<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2017:2358</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-25T10:17:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-03-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-03-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">5578843 cv 16-11920</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2019:400" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:400</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2017:2358">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2017:2358</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-25T10:15:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2017:2358 Rechtbank Limburg , 15-03-2017 / 5578843 cv 16-11920</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2017:2358:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Een chalet/stacaravan met wielen is verplaatsbaar. Ookal zijn de wielen ingegraven en is het chalet ook aangesloten op gas, water, elektra en riool. Het chalet is daarmee niet onroerend. Het schriftelijkheidsvereiste van art. 7.2 BW is niet van toepassing. De aanbetaling moet worden betaald.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2017:2358:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">vonnis</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="fdbd759a-e3e7-4f92-ad83-8d127ef78b48" depth="3" width="528" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK LIMBURG</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Burgerlijk recht </para>
      <para />
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
      <para />
      <para>Zaaknummer: 5578843 \ CV EXPL 16-11920 <emphasis role="bold" /></para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter van 15 maart 2017</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold"> </emphasis>In de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para>1. <emphasis role="bold">[eiser sub 1] ,</emphasis></para>
    <parablock>
      <para>wonend [adres] ,</para>
      <para>
        [postcode] [woonplaats] ,</para>
      <para />
    </parablock>
    <para>2. <emphasis role="bold">[eiser sub 2] ,</emphasis></para>
    <parablock>
      <para>wonend [adres] ,</para>
      <para>
        [postcode] [woonplaats] , eisende partij,</para>
      <para>gemachtigde mr. <emphasis role="bold">Y.K. </emphasis>Kunze, </para>
      <para />
      <para>tegen:</para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] , h.o.d.n. Camping " [handelsnaam 1] ", alsmede recreatiepark [handelsnaam 2] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonend [adres] ,</para>
      <para>
        [postcode] [woonplaats] , </para>
      <para>gedaagde partij, </para>
      <para>gemachtigde mr. S. Smeets.</para>
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eisers gezamenlijk] (in enkelvoud) en [gedaagde] worden genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding</para>
        <para>- de conclusie van antwoord</para>
        <para>- de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald de comparitie van partijen van 16 februari 2017.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr> De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op 9 juli 2016 heeft [eisers gezamenlijk] een chalet (in de stukken ook als stacaravan aangeduid), staande en gelegen op het vakantiepark [handelsnaam 2] , bekeken. Daarbij heeft zij te kennen gegeven aan de eigenaar van [handelsnaam 2] , [gedaagde] , dat zij het chalet wilt kopen. De koopprijs van het chalet bedroeg € 26.000,00.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [eisers gezamenlijk] heeft op 9 juli 2016 ter plekke een aanbetaling van € 600,00 gedaan. Op 11 juli 2016 heeft [eisers gezamenlijk] per bankoverschrijving nog € 2.000,00 aan [gedaagde] betaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op of omstreeks 23 juli 2016 heeft [eisers gezamenlijk] te kennen gegeven niet over het overige geldbedrag te (kunnen) beschikken. Zij beroept zich daarbij op het door haar gemaakte financieringsvoorbehoud en stelt dat de koopovereenkomst hierdoor wordt ontbonden. Op 12 augustus 2016 heeft de gemachtigde van [eisers gezamenlijk] zulks schriftelijk bevestigd en verzocht om terugbetaling van het aanbetaalde bedrag. Op 16 augustus 2016 laat [gedaagde] weten dat er nooit sprake is geweest van een financieringsvoorbehoud en dat er geen reden bestaat om het reeds door [eisers gezamenlijk] betaalde bedrag terug te betalen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eisers gezamenlijk] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
        <para>I. <emphasis role="underline">Primair </emphasis>[gedaagde] te veroordelen tot terugbetaling van het aanbetaalde bedrag ad</para>
        <para>€ 2.600,00, op grond van onverschuldigde betaling, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
        <para>II. <emphasis role="underline">Subsidiair </emphasis>[gedaagde] te veroordelen tot terugbetaling van het aanbetaalde bedrag ad</para>
        <para>€ 2.600,00 nu aan de ontbindende voorwaarde is voldaan, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
        <para>III. In alle gevallen [gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten ad</para>
        <para>€ 465,85, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
        <para>IV<emphasis role="bold">. </emphasis>In alle gevallen [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en nakosten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft verweer gevoerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [eisers gezamenlijk] stelt primair dat er geen sprake is van een schriftelijke koopovereenkomst, waardoor ingevolge artikel 7:2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geen rechtsgeldige koop is overeengekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>In artikel 7:2 lid 1 BW is bepaald dat de koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of bestanddeel daarvan, indien de koper een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, schriftelijk wordt aangegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Aan de orde is dus de vraag of het chalet een onroerende zaak is, zoals [eisers gezamenlijk]</para>
        <para> stelt en [gedaagde] betwist.</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.3.1.</nr>
        <para>Volgens artikel 3:3 BW zijn, voor zover van belang, onroerend de grond en gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken.</para>
        <para />
        <para />
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.2.</nr>
        <para>In het Portocabin-arrest (ECLI:NL:HR: 1997:ZC2478) heeft de Hoge Raad met betrekking tot de vraag of een gebouw onroerend is in de zin van art. 3:3 lid 1 BW - samengevat weergegeven - overwogen dat een gebouw duurzaam met de grond verenigd kan zijn, doordat het naar haar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatste te blijven. Niet van belang is dat op zich de mogelijkheid bestaat om het bouwwerk te verplaatsen. Bij de beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer of degene in wiens opdracht het bouwwerk wordt aangebracht, voor zover deze naar buiten kenbaar is.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.3.</nr>
        <para>Tijdens de comparitie van partijen heeft [eisers gezamenlijk] een foto getoond van het chalet. Het betrof een op het oog luxe versie van een stacaravan en uit de toelichting die partijen hebben gegeven blijkt dat er onder het chalet wielen zitten. Hierdoor is het mogelijk om het chalet te verplaatsen en door [gedaagde] is onbetwist toegelicht dat dit ook gebeurt met dit type chalet. Onder het chalet bevinden zich wielen. De wielen zijn niet te zien omdat het chalet tot aan de grond is afgewerkt. Vast staat verder dat het chalet is aangesloten op gas, water, licht en riolering. Op de getoonde foto is tevens te zien dat aan het chalet een houten terras is bevestigd.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.4.</nr>
        <para>De kantonrechter is van oordeel dat de feitelijke toestand van het chalet en de wijze waarop het op het perceel van [gedaagde] is geplaatst, niet naar zijn aard en inrichting bestemd was om duurzaam ter plaatste te blijven. Anders dan het geval was in de door de gemachtigde van [eisers gezamenlijk] aangehaalde jurisprudentie is in het onderhavige geval niet gesteld, laat staan gebleken, dat het chalet door middel van een (stalen) fundering duurzaam met de grond is verenigd. Indien dit het geval zou zijn zou dit met zich brengen dat het chalet niet op eenvoudige wijze is te verplaatsen hetgeen een indicatie kan zijn voor de conclusie dat het chalet een onroerende zaak zou zijn. In het onderhavige geval is echter namens [gedaagde] onbestreden toegelicht dat onder het chalet wielen zijn bevestigd, waardoor het chalet op eenvoudige wijze kan worden verplaatst, hetgeen op de camping met vergelijkbare chalets ook is gebeurd. Dat de wielen niet zichtbaar zijn, maakt naar het oordeel van de kantonrechter echter niet dat daarmee de bedoeling van de bouwer niet meer zichtbaar is. Dat het chalet is aangesloten op water, gas, licht en riolering geeft de kantonrechter geen aanleiding anders te oordelen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.5.</nr>
        <para>De slotsom van het voorgaande is dat het chalet geen onroerende zaak als bedoeld in artikel 3:3 BW betreft. De kantonrechter ziet zich in dit oordeel gesteund nu vast staat dat voor het chalet geen onroerendzaakbelasting (ozb) wordt geheven.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Met de voorgaande vaststelling, staat eveneens vast dat het beroep op het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:2 BW [eisers gezamenlijk] niet kan baten. Nu er immers geen sprake is van een onroerende zaak, ontvalt ook iedere rechtsgrond die bepaalt dat de koopovereenkomst in dat geval schriftelijk dient te geschieden. Derhalve kan de primaire grondslag de vordering van [eisers gezamenlijk] niet dragen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Het voorgaande houdt in dat tussen partijen heeft te gelden dat zij mondeling een koopovereenkomst zijn aangegaan waarbij [eisers gezamenlijk] zich heeft verplicht het chalet van [gedaagde] voor € 26.000,00 te kopen. De vraag die zich thans voordoet of [eisers gezamenlijk] daarbij een financieringsvoorbehoud heeft gemaakt. Dit financieringsvoorbehoud heeft te gelden als een ontbindende voorwaarde, aldus [eisers gezamenlijk]</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.5.1.</nr>
        <para> stelt dat zij op 9 juli 2016 te kennen heeft gegeven dat de koop alleen kan doorgaan als zij de financiering rond krijgt. Die financiering zou bestaan uit het vrijkomen van een levensverzekering. Deze levensverzekering is echter niet tot uitkering gekomen. Namens [gedaagde] is ten stelligste betwist dat er gesproken is over de wijze waarop [eisers gezamenlijk] de aankoop van het chalet zou financieren.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.5.2.</nr>
        <para>De kantonrechter is van oordeel dat op basis van de stellingen van partijen niet kan worden vastgesteld wie het gelijk aan zijn zijde heeft. Daarvoor zou in beginsel nader bewijslevering aan de orde zijn. De kantonrechter ziet daar echter om de navolgende reden geen aanleiding toe.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Vast staat dat [eisers gezamenlijk] € 2.600,00 hebben aanbetaald. Dat er sprake is van een aanbetaling blijkt ook duidelijk uit de door [gedaagde] afgegeven betalingsbewijs zoals dit is overgelegd door [eisers gezamenlijk] als productie 1 bij dagvaarding alsmede uit de door [gedaagde] overgelegde productie I bij conclusie van antwoord. Op beide betalingsbewijzen wordt gesproken over aanbetaling. Derhalve kan [gedaagde] niet worden gevolgd in haar - eerst tijdens de comparitie van partijen geponeerde - stelling dat het door [eisers gezamenlijk] betaalde bedrag aangemerkt moet worden als reserveringskosten. Daarnaast is ook niet gesteld of gebleken dat het betaalde bedrag aan te merken is als annuleringskosten of een boete. Daarmee staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat de door [eisers gezamenlijk] gedane aanbetaling als deelovereenkomst van de koopovereenkomst moet worden gezien.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.6.1.</nr>
        <para>Niet ter discussie staat dat [eisers gezamenlijk] op of omstreeks 23 juli 2016 te kennen heeft gegeven van de koop te willen afzien omdat zij de financiering niet rond krijgt. Daarbij is verzocht om het reeds aanbetaalde bedrag terug te betalen. Een en ander is nadien ook door de gemachtigde van [eisers gezamenlijk] schriftelijk gedaan en wel bij brief van 12 augustus 2016. De mededeling dat [eisers gezamenlijk] niet langer wenst vast te houden aan de koopovereenkomst en de door haar gedane prestatie ongedaan gemaakt wenst te zien, laat zich naar het oordeel van de kantonrechter kwalificeren als een ontbinding van de koopovereenkomst. De vraag is of die ontbinding tot het door [eisers gezamenlijk] gewenste resultaat heeft geleid.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Voormelde vraag moet bevestigend worden beantwoord. Tijdens de comparitie is namens [gedaagde] gesteld dat het aanvankelijk door [eisers gezamenlijk] gekochte chalet in december 2016 is verkocht aan een andere koper. Deze verkoop is aan te merken als feitelijk handelen waaruit voortvloeit dat ook aan de zijde van [gedaagde] te kennen wordt</para>
          <para>gegeven niet langer prijs te stellen op nakoming van de overeenkomst met [eisers gezamenlijk] Bovendien heeft [gedaagde] voorheen ook niet nadrukkelijk aangedrongen op nakoming van de overeenkomst.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.3.</nr>
        <para>Het voorgaande leidt de kantonrechter dan ook tot het oordeel dat er sprake is van een situatie waarbij de koopovereenkomst door partijen is ontbonden, althans als zodanig dient te worden beschouwd.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Gelet op het vorenstaande en nu niet is overeengekomen dat het door [eisers gezamenlijk] aanbetaalde bedrag ad € 2.600,00 is aan te merken als annulerings- of reserveringskosten dan wel een boete, bestaat er geen titel voor [gedaagde] om dit geld onder zich te houden. Een deugdelijk (gestelde) grondslag hiervoor ontbreekt. Dit betekent dat [gedaagde] aanstonds wordt veroordeeld tot het terugbetalen van voornoemd bedrag aan [eisers gezamenlijk]</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>
        [eisers gezamenlijk] maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 465,85. [gedaagde] betwist dat er sprake is geweest van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden en stelt dat de kosten die zijn gemaakt kosten ter instructie van de zaak betreffen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>De kantonrechter stelt voorop dat de aanspraak van [eisers gezamenlijk] op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten vastgesteld dient te worden aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Als uitgangspunt heeft te gelden dat de buitengerechtelijke incassokosten in beginsel zijn verschuldigd wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser incassohandelingen heeft verricht waartoe hij in redelijkheid kon overgaan. In het onderhavige geval is namens [eisers gezamenlijk] enkel een brief op 12 augustus 2016 gestuurd en is niet gebleken van verder gaande buitengerechtelijke werkzaamheden. Nu ook tijdens de comparitie van partijen door de gemachtigde van [eisers gezamenlijk] niet is gesteld waaruit haar (overige) incassowerkzaamheden betrekking op hadden, dient de vordering als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eisers gezamenlijk] worden begroot op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>dagvaarding</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 96,57</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 471,00</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>salaris gemachtigde</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="underline">€ 350,00 </emphasis>(2,0 x tarief € 175,00)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 917,57.</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>De gevorderde nakosten zullen op de hierna te vermelden wijze worden toegewezen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers gezamenlijk]</para>
        <para> te betalen een bedrag van € 2.600,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 november 2016 tot aan de voldoening,</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eisers gezamenlijk] gevallen en tot op heden begroot op € 917,57,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door [eisers gezamenlijk] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>€ 100,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na voormelde aanschrijving tot de dag der voldoening;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na betekening van dit vonnis tot de dag der voldoening,</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title />
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <para> Tekst </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>