<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2018:3554</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-24T09:46:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-04-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 17 _ 1063</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:3554">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:3554</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-24T09:44:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2018:3554 Rechtbank Limburg , 17-04-2018 / AWB - 17 _ 1063</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2018:3554:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2018:3554:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">RECHTBANK limburg</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: AWB 17/1063</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [eiseres]
      </emphasis>, te [woonplaats] , eiseres</para>
    <para>(gemachtigde: mr. I.M.J.J. Dewarrimont),</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen)</emphasis>, verweerder (gemachtigde: mr. K. van der Wal).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Procesverloop </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 27 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres met ingang van 27 september 2016 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 2 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2018. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met kennisgeving aan de rechtbank vooraf, niet verschenen. </para>
    <para>Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.  </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Overwegingen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>1. Eiseres heeft op 20 mei 2016 met [derde belanghebbende] kantoorhoudend te Maastricht (hierna: de werkgever) een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht gesloten, zijnde een arbeidsovereenkomst waarbij de werkgever zich jegens de werknemer verbonden heeft om de werknemer op te roepen wanneer hij werk heeft waarvoor de werknemer in aanmerking komt, en waarbij de werknemer zich jegens de werkgever verbonden heeft om zo'n oproep te accepteren. </para>
  <parablock>
    <para>De arbeidsovereenkomst is ingegaan op 7 juli 2016 en eindigde van rechtswege </para>
    <para>op 7 oktober 2016. Bij brief van 12 september 2016 heeft de werkgever aan eiseres medegedeeld dat de looptijd van haar dienstverband op 7 oktober 2016 zou eindigen, </para>
    <para>maar dat de werkgever de arbeidsovereenkomst per voornoemde datum verlengt tot en met </para>
    <para>1 januari 2017. Verder blijven behoudens artikel 1 alle artikelen uit de arbeidsovereenkomst van 20 mei 2016 onverkort van kracht. Op 27 september 2016 heeft eiseres zich ziek gemeld. Vervolgens heeft zij op 3 oktober 2016 bij verweerder een aanvraag voor een ZW-uitkering ingediend.  </para>
  </parablock>
  <para>2. Bij het primaire besluit heeft verweerder geweigerd eiseres met ingang van </para>
  <para>27 september 2016 in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering. </para>
  <para>3. Bij besluit van 11 januari 2017 heeft verweerder eiseres vanaf 2 januari 2017 in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering.</para>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Verweerder heeft bij het bestreden besluit zijn standpunt gehandhaafd. </title>
    <para>Volgens verweerder is voor recht op ziekengeld in het geval van eiseres vereist dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Zolang de arbeidsovereenkomst van eiseres voortduurde, kon geen aanspraak op ziekengeld worden gemaakt.  </para>
    <para />
    <para>5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en heeft – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. In artikel 6 van de oproepovereenkomst is vastgelegd dat eiseres gedurende de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst alleen recht op loon heeft indien en voor zover zij daadwerkelijk werkzaam is geweest. Artikel 7:628 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is derhalve gedurende de eerste zes maanden van </para>
    <parablock>
      <para>de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk uitgesloten. Eiseres zal dan geen aanspraak kunnen maken op loon voor de tijd gedurende zij om welke reden dan ook niet heeft gewerkt. </para>
      <para>Zo luidt artikel 6 van de oproepovereenkomst. Nu er volgens eiseres op grond van voornoemd artikel geen loondoorbetalingsverplichting voor de werkgever is geweest toen zij zich ziek heeft gemeld per 27 september 2016, dient verweerder haar vanaf die dag in aanmerking te laten komen voor een ZW-uitkering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De rechtbank acht bij de beoordeling van het beroep de volgende wettelijke bepalingen van belang.</para>
    <para />
    <para>7. Ingevolge artikel 19 van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid recht op ziekengeld. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW wordt geen ziekengeld uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking op grond waarvan hij de arbeid behoort te verrichten, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 7:629 van het BW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Ingevolge artikel 7:629, eerste lid, van het BW heeft de werknemer, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij daartoe in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd was, gedurende 104 weken recht heeft op loon.</para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank stelt vast dat eiseres op de datum van haar ziekmelding op </para>
    <parablock>
      <para>27 september 2016 nog in dienst was van de werkgever. Ingevolge artikel 7:629, eerste lid, van het BW rustte op de werkgever dan ook de verplichting om aan eiseres het loon door te betalen. Aan die verplichting is pas een einde gekomen op de tussen eiseres en de werkgever  overeengekomen beëindigingsdatum van 1 januari 2017. Artikel 7:628 van het BW biedt weliswaar de mogelijkheid om loondoorbetaling onder bepaalde omstandigheden uit te sluiten, echter dit artikel ziet niet op de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte. Elk beding waarbij die verplichting wordt uitgesloten is nietig. De rechtbank verwijst voor haar standpunt naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) van 16 maart 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AT0968). Verweerder heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank daarom terecht niet in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering vanaf </para>
      <para>27 september 2016. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>11</nr>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. T.E.A. Willemsen, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. W.A.M. Bocken, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>17 april 2018. De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: 17 april 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>