienstbaarheid gebruik wordt gemaakt met voertuigen die breder zijn dan 3.00 meter en/of een hogere aslast hebben dan 2,5 ton.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Door de deskundige is (nader) gerapporteerd over de (maximale) breedte en aslast van de voertuigen die gebruik hebben gemaakt van de erfdienstbaarheid. De conclusies van de deskundige wijken in het nadere rapport niet af van de conclusies in het eerste rapport: die luiden - samengevat - dat schade is ontstaan omdat er sprake is geweest van horizontale belasting vanuit de grond, veroorzaakt door zware voertuigen (voor wat betreft de linker zijgevel), van horizontale belasting door de grond zelf, versterkt door de langsrijdende zware voertuigen (voor wat betreft de keermuur) en van belasting van de bestrating door zware voertuigen, dat de aslasten van het verkeer dat gebruik maakt van de erfdienstbaar-heid niet hoger mogen zijn dan 2,5 ton (antwoord op vraag 3 in het eerste rapport) en dat thans, teneinde verdere schade te voorkomen, geen zware voertuigen meer over erfdienst-baarheid dienen te rijden (antwoord op vraag 9 in eerste rapport). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        [gedaagden] heeft de (nadere) conclusies van de deskundige uitdrukkelijk betwist en aangevoerd dat het (aanvullende) deskundigenonderzoek onzorgvuldig en, bij gebrek aan concrete beantwoording van de gestelde vragen, nog steeds onvolledig is. Daar komt volgens [gedaagden] bij dat er sprake is van een ontoelaatbare ommezwaai in de berekeningsmethodiek. Bovendien zijn volgens [gedaagden] de uitgangspunten niet onderbouwd, niet (in de praktijk) onderzocht en (aantoonbaar) onjuist, waardoor ook de uitkomsten van de nieuwe berekeningsmethodiek, die bovendien vaag is, niet als bewijs kunnen dienen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De rechtbank gaat aan het verweer van [gedaagden] voorbij en overweegt daartoe als volgt.Vooropgesteld wordt dat een deskundigenonderzoek niet steeds tot stand komt en kan komen op basis van (wetenschappelijk) vast te stellen en daarom door de deskundige in het rapport te onderbouwen gegevens: een deskundigenrapport mag (en kan soms alleen) mede steunen op het op kennis en ervaring gebaseerd intuïtief inzicht van een deskundige.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De deskundige heeft in het eerste rapport aangegeven dat de berekeningen van [deskundige 1] (de door [eiser] ingeschakelde deskundige) in beginsel correct waren. [gedaagden] heeft daar gemotiveerd verweer tegen gevoerd en de rechtbank heeft [gedaagden] in dat verweer gevolgd: uit het rapport van de deskundige bleek namelijk niet waarom de berekeningen van [deskundige 1] in beginsel goed waren en bovendien was de deskundige daarbij zonder toelichting voorbijgegaan aan de kritiek van de door [gedaagden] ingeschakelde deskundigen [deskundige 2] en [deskundige 3] op die berekeningen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>In het nadere rapport is de deskundige nader ingegaan op die berekeningswijze en is - mede gelet op de reactie van [gedaagden] op het conceptrapport - uiteindelijk een bijlage 3 aan het definitieve rapport toegevoegd met daarin berekeningen van de deskundige. Hoewel er inderdaad sprake is van nieuwe berekeningen, zoals door [gedaagden] is opgemerkt, liggen deze nieuwe berekeningen niet ten grondslag aan de conclusies van de deskundige: de berekeningen zijn gemaakt, aldus de deskundige, ter controle en bevestigen de eerder door de deskundige op basis van de (door [deskundige 1] gemaakte) berekeningen getrokken conclusies. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een ontoelaatbare ommezwaai en een volstrekt andere benaderingswijze door de deskundige, zoals door [gedaagden] is gesteld, maar van een (langs een andere weg gemaakte) controle van de eerdere bevindingen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Ook aan het verwijt van [gedaagden] dat dit is gedaan door een niet eerder geïntroduceerde deskundige gaat de rechtbank voorbij: het staat een deskundige vrij op onderdelen van het onderzoek gebruik te maken van de diensten en expertise van (een) derde(n), mits dat geschied onder eindverantwoordelijkheid van de deskundige. Dat zulks in het onderhavige geval niet het geval zou zijn, is gesteld noch gebleken, integendeel, de deskundige onderschrijft de berekeningen en maakt die daarmee tot de zijde. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Dat de nieuwe berekeningen niet in concept aan partijen zijn voorgelegd brengt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer met zich dat het beginsel van hoor en wederhoor zodanig is geschonden, dat op die grond geen gebruik zou mogen worden gemaakt van het nadere deskundigenrapport, temeer niet nu het standpunt van de deskundige ongewijzigd is gebleven en [gedaagden] in de akte na deskundigenbericht voldoende gelegenheid heeft gehad om in te gaan op de (reeds bekende) bevindingen van de deskundige. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Dat sprake zou zijn van onsamenhangende berekeningen op kladpapier, zoals [gedaagden] (zonder nadere toelichting) heeft gesteld, wordt door de rechtbank niet onderschreven: de berekeningen (in bijlage 3) zijn immers voorzien van een leeswijzer met daarin de uitgangspunten. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de gang van zaken niet strijdig is met de beginselen van een goede procesorde, zoals door [gedaagden] is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is er evenmin sprake van een onzorgvuldig onderzoek en/of van een gebrek aan concrete beantwoording van de vragen die in het vonnis van 12 april 2017 zijn gesteld. Ook aan dit verweer van [gedaagden] gaat de rechtbank dan ook voorbij.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>In het (nadere) rapport is door de deskundige kortweg geconcludeerd dat de woning van [eiser] niet bestand is tegen de belasting van zware voertuigen, mede omdat metselwerk (anders dan (gewapend) beton) niet sterk en stijf genoeg is om de bovenbelasting af te dragen. Die conclusie is vervolgens getoetst aan de hand van de extra berekeningen, opgesteld door een ander dan de deskundige. Uit die toets blijkt dat zelfs bij de gunstigste belastingaannames op 1 meter afstand van de gevel van de woning van [eiser] , in combinatie met de aller gunstigste schematisering (inklemmingsmomenten met een volledige herverdeling van momenten) de gemetselde kelderwand niet in staat is om evenwicht te maken met de horizontale gronddruk ten gevolge van belastingen uit zwaar verkeer (Verkeersklasse 30), ook zonder veiligheidsfactoren niet. De rechtbank neemt deze conclusies en de daaraan ten grondslag liggende argumentatie van de deskundige over en maakt deze tot de hare.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank doet hetgeen [gedaagden] ten aanzien van de (nadere) rapportage heeft aangevoerd aan vorenstaande conclusie niets af. Door [gedaagden] zijn weliswaar veel bedenkingen aangevoerd tegen de uitgangspunten en wijze van berekenen door de deskundige, maar uit diens betoog kan naar het oordeel van de rechtbank niet afgeleid worden dat de voorgestelde wijzigingen en aanpassingen in de berekening ten aanzien van (rij)afstand, - mede gelet op de ruime marges die door de deskundige zijn aangehouden - leiden tot een zodanige wijziging van de uitkomsten dat de bevindingen en de conclusies van de deskundige op grond daarvan niet meer houdbaar zouden zijn. Het vorenstaande klemt naar het oordeel van de rechtbank temeer nu [gedaagden] weliswaar uitgebreid ingaat op de gevelopbouw van de woning van [eiser] , maar door de deskundige is (ter onderbouwing van de conclusie in zowel het eerste als het nadere rapport dat het zware verkeer te belastend is voor de woning van [eiser] ) gerapporteerd dat is berekend (door middel van terugrekening) dat de gemetselde kelderwand circa 600 mm dik zou moeten zijn om de horizontale belasting ten gevolge van zwaar verkeer op een veilige manier af te dragen. Nu dat niet het geval is, is de rechtbank met de deskundige van oordeel dat de noodzaak ontbreekt om de exacte opbouw van de kelderwand, de (liggings)hoogtes en de wanddiktes en dergelijke te onderzoeken, zoals door [gedaagden] zelf en door de door hem aangezochte deskundigen is verzocht. Ook de door [gedaagden] aangehaalde exacte rijafstand van de gevel is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang, nu in de berekeningen van de deskundige is uitgegaan van een afstand (zijnde 1 meter) die in de praktijk niet eens gerealiseerd kan worden en die desondanks al té belastend is voor de gevel van de woning. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <para>Het vorenstaande geldt ook voor de hydrologische omstandigheden zoals die door [gedaagden] zijn aangehaald; nu de woning van [eiser] per definitie niet bestand is tegen het gebruik van de erfdienstbaarheid met zwaar verkeer behoeven ook deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank geen nader onderzoek. Dit geldt temeer nu de deskundige (anders dan [gedaagden] heeft betoogd) ook is ingegaan op de door [gedaagden] genoemde alternatieve oorzaken (ook die van het hemelwater, al dan niet in combinatie met vorst) en wel door middel van beantwoording van vraag 3 (randnummer 3.2.3. op pagina 7 en verder van het nadere rapport) en daarbij uitdrukkelijk heeft geconcludeerd dat de schade aan de woning van [eiser] niet zijn oorzaak vindt in andere omstandigheden dan het zware verkeer op korte afstand van zijn woning. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <para>Met zijn conclusies (en de toets van die conclusies) is de deskundige naar het oordeel van de rechtbank dan ook in voldoende mate ingegaan op de (berekeningswijzen en de daarop gestoelde) bevindingen van de door [gedaagden] ingeschakelde deskundigen. Dat en waarom de door de deskundige op basis van de (volgens [gedaagden] niet in de praktijk getoetste) bouwtekeningen gehanteerde berekeningsmethodiek niet realistisch en daarmee niet toepasbaar is, is door [gedaagden] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd en inzichtelijk toegelicht, zodat de rechtbank aan dit verweer voorbijgaat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17.</nr>
      <para>Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het door [eiser] in conventie sub 1. en 2. gevorderde voor toewijzing gereed ligt onder gelijktijdige afwijzing van de tweede vordering van [gedaagden] Nu vaststaat dat [gedaagden] met té zwaar materieel gebruik heeft gemaakt dan wel heeft laten maken van de erfdienstbaarheid ligt naar het oordeel ook het in conventie sub 5 gevorderde voor toewijzing gereed. Aan hetgeen door [gedaagden] is aangevoerd over de omvang van de schade gaat de rechtbank voorbij, nu daaromtrent in de onderhavige procedure niets is gevorderd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18.</nr>
      <para>Nu een deel van de primaire vordering van [gedaagden] in reconventie wordt afgewezen, komt de rechtbank toe aan hetgeen in reconventie door [gedaagden] subsidiair is gevorderd, te weten - kort gezegd - te verklaren voor recht dat [gedaagden] op basis van artikel 5:75 BW zelf gerechtigd is om de erfdienstbaarheid vrij te houden van overgroeiende beplanting en andere zaken. Naar het oordeel van de rechtbank ligt dit deel van de vordering voor toewijzing gereed, nu [gedaagden] als eigenaar van het heersende erf op grond van artikel 5:75 BW gerechtigd is om - op zijn kosten - op het dienende erf alles te verrichten wat voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is, waaronder het snoeien van overgroeiende beplanting. Bij de toevoeging dat [gedaagden] tevens gerechtigd is een strook van 20 cm vrij te houden van begroeiing of andere zaken die [gedaagden] hinderen in de uitoefening van de erfdienstbaarheid bestaat in het licht van het eerste deel van de vordering geen belang, zodat dit deel zal worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19.</nr>
      <para>In de omstandigheid dat beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20.</nr>
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van de kosten van de deskundige overweegt de rechtbank als volgt. De deskundige is benoemd vanwege het door [eiser] in conventie sub 1., 2. en 5 en het door [gedaagden] in reconventie als tweede gevorderde. Nu [eiser] wat deze vorderingen betreft in het gelijk wordt gesteld, terwijl [gedaagden] als de in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden, is de rechtbank van oordeel dat de kosten van de deskundige voor rekening van [gedaagden] dienen te komen. Nu die kosten, vanwege de aan [eiser] verleende toevoeging, vooralsnog deels in debet zijn gesteld en dus ten laste zijn gekomen van de staat, zal [gedaagden] op grond van het bepaalde in artikel 244 Rv worden veroordeeld tot betaling van die kosten aan de griffier. De door [gedaagden] te betalen kosten kunnen worden berekend op:</para>
        <para>de totale kosten van de deskundige				€ 12.251,25</para>
        <para>minus: het door [gedaagden] betaalde deel van het voorschot	<emphasis role="underline">€   2.971,25</emphasis></para>
        <para>in debet gesteld en dus nog te voldoen			€   9.280,00</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.21.</nr>
      <para>De gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd en aan een maximum worden verbonden, zoals hierna in het dictum te bepalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.22.</nr>
      <para>De zowel in conventie als in reconventie gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad zal worden afgewezen voor wat betreft de verklaringen voor recht, nu deze zich niet lenen voor executie en uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring dus niet mogelijk is.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>verklaart voor recht dat de in 1977 gevestigde erfdienstbaarheid van weg niet mede het recht inhoudt om van deze weg gebruik te maken met:</para>
      <para>a. voertuigen breder dan 3,00 meter dan wel</para>
      <para>b. voertuigen met een aslast van meer dan 2,5 ton;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagden] om de hiervoor onder 3.1. bedoelde verklaring voor recht te eerbiedigen en verbiedt [gedaagden] om gebruik te (laten) maken van de erfdienstbaarheid van weg met de hiervoor sub a. en b. genoemde voertuigen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,= voor iedere afzonderlijke overtreding;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verklaart voor recht dat de in 1977 gevestigde erfdienstbaarheid van weg slechts een recht van weg inhoudt voor de eigenaar(s) of gebruiker(s) van het heersend erf en dat dit recht niet gebruikt mag worden voor het bereiken van andere (belendende) erven dan - al dan niet via - het heersend erf;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagden] om de hiervoor onder 3.3. bedoelde verklaring voor recht te eerbiedigen en verbiedt [gedaagden] om gebruik te (laten) maken van de erfdienstbaarheid van weg voor het bereiken van andere (belendende) erven dan - al dan niet via - het heersend erf, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,= voor iedere afzonderlijke overtreding;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>verklaart voor recht dat er door of namens [gedaagden] in het verleden onrechtmatig gebruik werd gemaakt van de erfdienstbaarheid van weg;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>bepaalt ten aanzien van de dwangsommen als hiervoor onder 3.2. en onder 3.4. bedoeld, dat boven een totaalbedrag van € 25.000,= geen dwangsommen meer zullen worden verbeurd;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>verklaart voor recht dat de erfdienstbaarheid van weg rust op de weg langs de rechterzijde van de woning van [eiser] (zoals in geel weergegeven op de tekening die als productie 1 bij de conclusie van eis in reconventie is gevoegd);</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>verklaart voor recht dat, op basis van artikel 5:75 BW, [gedaagden] zelf gerechtigd is om te realiseren dat deze weg geheel vrij zal zijn van overgroeiende beplanting en andere zaken die [gedaagden] hinderen in de uitoefening van de onderhavige erfdienstbaarheid; </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in conventie en in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagden] in betaling van de kosten van de deskundige ad € 9.280,=, te voldoen aan de griffier;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>voor het voldoen van dit bedrag zal het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak te Utrecht op korte termijn een nota verzenden, welke nota uiterlijk 4 weken na deze uitspraak dient te zijn voldaan;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen sub 3.2., 3.4. en 3.10. uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>wijst af al het meer of anders gevorderde.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2018.<footnote-ref linkend="_481c1755-4293-41a4-a691-9fdbe3b81f12" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_481c1755-4293-41a4-a691-9fdbe3b81f12" label="1">
    <para>type: MvA</para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>