<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2017:12813</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-10T14:14:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-12-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-06-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/03/236025 / BZ RK 17-840</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>GZR-Updates.nl 2018-0001</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2017:12813">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2017:12813</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-12-29T09:21:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-12-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2017:12813 Rechtbank Limburg , 13-06-2017 / C/03/236025 / BZ RK 17-840</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2017:12813:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Machtiging tot voortgezet verblijf ex art. 15 Wet Bopz; de aanname van actueel gevaar kan steunen op de met betrokkene opgedane ervaringen uit het verleden. De stelling van betrokkene dat van actueel gevaar geen sprake is en dat ten onrechte wordt teruggegrepen op het verleden, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ontoereikend. Geneeskundige verklaring, hoewel niet ondertekend door de geneesheer-directeur, is in dit geval toch bruikbaar voor opneming nu zij is ondertekend door de waarnemend Bopz-arts van de Cicerogroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2017:12813:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Familie en jeugd</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum beschikking: 	6 juni 2017 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 		C/03/236025 / BZ RK 17/840</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [betrokkene],</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats], thans gemeente [gemeente], op [1941],</para>
      <para>wonend te [woonplaats] gemeente [gemeente],</para>
      <para>thans verblijvend in [verpleeghuis] te [vestigingsplaats],</para>
      <para>verder te noemen: betrokkene,</para>
      <para>advocaat: mr. C.J.M. Dreessen, kantoorhoudend te Sittard gemeente Sittard-Geleen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, op 22 mei 2017 ter griffie ingekomen, aan de rechtbank verzocht ten aanzien van betrokkene, die ingevolge een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 15 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het verzoekschrift is een ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring overgelegd van de geneesheer-directeur van de verpleeginrichting waarin betrokkene is opgenomen en die niet bij diens behandeling betrokken was alsmede een afschrift van de in artikel 37a van de Wet Bopz bedoelde aantekeningen en van het in artikel 38 van de Wet Bopz bedoelde behandelingsplan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 6 juni 2017, waar zijn gehoord betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, alsmede drs. T. Duijsens, specialist ouderengeneeskunde, L. Linssen, eerst verantwoordelijke verzorgende (evv-er), tevens zorgcoördinator, L. Lenssen, medewerkster en vorige begeleidster van betrokkene. Voorts is gehoord mr. M.A.H.A. Van den Hof, in haar hoedanigheid van mentor van betrokkene.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De betrokkene heeft zich tijdens de mondelinge behandeling bediend van een pleitnota met producties waarin zij een aantal punten aanstipt ter ondersteuning van het betoog dat het verzoek om machtiging te verlenen tot voortzetting van het verblijf in een verpleeginrichting moet worden afgewezen dan wel beperkt tot een periode van maximaal drie maanden. De rechtbank zal die argumenten puntsgewijs bespreken:</para>
      <para />
      <para>1. 	<emphasis role="italic">gesloten afdeling verpleegtehuis</emphasis></para>
      <para>Dit punt vormt een inleiding maar bevat geen verweer waarop de rechtbank zou moeten ingaan.</para>
      <para>2.	<emphasis role="italic">afwikkeling bewindvoering</emphasis></para>
      <para>Dit punt raakt de onderbewindstelling van de goederen van de betrokkene; het is een toelichting maar bevat geen zelfstandig verweer tegen de verzochte machtiging; de onderbewindstelling is overigens opgeheven.</para>
      <para>3.	<emphasis role="italic">het gevaar</emphasis></para>
      <para>Gevaar is de kans op onheil. Onheil behoeft zich niet reeds te hebben verwezenlijkt. De aanname van een actueel gevaar kan derhalve ook steunen op de met betrokkene opgedane ervaringen uit het verleden. Die ervaringen liegen er in het geval van betrokkene niet om. Na eerder toegestane vrijheden (ontslag danwel verlof) is de betrokkene binnen een week ‘meer dood dan levend’ heropgenomen. De stelling dat van actueel gevaar geen sprake is en dat ten onrechte wordt teruggegrepen op het verleden, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, dus ontoereikend.</para>
      <para>4.	<emphasis role="italic">proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid</emphasis></para>
      <para>De stellingen zijn niet uitgewerkt en bevatten onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de vrijheidsontneming van betrokkene niet voldoet aan de vereisten van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid.</para>
      <para>5.	e<emphasis role="italic">thisch kader</emphasis></para>
      <para>De betrokkene stelt met dit punt een aspect aan de orde dat voor beantwoording van de hier relevante vragen niet van belang is.</para>
      <para>6.	<emphasis role="italic">benodigde stukken</emphasis></para>
      <para>De enkele stelling dat de geneeskundige verklaring niet is ondertekend door de geneesheer-directeur en de mogelijke consequenties daarvan vanuit tuchtrechtelijk oogpunt bezien, is onvoldoende voor de conclusie dat de geneeskundige verklaring in dit geval niet mag worden gebruikt. De rechtbank zal aan die stelling derhalve voorbij gaan. Bovendien blijkt uit de geneeskundige verklaring dat zij op 15 mei 2017 is ondertekend door A.M.J. van der Velden als waarnemend Bopz-arts van de Cicerogroep. Verder is de stelling van de betrokkene dat sprake is van een gedateerd behandelings-/ zorgplan (bijna tweeënhalf jaar oud) gemotiveerd weersproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Uit de overgelegde stukken en de door de rechtbank tijdens de hoorzitting verkregen inlichtingen blijkt vervolgens genoegzaam dat bij de betrokkene sprake is van een stoornis van de geestvermogens, welke stoornis ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn, deze stoornis betrokkene ook dan gevaar doet veroorzaken en het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een verpleeginrichting kan worden afgewend. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de betrokkene blijk geeft van verzet tegen verblijf in een verpleeginrichting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Gelet op de betreffende artikelen van de Wet Bopz wordt derhalve als volgt beslist.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verleent machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een verpleeginrichting voor de duur van maximaal één jaar. </para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, en uitgesproken op 13 juni 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
              <para />
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para />
              <para>Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden:</para>
              <para>a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;</para>
              <para>b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>