<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2018:10099</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-24T13:38:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-10-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/03/241270 / HA ZA 17-541</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:10099">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:10099</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-24T13:37:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2018:10099 Rechtbank Limburg , 24-10-2018 / C/03/241270 / HA ZA 17-541</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2018:10099:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hypotheekfraude; bewijskracht onderhandse akte.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2018:10099:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="72a64b93-664b-424b-9cff-a2760db8f376" depth="2" width="13" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="fb82cd52-c0c1-49f3-bb14-327309f2f477" depth="2" width="523" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>vonnis</para>
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK LIMBURG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Burgerlijk recht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: C/03/241270 / HA ZA 17-541</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Vonnis bij vervroeging van 24 oktober 2018</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>in de zaak van</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [eiser]
      </emphasis>,</para>
    <para>wonend te [woonplaats 1] ,</para>
    <para>eiser,</para>
    <para>advocaat mr. S.E.G.N. Schnabel,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [gedaagde]
      </emphasis>,</para>
    <para>wonend te [woonplaats 2] ,</para>
    <para>gedaagde,</para>
    <para>advocaat mr. A.S. van Gans.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Wederom gezien de stukken, waaronder thans een door deze rechtbank in de hoofdzaak met zaaknummer C/03/235360 / HA ZA 17-254 gewezen eindvonnis en in de onderhavige vrijwaringszaak gewezen tussenvonnis van 22 augustus 2018. De rechtbank zal de nummering voortzetten die in genoemd vonnis is gebruikt.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <nr>10</nr>Het verdere verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>10.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure in de onderhavige vrijwaringszaak blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 22 augustus 2018;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de door [eiser] genomen akte houdende eisvermindering;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de door [gedaagde] genomen akte;</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.2</nr>
      <para>Tenslotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>11</nr>De vermindering van eis </title>
    <paragroup>
      <nr>11.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] heeft in zijn akte vermindering van eis aangevoerd dat hij om proceseconomische redenen zijn vordering wenst te verminderen door nog slechts te vorderen dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat [gedaagde] veroordeelt aan [eiser] te voldoen een hoofdsom van € 2.605,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een door de rechtbank redelijk geachte termijn, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, waaronder € 131,- ter zake nakosten indien geen betekening van het vonnis plaatsvindt, dan wel € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen 14 dagen na de datum van het vonnis aan de daarbij uitgesproken veroordeling is voldaan en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, de proceskosten te voldoen binnen 14 dagen na de dag waarop (eind)vonnis wordt gewezen, bij niet (tijdige) betaling te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15de dag na de uitspraak van dat vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.</para>
        <para>
          [gedaagde] heeft daartegen geen bezwaren aangevoerd en de rechtbank ziet ambtshalve evenmin bezwaren, zodat de rechtbank recht zal doen op de verminderde eis.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>12</nr>De verdere beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>12.1</nr>
      <para>De verminderde eis brengt met zich dat de bewijslevering, waartoe de rechtbank [gedaagde] in staat had gesteld bij het tussenvonnis van 22 augustus 2018, geen doel meer dient, zodat de rechtbank hier verder niet meer over zal oordelen. De vordering is verminderd tot het bedrag waarvan de rechtbank al in het tussenvonnis van 23 mei 2018 in rov. 4.6 heeft geoordeeld dat dit bedrag in de vrijwaring in elk geval zal worden toegewezen indien en voor zover [eiser] in de hoofdzaak wordt veroordeeld tot betaling van in elk geval dit bedrag. Zie ook rov. 8.10 in het tussenvonnis van 22 augustus 2018.  [eiser] is in de hoofdzaak bij eindvonnis van 22 augustus 2018 veroordeeld tot betaling van € 136.500,- aan hoofdsom. Dit betekent dat de verminderde vordering zal worden toegewezen, inclusief de gevorderde rente waartegen geen verweer is gevoerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.2</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft niet terstond het thans toegewezen bedrag aan [eiser] betaald. Gelet daarop kan [eiser] niet zonder meer in de proceskosten worden veroordeeld, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd in zijn laatste akte. De rechtbank is wel van oordeel dat partijen over en weer op zodanige punten in het ongelijk zijn gesteld dat de proceskosten zullen worden gecompenseerd zoals hieronder vermeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>13</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>13.1</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 2.605,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 26 september 2017;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>13.2</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de nakosten van het geding, begroot op € 131,- indien geen betekening van dit vonnis plaatsvindt, dan wel € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen 14 dagen na de dag van deze uitspraak aan de hierbij uitgesproken veroordeling is voldaan en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te voldoen binnen 14 dagen na de dag van deze uitspraak, bij niet tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15de dag na deze uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>13.3</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>13.4</nr>
      <para>wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>