<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2018:5986</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-23T16:43:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-06-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 17 _ 1515</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:5986">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:5986</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-23T16:40:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2018:5986 Rechtbank Limburg , 27-06-2018 / AWB - 17 _ 1515</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2018:5986:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>terugvordering ivm ontvangen smartegeld</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2018:5986:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold italic caps">Rectificatie d.d. 10 juli 2018 in verband met vermelden verkeerde rechtbank en rechtsmiddelen clausule</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK Limburg (na rectificatie d.d. 10 juli 2018) </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 17/1515 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2018 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R. Mahovic),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: M.H. Overhof).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 18 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder van eiseres een bedrag van in totaal € 19.449,18 aan ten onrechte ontvangen bijstand teruggevorderd vanwege een door eiseres ontvangen immateriële schadevergoeding. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2018. </para>
      <para>Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden. </para>
    <para />
    <para>2. Op 28 september 2010 is eiseres een ongeval overkomen. Over de periode </para>
    <para>28 september 2010 tot 1 december 2016 heeft eiseres bijstand ontvangen tot een totaalbedrag van € 69.599,73, laatstelijk op grond van de Participatiewet (Pw). Naar aanleiding van genoemd ongeval heeft eiseres van de schadeverzekeraar van Kwantum AIG een schadevergoeding ontvangen van € 133.000,-, waarvan € 44.929,18 ter zake van immateriële schade (smartengeld). Eiseres heeft de ontvangst van deze schadevergoeding niet bij verweerder gemeld. </para>
    <para />
    <para>3. Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten dat een bedrag van € 19.449,18 aan ten onrechte ontvangen bijstand van eiseres zal worden teruggevorderd. Verweerder heeft bij de bepaling van het terug te vorderen bedrag een bedrag van € 20.000,- vrijgelaten alsmede een bedrag van € 5.480,- zijnde het vrij te laten bescheiden vermogen (peildatum 2010), nu de genoten bijstand over de periode 28 september 2010 (datum van het ongeval) tot 1 december 2016 meer bedraagt dan het door eiseres ontvangen smartengeld. </para>
    <para />
    <para>4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het, gelet op het aanvullende karakter van de Pw als laatste bestaansvoorziening, niet verantwoord is meer vrijlatingen toe te passen dan de hiervoor onder 3 genoemde bedragen. </para>
    <para />
    <para>5. Eiseres betoogt in beroep dat het bestreden beroep in strijd is met het verbod op willekeur, omdat de door verweerder uitgevoerde vermogensvaststelling niet is gebaseerd op beleid, maar op bestaande jurisprudentie en eerder door verweerder genomen besluiten. Verder heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat niet van haar kan worden gevergd dat zij de uitgekeerde immateriële schadevergoeding gebruikt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud. Tevens heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met eiseresses schulden bij het bedrijf Wehkamp. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank overweegt als volgt. </para>
    <para />
    <para>7. Tussen partijen is in geschil of een deel van de immateriële schadevergoeding terecht door verweerder is aangemerkt als vermogen waarmee in het kader van de bijstandsverlening rekening dient te worden gehouden. </para>
    <para />
    <para>8. Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Pw is een voorwaarde voor het recht op algemene bijstand dat er geen in aanmerking te nemen vermogen is. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de Pw worden niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend: giften en vergoedingen voor materiële en immateriële schade voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. De rechtbank kan met betrekking tot deze keuze slechts een terughoudende toets verrichten. (Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2305.) </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, bijvoorbeeld de uitspraak van </para>
    <para>24 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:483, kan de belanghebbende bij zeer aanzienlijke uitkeringen, zoals ook in dit geval, in een zodanige financiële positie komen te verkeren dat het onverkort buiten beschouwing laten daarvan niet in overeenstemming is met het minimumbehoefte- en complementaire karakter van de bijstand. </para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de bepaling van het terug te vorderen bedrag een aanzienlijk deel (ruim 55% van de door eiseres ontvangen immateriële schadevergoeding) heeft vrijgelaten. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiseres haar gestelde schulden bij Wehkamp op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Het voorgaande in aanmerking nemende en gelet op de hiervoor onder rechtsoverweging 9 genoemde jurisprudentie, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid een bedrag van </para>
    <para>€ 19.449,18 van de door eiseres ontvangen immateriële schadevergoeding als vermogen heeft kunnen aanmerken. De stelling van eiseres dat verweerders besluitvorming in strijd is met het verbod op willekeur, omdat het bestreden besluit niet tot stand is gekomen op basis van beleidsregels, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiseres heeft deze stelling immers niet nader onderbouwd, terwijl verweerder wel afdoende heeft gemotiveerd waarom in dit concrete geval tot het bestreden besluit is gekomen. </para>
    <para />
    <para>11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het voorgaande, een juiste toepassing gegeven aan artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de Pw. Dringende redenen om van terugvordering af te zien, zijn gesteld noch gebleken. </para>
    <para />
    <para>12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. R.C. Smeets, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: 27 juni 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep <emphasis role="italic">(na rectificatie d.d. 10 juli 2018)</emphasis>. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>