<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2018:11041</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-31T11:33:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-11-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">04/990001-11 OWV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:11041">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:11041</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-23T10:48:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2018:11041 Rechtbank Limburg , 23-11-2018 / 04/990001-11 OWV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2018:11041:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vastgoedfraude: toewijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.365.255,--. Dit bedrag bestaat uit een liquidatie-uitkering en managementfees.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2018:11041:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTbANK Limburg</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 04/990001-11 OWV</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegenspraak </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 23 november 2018 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,</para>
      <para>wonende te [adresgegevens verdachte] ,</para>
      <para>hierna te noemen: [verdachte] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] wordt bijgestaan door mr. M. 't Sas, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek van de zaak</title>
    <para>De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 5, 6, 7, 8 en 9 november 2018. [verdachte] en zijn raadsman zijn verschenen behoudens de zitting van 8 november waarbij [verdachte] niet is verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 04/990001-11. Op 23 november 2018 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vordering van de officier van justitie</title>
    <para>De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op € 1.349.005,00.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de terechtzitting van 6 november 2018 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat primair het bedrag moet worden gesteld op € 1.433.097,00 en subsidiair op € 1.349.005,00.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
        </para>
        <para>Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat primair als voordeelsbedrag heeft te gelden het uitgestelde voordeel, te weten 25,5% van € 5.619.990,29 = € 1.433.097,00 dan wel het uitgekeerde voordeel, te weten € 1.349.005,00. Deze bedragen zijn gebaseerd op de (afspraken met betrekking tot de) liquidatie-uitkering als gevolg van de liquidatie van Universum Vastgoed BV.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging heeft, overeenkomstig de overgelegde pleitnotities, verzocht het te ontnemen bedrag aanzienlijk te matigen. Hiervoor heeft de verdediging de volgende gronden aangedragen:</para>
      </parablock>
      <orderedlist numeration="lowerroman">
        <listitem>
          <para>
            [verdachte] is niet eerder veroordeeld;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de feiten liggen in een ver verleden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de gevorderde leeftijd van [verdachte] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de onzorgvuldigheden en/of de schendingen van de goede procesorde van de zijde van het Openbaar Ministerie die ertoe hebben geleid dat de behandeling van de zaak veel te lang heeft gevergd en een zeer ruime overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgehad;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de weerslag die deze lange duur c.q. overschrijding van de redelijke termijn heeft gehad op de persoon van [verdachte] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het gegeven dat in de media uitvoerig is gesproken over de zaak, hetgeen zijn weerslag heeft gehad op niet alleen de persoonlijke, maar zeker ook de zakelijke positie van [verdachte] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het gegeven dat het Openbaar Ministerie heeft bijgedragen aan de media-aandacht die deze zaak heeft gegenereerd;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [verdachte] is geconfronteerd met langdurige verzoekschriftprocedures, die veel sneller en efficiënter behandeld hadden kunnen worden, indien het Openbaar Ministerie zich zorgvuldiger jegens [verdachte] had opgesteld. Deze procedures hebben veel juridische kosten met zich gebracht, waardoor het in de rede ligt dat dit wordt verdisconteerd in het te ontnemen bedrag.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <paragroup>
        <nr>3.3.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
          </para>
          <para>Bij voormeld vonnis d.d. 23 november 2018 is [verdachte] veroordeeld wegens: </para>
        </parablock>
        <orderedlist numeration="arabic">
          <listitem>
            <para>valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, op tijdstippen in de periode van de maand oktober 2003 tot en met de maand april 2004;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>feitelijk leiding geven aan witwassen, meermalen gepleegd, op tijdstippen in de periode van de maand oktober 2003 tot en met de maand februari 2005. </para>
          </listitem>
        </orderedlist>
        <para />
        <parablock>
          <para>De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.</para>
          <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.2</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Het bewijs</emphasis>
            <footnote-ref linkend="_ad108d14-b5cd-40ce-a473-72819299ad24" />
          </para>
          <para>De rechtbank heeft in haar vonnis van 23 november 2018 in de strafzaak overwogen dat met behulp van valse overeenkomsten, brieven en facturen gelden zijn ontvangen op de rekening van Universum Vastgoed BV. Deze BV heeft uiteindelijk een bedrag van in totaal </para>
          <para>€ 4.722.681,00 ex BTW witgewassen en [verdachte] heeft feitelijk leiding gegeven aan deze strafbare gedraging. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>In de administratie van Universum zijn bankafschriften aangetroffen waaruit blijkt dat aan [verdachte] in de jaren 2003, 2004 en 2006 managementfees van in totaal een bedrag van </para>
          <para>€ 32.500,- zijn betaald.<footnote-ref linkend="_6d9aa2a4-3ea4-4997-b090-6e740bc34c62" /></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op 2 januari 2006 vindt er een buitengewone vergadering van aandeelhouders plaats waarin wordt besloten tot liquidatie van Universum Vastgoed BV. In de notulen<footnote-ref linkend="_12f49b50-06a1-41ed-80ba-06433c4b8bb4" /> is de liquidatie-uitkering per aandeelhouder opgenomen en hieruit blijkt dat aan [verdachte] een bedrag van </para>
          <para>€ 1.356.265,- ex BTW wordt uitgekeerd, zijnde 25,5 % van € 5.319.078,-.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>In de administratie van Universum Vastgoed BV is een bankafschrift aangetroffen waaruit blijkt dat er op 30 maart 2005 een voorschot op de liquidatie-uitkering is betaald van </para>
          <para>€ 1.326.000,- t.n.v. [verdachte] , bankrekeningnummer [rekeningnummer] met als omschrijving “voorschot liquidatie universum vastgoed bv”.<footnote-ref linkend="_7df915d3-979f-4682-9159-7c6f208ef94d" /></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>In het dossier bevindt zich verder een bankafschrift waaruit blijkt dat er op 29 mei 2006 een bedrag van € 23.005,00 is uitbetaald t.n.v. [verdachte] , bankrekeningnummer [rekeningnummer] met als omschrijving “slotuitk. liquidatiesaldo”.<footnote-ref linkend="_2379c993-8982-4e9a-b7b9-b50ceecb6262" /></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De totale liquidatie-uitkering bedraagt dan ook € 1.349.005,00 en de rechtbank is van oordeel dat dit bedrag samen met het bedrag van € 32.500,- aan managementfees moet worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] door middel van of uit de baten van voormelde feiten voordeel heeft gekregen.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.3</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
          </para>
          <para>De rechtbank houdt bij de hoogte van het te ontnemen bedrag rekening met mogelijke reeds betaalde belastingheffing over de verkregen managementfees van in totaal € 32.500,00 en zal dit bedrag schatten op de helft, te weten € 16.250,00. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank zal het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, daarom vaststellen op € 1.349.005,00 + € 16.250,00 = € 1.365.255,00. </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.4</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">De op te leggen betalingsverplichting</emphasis>
          </para>
          <para>De rechtbank zal aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling van € 1.365.255,00 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank is van oordeel dat zij de door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheden, waaronder het tijdverloop reeds voldoende heeft gecompenseerd in de strafmaat en ziet ook in de juridische kosten die [verdachte] heeft gemaakt geen reden om  matiging  toe te passen in de op te leggen betalingsverplichting van het ontnemingsbedrag. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het wettelijke voorschrift</title>
    <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op <emphasis role="bold">€ 1.365.255,00 (zegge: een miljoen driehonderdvijfenzestig duizend tweehonderdvijfenvijftig euro)</emphasis>;<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>legt [verdachte] de verplichting op tot <emphasis role="bold">betaling aan de staat </emphasis>ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel <emphasis role="bold">van een bedrag van € 1.365.255,00 (zegge: een miljoen driehonderdvijfenzestig duizend tweehonderdvijfenvijftig euro)</emphasis>.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gegeven door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. J.H.J.M. Mertens-Steeghs en mr. V.P. van Deventer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.E. van de Venne, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 november 2018.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_ad108d14-b5cd-40ce-a473-72819299ad24" label="1">
    <para> Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Eindhoven, genaamd “Clematis”, proces-verbaalnummer 46411, gesloten op 4 oktober 2013, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 2032.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6d9aa2a4-3ea4-4997-b090-6e740bc34c62" label="2">
    <para> D-009 / AH-1146, pagina 405.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_12f49b50-06a1-41ed-80ba-06433c4b8bb4" label="3">
    <para> D-109 / D-0748, pagina’s 1276 tot en met 1278. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7df915d3-979f-4682-9159-7c6f208ef94d" label="4">
    <para> D-110 / D-0934, pagina 1279.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2379c993-8982-4e9a-b7b9-b50ceecb6262" label="5">
    <para> D-151 / D-1740, pagina 1859.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>