<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2018:3299</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-04-09T15:59:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-03-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">03/864019-13</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:3299">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:3299</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-04-09T15:58:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2018:3299 Rechtbank Limburg , 29-03-2018 / 03/864019-13</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2018:3299:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vrijspraak van medeplegen van gewoontewitwassen. Onvoldoende bewijs voor wetenschap en/of beschikkingsmacht van de verdachte.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2018:3299:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 03/864019-13</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegenspraak </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 maart 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de strafzaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboortegegevens verdachte] ,</para>
      <para>ten tijde van de inhoudelijke behandeling wonende te [adresgegevens verdachte] </para>
      <para> .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte wordt bijgestaan door mr. E. de Witte, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek van de zaak</title>
    <para>De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 november 2017. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officieren van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting vervolgens gesloten op 15 maart 2018.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De tenlastelegging</title>
    <parablock>
      <para>De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. </para>
      <para>De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het gewoontewitwassen van een inboedel, sieraden en/of horloges en een contant geldbedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling van het bewijs</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie </emphasis>
        </para>
        <para>De officieren van justitie zijn van mening dat het tenlastegelegde feit is bewezen. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de echtgenoot van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , grote hoeveelheden contant geld heeft gestort op diverse bankrekeningen en tevens over een grote hoeveelheid contant geld in de gezamenlijke woning beschikte, terwijl uit onderzoek is gebleken dat hij geen inkomsten uit dienstbetrekking en/of andere inkomsten had. De officieren van justitie achten de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] over de herkomst van zijn gelden onaannemelijk en zijn van mening dat deze een criminele herkomst hebben. De officieren van justitie wijzen erop dat zij het ook had moeten vermoeden. Zij achten het onaannemelijk dat de verdachte dit contante geldbedrag niet in de woning heeft zien liggen. Gelet op de inhoud van een aantal OVC-gesprekken achten zij bewezen dat de verdachte in ieder geval redelijkerwijs moest vermoeden dat de herkomst van het geld niet klopte. </para>
        <para>Ter zake van de inboedel van de woning aan de [adres] te Eindhoven, de horloges en de sieraden hebben de officieren van justitie partiële vrijspraak gevorderd. Het is namelijk onduidelijk welke waarde de inboedel vertegenwoordigde of wanneer en tegen welk bedrag de horloges en/of sieraden zijn aangekocht. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft in de eerste plaats bewijsuitsluiting bepleit ter zake van de OVC-gesprekken in het zaaksdossier, nu er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim wegens vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. </para>
        <para>Ter zake van de inboedel, de horloges en de sieraden heeft de raadsvrouw primair aangevoerd dat de aard en waarde daarvan niet kan worden vastgesteld. Ook kan niet worden vastgesteld dat deze goederen uit enig misdrijf afkomstig waren. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist of vermoedde dat de goederen uit enig misdrijf afkomstig waren. </para>
        <para>Ter zake van het in de woning aangetroffen contante geldbedrag van € 40.350,- heeft de raadsvrouw primair aangevoerd dat niet vaststaat dat dit uit enig misdrijf afkomstig is. De medeverdachte [medeverdachte] heeft een verklaring gegeven voor de aanwezigheid van het geldbedrag in de woning. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen sprake is van het verhullen van dit geldbedrag en dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van het contante geld in haar woning. Evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte wist of vermoedde dat de goederen uit enig misdrijf afkomstig waren.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Los van de vraag of deze goederen al dan niet uit enig misdrijf afkomstig waren, kan op grond van het procesdossier niet worden vastgesteld dat de inboedel, horloges en/of sieraden een dermate hoge waarde vertegenwoordigden dat de verdachte reeds daarom moest weten of vermoeden dat deze van enig misdrijf afkomstig zouden zijn. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank daarom van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde (gewoonte)witwassen van de inboedel, de horloges en/of de sieraden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ter zake van het in de woning aangetroffen geldbedrag van in totaal € 40.350,- heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat zij niet wist dat dit geldbedrag zich in haar woning bevond. Volgens de verdachte lag het geld niet open en bloot in het zicht. </para>
        <para>De rechtbank stelt op basis van het procesdossier vast dat er op verschillende plekken in de woning van de verdachte en haar echtgenoot, medeverdachte [medeverdachte] , contante geldsommen zijn aangetroffen, bij elkaar voor een bedrag € 40.350,--. Het enkele aantreffen van contante geldbedragen in deze woning brengt niet automatisch met zich mee dat de verdachte dus ook de beschikkingsmacht over deze geldbedragen heeft gehad. De rechtbank stelt in dit verband vast dat uit het proces-verbaal van doorzoeking en uit de stukken rondom de inbeslagname van deze geldsommen weliswaar blijkt in welke ruimtes deze zijn aangetroffen, maar niet of deze al dan niet op enigerlei wijze aan het zicht waren onttrokken. De verklaring van de verdachte, inhoudende dat zij niet wist van de aanwezigheid van het geld in de woning, kan op basis van het procesdossier daardoor niet worden ontkracht noch worden bevestigd. Los van de vraag of het geld al dan niet uit enig misdrijf afkomstig was, kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte überhaupt wetenschap had van de aanwezigheid van of, in het verlengde daarvan, de beschikkingsmacht had over de geldsommen in haar woning. Reeds om deze reden zal de rechtbank de verdachte eveneens vrijspreken van het (gewoonte)witwassen van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Resumerend, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het aan haar tenlastegelegde feit. Aan de overige verweren van de raadsvrouw komt de rechtbank niet toe. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vrijspraak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. A.M. Koster-van der Linden en mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker en </para>
      <para>mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 maart 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJLAGE I: De tenlastelegging</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is ten laste gelegd dat</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(zaaksdossier 16)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2011</para>
      <para>tot en met 1 oktober 2013, tezamen en in vereniging, althans alleen, te </para>
      <para>Eindhoven, althans in Nederland en/of te Luxemburg, van het plegen van </para>
      <para>witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/hebben zij, </para>
      <para>verdachte en/of haar medeverdachte(n), van (een) voorwerp(en) en/of een of </para>
      <para>meer geldbedrag(en), te weten </para>
    </parablock>
    <para>- de inboedel van het appartement [adres] en/of </para>
    <para>- sieraden en/of (een) horloge(s) en/of </para>
    <para>- enig geldbedrag, te weten 40.350 Euro, in elk geval enig bedrag aan geld, de </para>
    <parablock>
      <para>werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de </para>
      <para>verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben zij en/of haar </para>
      <para>medeverdachte(n) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die </para>
      <para>voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) was of wie bovenomschreven </para>
      <para>voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) voorhanden had, terwijl zij en/of </para>
      <para>haar medeverdachte(n) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) en/of dat/die </para>
      <para>geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit misdrijf </para>
      <para>en/of heeft zij, verdachte en/of haar medeverdachte(n), bovenomschreven </para>
      <para>voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) verworven, voorhanden gehad, </para>
      <para>overgedragen en/of omgezet, althans van bovenomschreven voorwerp(en) en/of </para>
      <para>dat/die geldbedrag(en) gebruik gemaakt, terwijl zij en/of haar </para>
      <para>medeverdachte(n) wist(en) en/of moest(en) vermoeden dat bovenomschreven </para>
      <para>voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - </para>
      <para>afkomstig was/waren uit enig misdrijf;</para>
      <para>art. 420ter Wetboek van Strafrecht</para>
      <para>art. 420 bis lid1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>