<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2014:9502</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-08-13T10:55:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-08-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C-03-186184 - HA ZA 13-457</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2016:1305" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#overig">Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:1305, Overig</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2014:9502">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2014:9502</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-07-11T11:04:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2014:9502 Rechtbank Limburg , 06-08-2014 / C-03-186184 - HA ZA 13-457</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2014:9502:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Duurovereenkomst. Rechtsvraag: Is de relatie tussen deurwaarderskantoor en woningstichting te kwalificeren als duurovereenkomst?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2014:9502:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="7c741731-9f85-4033-937d-b37724b2a5d9" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="b9b89ba8-edba-4198-a7cb-1eaac2bbd7e3" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Burgerlijk recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/03/186184 / HA ZA 13-457</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 6 augustus 2014</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid <?linebreak?><?linebreak?><emphasis role="bold">[deurwaarder] B.V.,</emphasis><?linebreak?>statutair gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats 1] ,<?linebreak?>eiseres,<?linebreak?>advocaat: mr. A.A. Campos,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de stichting <emphasis role="bold">WONINGSTICHTING  “ [woningstichting] ”,</emphasis><?linebreak?><?linebreak?>statutair gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats 2] ,<?linebreak?>gedaagde,<?linebreak?>advocaat: mr. R.Ph.E.M. Cratsborn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna “ [deurwaarderskantoor] ” en “ [woningstichting] ” worden genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para>- de dagvaarding met producties,<?linebreak?>- de conclusie van antwoord met producties,<?linebreak?>- de akte overlegging producties van [deurwaarderskantoor] ,<?linebreak?>- het procesverbaal van de comparitie van partijen.<?linebreak?><?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Tussen partijen bestaat reeds een jarenlange handelsrelatie, waarin [deurwaarderskantoor] in opdracht van [woningstichting] telkens (ambtelijke) deurwaarderswerkzaamheden verricht, zoals het uitbrengen van een dagvaarding, betekening van een vonnis en indien noodzakelijk de realisering van een ontruiming.  </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij brief van 23 april 2013 heeft [woningstichting] [deurwaarderskantoor] op de hoogte gebracht van     haar besluit om een ander deurwaarderskantoor voor haar opdrachten in te schakelen, onder opgave van de reden dat dat deurwaarderskantoor <emphasis role="italic">“bepaalde gunstigere voorwaarden en in diverse onderdelen lagere kosten”</emphasis> biedt. De reeds verleende opdrachten aan [deurwaarderskantoor] zijn gecontinueerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Tussen partijen bestaat thans een geschil over (met name) de beëindiging van hun handelsrelatie. <?linebreak?><?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil<?linebreak?><?linebreak?><?linebreak?>3.1.	[deurwaarderskantoor] vordert thans:</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. 	een verklaring voor recht dat tussen [deurwaarderskantoor] en [woningstichting] een duurovereenkomst van opdracht voor onbepaalde tijd is gesloten;<?linebreak?>2. 	een verklaring voor recht dat [woningstichting] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [deurwaarderskantoor] en/of toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van bedoelde duurovereenkomst door eenzijdig zonder rechtsgeldige reden, zonder opzegtermijn en zonder betaling van een redelijke vergoeding te beëindigen en [woningstichting] voorts te veroordelen tot vergoeding van de daardoor door [deurwaarderskantoor] geleden en te lijden schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke handelsrente,<?linebreak?>3.	veroordeling tot betaling van een voorschot op de schade van € 54.000,00,<?linebreak?>4.	veroordeling tot betaling van buitengerechtelijke kosten van € 1.315,00, vermeerderd met wettelijke rente,<?linebreak?>5.	veroordeling in de kosten van de procedure,<?linebreak?>6.	veroordeling tot betaling van de nakosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [deurwaarderskantoor] legt - samengevat - aan haar vorderingen ten grondslag dat de handelsrelatie  tussen haar en [woningstichting] kan worden gekwalificeerd als een duurovereenkomst, omdat partijen een reeks van prestaties zijn aangegaan, die zich over een langere tijd, in casu 30 jaar, heeft uitgestrekt, zodat er sprake is van een bestendige handelsrelatie, die bovendien exclusief en intensief was. Daarin mocht [woningstichting] er steeds op vertrouwen dat [deurwaarderskantoor] die  werkzaamheden verrichtte. Omdat partijen geen afspraken over de beëindiging en de duur in een schriftelijke (kader)overeenkomst hebben neergelegd moet de vraag of opzegging mogelijk is beantwoord worden aan de hand van de redelijkheid en billijkheid in verband met alle omstandigheden van het geval. Ook kunnen aan een beoogde beëindiging nadere voorwaarden worden verbonden, zoals het in acht nemen van een langere opzegtermijn en een verplichting tot vergoeding van schade. Tevens kunnen aard en inhoud van de rechtsverhouding en de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. <?linebreak?>Volgens [deurwaarderskantoor] levert de door [woningstichting] aangegeven opzegreden dat het andere deurwaarderskantoor <emphasis role="italic">“bepaalde gunstigere voorwaarden en in diverse onderdelen lagere kosten”</emphasis> biedt geen zwaarwegende grond voor opzegging op. Zo [woningstichting] al een rechtsgeldige reden zou hebben voor opzegging, dan dient gelet op jurisprudentie en literatuur over duurovereenkomsten een redelijke opzegtermijn gehanteerd te worden van, bij een handelsrelatie van 30 jaar, ten minste 24 maanden. Nu [woningstichting] geen geldige reden had en bovendien geen redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen leveren de eisen van redelijkheid en billijkheid mede in het licht van de bijzondere omstandigheden van dit geval grond tot toekenning van schadevergoeding op. [deurwaarderskantoor] stelt schade te hebben geleden en nog altijd te lijden als gevolg van het niet in acht nemen van een redelijke opzegtermijn. <?linebreak?>Bij het vaststellen van de omvang van de schadevergoeding dient volgens haar de gemiddelde omzet over de afgelopen periode als uitgangspunt te worden genomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [woningstichting] voert verweer. Op dit verweer wordt, voor zover relevant, bij de beoordeling ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling<?linebreak?><?linebreak?><?linebreak?>4.1.	Centraal in dit geschil is de vraag of tussen partijen een duurovereenkomst heeft bestaan. Het antwoord luidt ontkennend.</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Uit het bestaan van een langdurige handelsrelatie, waarbij [deurwaarderskantoor] met grote regelmaat werkzaamheden voor [woningstichting] heeft verricht, kan niet noodzakelijkerwijs een duurovereenkomst worden afgeleid. Zulks zou slechts anders zijn, indien sprake is van bijkomende omstandigheden. Niet gebleken is dat sprake was van een rechtsverhouding waarbij [deurwaarderskantoor] en [woningstichting] zich hebben verbonden gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd over en weer voortdurende, telkens terugkerende of opeenvolgende prestaties te verrichten, zoals bijvoorbeeld in de meest expliciete vorm het geval is bij een huur- of arbeidsovereenkomst. Dit vindt hierin steun dat de werkzaamheden van [deurwaarderskantoor] , zo valt uit de stellingen over en weer af te leiden, telkens waren gegrond op afzonderlijke te accorderen opdrachten. Bovendien is niet gebleken dat sprake was van een monopoliepositie van [woningstichting] als enige opdrachtgever van [deurwaarderskantoor] . Dat het proces van het verlenen van opdrachten en het uitvoeren van de werkzaamheden volgens [deurwaarderskantoor] exclusief en intensief was, maakt dat niet anders. [woningstichting] had op haar beurt immers steeds de vrijheid soortgelijke opdrachten aan anderen dan [deurwaarderskantoor] te verstrekken. De stelling van [deurwaarderskantoor] dat zij voor gemiddeld een jaaromzet van € 27.000,00 afhankelijk is van de opdrachten van [woningstichting] en gelet op de omvang van de werkzaamheden extra personeel heeft aangetrokken, werpt evenmin een ander licht op de zaak. Dit laatste betreft immers de interne bedrijfsvoering van [deurwaarderskantoor] welke in haar risicosfeer ligt en dus [woningstichting] niet regardeert. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Gelet op het bovenstaande is geen sprake van een duurovereenkomst en worden de vorderingen van [deurwaarderskantoor] afgewezen. Al hetgeen voor het overige is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>
        [deurwaarderskantoor] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, aan de zijde van [woningstichting] als volgt begroot:<?linebreak?>griffierecht:				€ 1.836,00<?linebreak?>salaris advocaat: (2 punten x € 894,00)	<emphasis role="underline">€ 1.788,00</emphasis><?linebreak?><?linebreak?>totaal:					€ 3.624,00</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <?linebreak?>5.De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen af,</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>
        <?linebreak?>5.2.	veroordeelt [deurwaarderskantoor] in de proceskosten, aan de zijde van [woningstichting] tot op heden begroot op € 3.624,00,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>EvdP</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>