<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2017:3090</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-04-10T15:28:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-03-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/03/233235/KG RK 17-209</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2017:3090">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2017:3090</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-04-10T15:27:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-04-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2017:3090 Rechtbank Limburg , 29-03-2017 / C/03/233235/KG RK 17-209</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2017:3090:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bezwaarschrift ex artikel 8 van de Wet Tarieven in Strafzaken (WTS) gegrond verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2017:3090:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="7a4c22fe-e6e5-4473-ba34-c965baf30bbe" depth="2" width="13" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="30151e6e-f2db-4a41-b0b6-03aea2a02de2" depth="2" width="523" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>beschikking</para>
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK LIMBURG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Burgerlijk recht<?linebreak?></para>
    <para>Zittingsplaats Roermond</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer / rekestnummer: C/03/233235/KG RK 17-209</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Beschikking van de voorzieningenrechter van 29 maart 2017</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>op het bezwaarschrift van</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [belanghebbende]
      </emphasis>,</para>
    <para>wonende te [woonplaats belanghebbende] ,</para>
    <para>belanghebbende.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Gronden van de beslissing</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.1.	De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van het aangehechte bezwaarschrift.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.2.	Op 1 maart 2017 is aan belanghebbende een vergoeding toegekend van € 50,69 in verband met het afleggen van een getuigenverklaring in de zaak van het Openbaar Ministerie met parketnummer 03/201404-16. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.3.	De belanghebbende kan binnen 14 dagen na de toekenning van de vergoeding een bezwaarschrift indienen tegen de hoogte van de vergoeding.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.4.	Bij brief van 9 maart 2017, binnengekomen bij de rechtbank op 13 maart 2017, waarvan een kopie aan deze beschikking is gehecht, heeft belanghebbende tijdig bezwaar ingediend tegen de hoogte van de vergoeding. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.5.	Belanghebbende maakt bezwaar tegen de hoogte van de toegekende vergoeding. Hij stelt daartoe - samengevat - dat hij als werknemer verlof heeft moeten opnemen dat ten koste gaat van zijn verlofsaldo. Een en ander heeft hij onderbouwd met een verklaring van een medewerker personeelszaken, een verwijzing naar artikel 38 CAO Bouw &amp; Intra versie december 2015 en zijn loonstrook. Hij vraagt om toekenning van een vergoeding ter goedmaking van de gederfde inkomsten die hij normaliter zou hebben genoten, zijnde <?linebreak?>€ 141,81 (4,5 uur x uurtarief van € 27,06, vermeerderd met € 20,04 aan reiskosten). </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.6.	De teamvoorzitter van de griffier belast met het toekennen van de vergoedingen <?linebreak?>ex artikel 8 Wtsz, heeft op 28 maart 2017 gereageerd op het bezwaar. Hij voert - samengevat - aan dat op grond van artikel 8 Wet Tarieven in Strafzaken de vergoeding </para>
    <para>€ 6,81 per uur bedraagt, welke vergoeding ook is toegekend. </para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op grond van de Wet Tarieven in Strafzaken kan aan getuigen een vergoeding voor tijdverzuim, of met tijdverzuim verband houdende noodzakelijke kosten worden gegeven, waaronder tevens valt te verstaan een vergoeding ter goedmaking van gederfde inkomsten die getuigen uit anderen hoofde zouden hebben genoten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Uit het systeem van de Wet Tarieven in Strafzaken volgt dat enerzijds het financieel nadeel dat betrokkenen in verband met hun verschijnen voor de rechter lijden, zoveel mogelijk weg wordt genomen, maar anderzijds dat niet zodanige hoge vergoedingen worden toegekend dat betrokkenen een financieel voordeel kunnen genieten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Hoewel op grond van artikel 8 lid 1 onder e van het Besluit Tarieven in Strafzaken de vergoeding is vastgesteld op € 6,81 per uur, heeft de wet niets bepaald omtrent vergoedingen voor werknemers die geen betaald verlof krijgen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, leidt dit er echter toe dat in de geest van de wet moet worden beslist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Aannemelijk is geworden dat belanghebbende als werknemer inkomsten heeft gederfd, omdat hij verlof heeft moeten opnemen, zonder doorbetaling van het vast overeengekomen loon. Het bruto uurloon van belanghebbende bedraagt € 27,06, zoals blijkt uit zijn loonstrook. Indien hij dat netto uitgekeerd zou krijgen zou belanghebbende financieel (bruto/netto) voordeel genieten. De voorzieningenrechter zal dan ook uitgaan van een netto uurvergoeding van € 17,00. Nu tegen het aantal uren en de hoogte van de reiskosten geen bezwaren zijn gericht is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bedrag van € 96,54 (4,5 x € 17,00 vermeerderd met € 20,04 aan reiskosten) in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking komt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De vergoeding zal dan ook als volgt aan belanghebbende worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>kent aan belanghebbende de onderstaande vergoeding toe:</para>
      <para>reiskosten 	€ 20,04</para>
      <para>tijdverzuim 	<emphasis role="underline">€ 76,50</emphasis> +</para>
      <para>totaal 		€ 96,54</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2017.<footnote-ref linkend="_f837b130-9df1-498e-a95c-2a7258f515f7" /></para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_f837b130-9df1-498e-a95c-2a7258f515f7" label="1">
    <para>type: SS</para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>