<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2017:10466</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-11-03T09:00:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-11-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">04 6004001 CV EXPL 17-4467</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2017:10466">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2017:10466</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-11-01T10:29:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-11-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2017:10466 Rechtbank Limburg , 01-11-2017 / 04 6004001 CV EXPL 17-4467</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2017:10466:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verjaring.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2017:10466:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para>Burgerlijk recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 6004001 \ CV EXPL  17-4467</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter van 1 november 2017</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DAS LEGAL SERVICES B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>verder te noemen DAS,</para>
      <para>gemachtigde Aedizon Gerechtsdeurwaarders B.V. Groningen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde partij]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend [adres gedaagde partij] ,</para>
      <para>
        [woonplaats gedaagde partij] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>verder te noemen [gedaagde partij] ,</para>
      <para>gemachtigde mr. T.G.M. Scheers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van repliek;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van dupliek.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Tussen DAS als rechtsbijstandverzekeraar en [gedaagde partij] als verzekeringsnemer heeft onder polisnummer M24239449 een verzekering bestaan. Deze is, al dan niet via de tussenpersoon van [gedaagde partij] , tot stand gekomen en ingegaan op 27 november 2008.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde partij] heeft vier juridische kwesties op basis van uurtarief ter behandeling bij DAS neergelegd. Gelet op de voorwaarden van de verzekering cq. de wachttijd vielen deze niet onder de dekking van de verzekering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De juridische kwesties van [gedaagde partij] zijn in opdracht en voor rekening van [gedaagde partij] door DAS in behandeling genomen door mr. P. Dircks (zaaknummers 1962 (start 27-01-2009), 1963 (start 10-03-2009) en 2217 (start 22-06-2009)) en door medewerker mr. S.K.H.C. Rutten (zaaknummer 2221 (start 20-11-2009)).</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>DAS vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 7.027,79, vermeerderd met rente en kosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Aan haar vordering legt DAS de door [gedaagde partij] onbetaald gelaten facturen van 22 juni 2009, 11 november 2009, 29 september 2009, 23 maart 2010 (2x) en 30 november 2010 ten grondslag. DAS heeft ten behoeve van [gedaagde partij] juridische werkzaamheden verricht, die niet onder de dekking van de verzekering vielen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde partij] voert verweer.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde partij] voert als meest verstrekkende verweer aan dat de vordering van DAS is verjaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Artikel 3:307 lid 1 BW bepaalt dat rechtsvorderingen tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>DAS vordert thans betaling van de volgende facturen, waarvoor een betalingstermijn van veertien dagen/dertig dagen gold:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Factuurdatum	factuurnummer	bedrag		opeisbaar	start verjaringstermijn</para>
        <para>22-06-2009	1984		€ 428,40	06-07-2009	07-07-2009</para>
        <para>29-09-2009	2243		€ 589,05	29-10-2009	30-10-2009</para>
        <para>11-11-2009	1697		€ 2.538,32	11-12-2009	12-12-2009</para>
        <para>23-03-2010	1985		€ 773,50	22-04-2010	23-04-2010</para>
        <para>23-03-2010	2243		€ 294,53	22-04-2010	23-04-2010</para>
        <para>30-11-2010	2247		€ 428,40	30-12-2010	31-12-2010</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Hoewel de inhoud van de brief anders doet vermoeden, is de eerste door DAS overgelegde en aangetoonde aanmaning gedateerd 30 september 2010. Deze aanmaning is echter onjuist geadresseerd; de postcode is niet juist. Niet kan worden vastgesteld dat deze aanmaning [gedaagde partij] heeft bereikt.</para>
        <para>Hetzelfde geldt voor de aanmaningen van 20 december 2011, 30 december 2011 en 27 januari 2012.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De eerste aanmaning waarvan kan worden vastgesteld dat deze [gedaagde partij] heeft bereikt, dateert van 14 november 2015. De ontvangst van deze aanmaning, via e-mail, heeft [gedaagde partij] ook erkend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Het voorgaande betekent dat, gelet op de start van de afzonderlijke verjaringstermijnen, onderhavige vordering, met uitzondering de vordering tot betaling van de factuur van 30 november 2011, is verjaard. De vordering tot betaling van de factuur van 30 november 2011 is door de aanmaning van 14 november 2015 immers gestuit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>De factuur van 30 november 2011 is verder inhoudelijk door [gedaagde partij] niet, althans niet gemotiveerd betwist, zodat de verschuldigdheid van die factuur kan worden vastgesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Gelet op het bovenstaande zal de vordering in hoofdsom aan DAS worden toegewezen tot een bedrag van € 428,40. Dit bedrag kan worden vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der opeisbaarheid. Bij conclusie van repliek heeft DAS immers gesteld dat [gedaagde partij] de overeenkomst met DAS is aangegaan op naam van zijn eenmanszaak, welke stelling door [gedaagde partij] bij conclusie van dupliek niet langer is weersproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>DAS stelt verder buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en vordert vergoeding daarvan. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen. Nu een substantieel deel van de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (in de zin van artikel 6:2 BW) om het toepasselijke wettelijke tarief te bepalen aan de hand van de gevorderde hoofdsom. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten dan ook toewijzen tot het tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toe te wijzen bedrag, te weten € 75,00.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>De kantonrechter acht geen termen aanwezig [gedaagde partij] toe te laten tot nadere bewijslevering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>Nu de vordering van DAS slechts gedeeltelijk wordt toegewezen ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan DAS te betalen een bedrag van € 428,40, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de voldoening, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>type: ksf</para>
        <para>coll:</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>