<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2017:9614</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-10-04T13:02:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-10-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/03/240020/HARK/17-203 03102017</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2017:9614">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2017:9614</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-10-04T13:01:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2017:9614 Rechtbank Limburg , 03-10-2017 / C/03/240020/HARK/17-203 03102017</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2017:9614:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gevoelen van geen eerlijk proces niet terug te voeren op gedragingen rechter.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2017:9614:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wrakingskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak	: 3 oktober 2017</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer		: 03/240020 / HA RK 17-203</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van de meervoudige kamer, belast met de behandeling van wrakingszaken</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonend te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>indiener van een verzoek dat strekt tot de wraking van :</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. K.M.P. Jacobs, rechter in deze rechtbank (hierna aan te duiden als ‘de rechter’).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft op 13 juli 2017 bij de rechtbank, sector bestuursrecht, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag om bijzondere bijstand. Op 25 juli 2017 heeft het bevoegde bestuursorgaan alsnog een beslissing op die aanvraag genomen. Vervolgens is bij brief van 23 augustus 2017 aan verzoeker gevraagd te laten weten of hij het met die beslissing eens is; zo ja, of hij dan het beroep intrekt, en zo nee, of hij dan wil concretiseren waarom hij het met die beslissing niet eens is.</para>
      <para>Op 25 augustus 2017 heeft verzoeker een verzoek tot wraking van de rechter ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter heeft niet in het wrakingsverzoek berust en een schriftelijke reactie ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek is behandeld ter zitting van de wrakingskamer op 27 september 2017, waar verzoeker is verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling van de wrakingsverzoeken</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer beoordeelt of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft ter zitting van de wrakingskamer verklaard dat hij de rechter heeft gewraakt om daarmee te bewerkstelligen dat een andere rechter zijn zaak behandelt. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat het Nederlandse rechtssysteem niet deugt, dat rechters straffeloos partijdig zijn, en dat dit blijkt uit een stroom van negatieve beslissingen van de rechter waarmee bovendien het bestuursorgaan de hand boven het hoofd wordt gehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter heeft in haar schriftelijke reactie verklaard nog geen enkele feitelijke bemoeienis te hebben gehad met de zaak waarin verzoeker thans een verzoek tot wraking van de rechter heeft ingediend. Voor zover verzoeker concreet heeft verwezen naar eerdere negatieve beslissingen, betreft dat zaken waarin verzoeker wegens het niet-betalen van griffierecht niet-ontvankelijk is verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer stelt vast dat verzoeker in het kader van andere zaken dan de zaak waarin hij thans de rechter heeft gewraakt, een stroom van negatieve ervaringen heeft als gevolg waarvan er aan zijn zijde wantrouwen in en een negatief beeld van het Nederlandse rechtssysteem zijn ontstaan. Hiermee is echter niet concreet gemaakt welke feiten en/of omstandigheden zouden moeten leiden tot een objectiveerbare vrees voor vooringenomenheid van de rechter bij de behandeling van de onderhavige zaak betreffende verzoeker. Uitgangspunt is immers dat een rechter uit hoofde van zijn / haar aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, en het enkele feit dat een rechter in andere zaken een bepaalde beslissing heeft genomen, is op zich zelf nog geen aanwijzing, laat staan een zwaarwegende, dat deze ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft overigens geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de betrokken rechter betreffen, waaruit objectief beschouwd vooringenomenheid of de schijn daarvan kan worden afgeleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer is van oordeel dat het gevoelen van verzoeker dat hij geen eerlijk proces krijgt, niet is terug te voeren op gedragingen, uitlatingen dan wel andere feiten en omstandigheden die moeten worden toegerekend aan de rechter. Nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot een objectiveerbare vrees voor vooringenomenheid van de rechter bij de behandeling van de zaken van verzoeker, is de wrakingskamer van oordeel dat de verzoeken tot wraking van de rechter dienen te worden afgewezen.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Het onderhavige wrakingsverzoek is er één in een lange reeks van dergelijke verzoeken die verzoeker heeft ingediend. Daarbij betoogt verzoeker telkenmale dat hij er op grond van zijn ervaringen niet op kan vertrouwen dat zijn zaken onpartijdig en rechtvaardig worden behandeld, zonder dat hij feiten en omstandigheden aandraagt die specifiek de behandelend rechter(s) raken anders dan een onwelgevallige beslissing in het verleden. De wrakingskamer is van oordeel dat hij aldus misbruik maakt van de bevoegdheid tot wraking. Dit geeft de wrakingskamer aanleiding te bepalen dat verdere wrakingsverzoeken van [verzoeker] , waarbij hij geen specifieke gronden aandraagt die zien op concrete gedragingen, uitlatingen dan wel andere feiten en omstandigheden die moeten worden toegerekend aan de behandelend rechter(s), niet meer in behandeling zullen worden genomen. Algemene gevoelens van onvrede met het Nederlandse rechtssysteem die verzoeker telkenmale uit, in combinatie met  het enkele gegeven dat rechters in het verleden hem onwelgevallige  beslissingen hebben genomen, zullen in beginsel niet als voldoende onderbouwing worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek tot wraking van mr. Jacobs af;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van [verzoeker] , zonder dat daarbij concrete feiten en omstandigheden worden aangedragen die specifiek de behandelend rechter(s) raken, niet in behandeling zal worden genomen.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. V.P. van Deventer, voorzitter, mr. H.W.M.A. Staal en mr. J.J.M. Wassenberg, leden, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2017. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de beslissing van de wrakingskamer staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>