<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2014:2071</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-06-19T12:51:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-03-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-03-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C04.115606w10</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2014:2071">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2014:2071</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-06-19T12:50:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-06-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2014:2071 Rechtbank Limburg , 05-03-2014 / C04.115606w10</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2014:2071:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Zorgplicht bewindvoerder art. 1:444 BW</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2014:2071:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="22846613-6468-4cd7-973b-e6a54dd02783" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="c2c647dd-27c6-4271-900e-960cdb0369b8" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>VONNIS</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Burgerlijk recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: 115606 / HA ZA 12-139</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 5 maart 2014</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>
      [eiser 1],</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats eisers],</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.	[eiseres 2],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats eisers],</para>
      <para>eisers,</para>
      <para>advocaat mr. N.V.T. Cremers te Roermond,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde], H.O.D.N. [X] ADMINISTRATIES,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEWINDVOERING EN MENTORSCHAP,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats gedaagde],</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. M.F.J.J.M. Tijssen te Roermond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden nader aangeduid als [eisers] en [gedaagde].</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis in deze zaak van 8 augustus 2012;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van de op 27 november 2012 gehouden comparitie van partijen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van het op 16 april 2013 gehouden getuigenverhoor, tevens comparitie </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>  van partijen;</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de conclusie van repliek tevens akte vermeerdering van eis;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van dupliek tevens houdende antwoordakte uitlating eisvermeerdering;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte wijziging eis;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de antwoordakte eiswijziging.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geschil</title>
    <bridgehead role="italic">De vaststaande feiten.</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank gaat uit van de volgende feiten die – als gesteld en niet weersproken – vaststaan tussen partijen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij beschikking van 3 december 2008 van de kantonrechter te Roermond zijn de goederen van [eisers] onder bewind gesteld met benoeming van [bewindvoerder 1] tot bewindvoerder. Bij beschikking van 2 juli 2009 is de bewindvoerder van zijn taak ontslagen onder gelijktijdige benoeming van [gedaagde] tot nieuwe bewindvoerder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Ten tijde van de benoeming van [gedaagde] behoorde tot de goederen van [eisers] de door hen bewoonde woning waarvoor zij bij Delta Lloyd Bank N.V. (hierna: Delta Lloyd) een hypothecaire geldlening hadden afgesloten. Op 1 juli 2009 hadden zij een achterstand op de hypothecaire verplichtingen bij Delta Lloyd ten bedrage van </para>
        <para>€ 2.425,80. De achterstand op de premie levensverzekering bedroeg € 3.746,54. Daarnaast waren er andere schulden, waaronder bij Visa tot een bedrag van € 6.231,39 en bij International Card Services tot een bedrag van € 5.807,79. Daar kwamen nog diverse schulden bij tot een bedrag ad om en nabij € 4.000,00 (productie 11 bij dagvaarding).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit de rekening en verantwoording van [gedaagde] over de periode 2 juli 2009 tot en met 31 december 2009 (productie 7 bij dagvaarding) en de bankafschriften over die periode (productie 19 bij dagvaarding) is het volgende gebleken. [eisers]  had maandelijks inkomsten uit ZW en WW-uitkering van de man ad gemiddeld € 988,56 netto. Daarnaast werd er een heffingskorting voor de vrouw, zorgtoeslag en  kindgebonden budget ontvangen. Het inkomen bedroeg alles tezamen € 1.303,56 gemiddeld per maand. Daarnaast waren er inkomsten uit kinderbijslag ad € 236,77 per 3 maanden, teruggaaf belastingdienst ad € 267,00 per maand en eenmalige inkomsten uit nalatenschap ad </para>
        <para>€ 2.500,00.  De maandelijkse netto woonlasten bedroegen € 516,55  (= € 775,84 hypotheekrente + € 267,71 premie levensverzekering –  € 260,00 maandelijkse onttrekking van belegging – € 267,00 maandelijkse teruggaaf belastingdienst). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft vanaf juli 2009 de hypotheekrente en premie levensverzekering niet betaald. Bij brief van 23 december 2009 heeft Delta Lloyd aan [eisers]  meegedeeld dat er tot openbare verkoop van de woning zou worden over gegaan. In maart 2010 is de woning geveild voor een bedrag van € 124.696,44. De hoofdsom van de hypotheek bedroeg € 184.000,00, te vermeerderen met betalingsachterstand rente ad </para>
        <para>€ 6.675,12. Aan de hypotheek was een levensverzekering  gekoppeld ter waarde van </para>
        <para>€ 11.460,00 en een beleggingsverzekering ter waarde van € 22.793,90, welke waardes in mindering zijn gebracht op de hoofdsom van de hypotheek. Op de waarde van de levensverzekering is de premieachterstand in mindering gebracht. Na veiling van de woning resteerde, na vermeerdering met taxatiekosten ad € 351,94, een schuld bij Delta Lloyd ten bedrage van € 32.136,28. Bij brief van de incassogemachtigde van Delta Lloyd is aan  [eisers]  te kennen gegeven dat de schuld na vermeerdering met rente tot een bedrag van € 388,28, buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 5.750,00 en informatie- en/of registratiekosten tot een bedrag van € 29,75 in totaal € 38.304,31 bedraagt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De vordering en de grondslag daarvoor.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        [eisers] vordert voor recht te verklaren dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder en, na vermeerdering van hun eis, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van:</para>
      <para>- € 77.753,90 als vergoeding van de schade als gevolg van de executoriale verkoop van hun </para>
      <para>  woning, te vermeerderen met rente als vermeld in de dagvaarding;</para>
      <para>- € 5.580,00 als vergoeding van de schade als gevolg van de onnodig gemaakte </para>
      <para>  verhuiskosten;</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para> € 936,88 zijnde de kosten van bewindvoering die hij ten onrechte heeft gemaakt;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para> € 2.000,00 ter zake buitengerechtelijke incassokosten</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ter onderbouwing van de vordering is, zakelijk weergegeven, het navolgende aangevoerd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Zij hadden in de periode juli – december 2009 voldoende inkomsten om naast de gedane aflossing ad € 2.000,00 maandelijks de hypotheekrente en premie levensverzekering te voldoen. Gelet op de hoogte van de hypothecaire lening, de afkoopwaarde  polis levensverzekering en de waarde beleggingsverzekering zou er bij een onderhandse verkoop van meer dan € 149.746,00 een overwaarde zijn geweest. De executoriale verkoop van de woning in december 2009 had dan ook voorkomen kunnen worden indien:</para>
      <para>- [gedaagde] vanaf juli 2009 de maandelijkse hypothecaire verplichtingen had voldaan;</para>
      <para>- [gedaagde] een regeling had getroffen om de achterstand van de premie levensverzekering </para>
      <para>  af te lossen;</para>
      <para>- [gedaagde] in overleg met [eiser 1] de vraagprijs van de woning had aangepast om te </para>
      <para>  bevorderen dat de woning onderhands zou worden verkocht;</para>
      <para>- [gedaagde] niet had verzuimd om kosten te beperken door bijzondere bijstand aan te </para>
      <parablock>
        <para>  vragen voor de verhuiskosten en de kosten van bewindvoering.</para>
        <para>
          [gedaagde] is door dit alles tekort geschoten in de zorg die van een redelijk en bekwaam handelend bewindvoerder mag worden verwacht en op grond van artikel 1:444 BW aansprakelijk voor de ten gevolge van dit tekortschieten door [eisers] geleden schade. Die schade bestaat uit het verschil tussen marktwaarde van de woning in 2009 ad </para>
        <para>€ 167.500 en de verkoopprijs ad € 124.000, te vermeerderen met € 11.460,00 afkoop levensverzekering en € 22.793,90 waarde beleggingsverzekering. Daarnaast komen de verhuiskosten ad € 5.580,00 voor vergoeding in aanmerking, alsmede de kosten van de bewindvoering ad € 571,20 die door [gedaagde] in 2009 in rekening zijn gebracht en </para>
        <para>4x € 98,17 (het bedrag aan bijzondere bijstand waarop [eisers]  recht had over de periode januari tot en met april 2010). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het verweer.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Op het verweer van [gedaagde] wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna ingegaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <bridgehead role="italic">Het beroep op artikel 6:89 BW</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert als meest verstrekkend verweer aan dat [eisers] niet binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 6:89 BW heeft geprotesteerd nadat zij het gebrek in de prestatie, te weten het niet betalen van de hypothecaire verplichtingen, hebben ontdekt of redelijkerwijs hadden moeten ontdekken en dat zij daarom alle rechten en bevoegdheden hebben verloren om zich op een gebrek in de prestatie te beroepen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [eisers] stelt zich op het standpunt dat artikel 6:89 BW in zaken als de onderhavige niet van toepassing is. De rechtbank kan hen daarin niet volgen. Dit artikel is van toepassing op alle verbintenissen. De bepaling houdt in dat de schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd. Blijkens de wetsgeschiedenis berust deze bepaling op de gedachte dat een schuldenaar erop moet kunnen rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en dat deze, indien dit niet het geval blijkt te zijn, zulks, eveneens met spoed, aan de schuldenaar meedeelt. Hoeveel tijd de schuldeiser voor een en ander ten dienste staat, moet naar de aard van de overeenkomst en de gebruiken worden beoordeeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Bij beantwoording van de vraag of is voldaan aan de in artikel 6:89 BW besloten liggende onderzoeks- en klachtplicht dient acht te worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. Wat betreft de lengte van de termijn die beschikbaar is voor het van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs te verwachten onderzoek is onder meer van belang de waarneembaarheid van het gebrek, de wijze waarop dit aan het licht treedt, en de deskundigheid van de schuldeiser. De vereiste mate van voortvarendheid wat betreft de onderzoeksplicht zal verder afhangen van de ingewikkeldheid van het onderzoek. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Bij de beantwoording van de vraag of tijdig is geklaagd op de voet van artikel 6:89 BW is ook van belang of de schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd. In dit verband dient de rechter rekening te houden met enerzijds het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren zoals in dit  artikel vermeld - te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming - en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat bekendheid met het gebrek bestaat of redelijkerwijs diende te bestaan, en dat van het protest, vormt in die beoordeling weliswaar een belangrijke factor, maar is niet doorslaggevend. (vgl. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert benadeling van zijn bewijspositie en aantasting van de mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken aan als concrete belangen waarin hij is geschaad door het niet binnen bekwame tijd klagen. De rechtbank is op grond van de navolgende overwegingen van oordeel dat dit onvoldoende is om aan [eisers] het recht en de bevoegdheid te ontzeggen om zich jegens [gedaagde] op een gebrek in de prestatie te beroepen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Het bewind is op 3 december 2008 ingesteld, omdat [eisers]  schulden had laten ontstaan en niet in staat bleek hun eigen vermogensrechtelijke belangen goed waar te nemen. Daartoe is [gedaagde] als bewindvoerder aangesteld. Hij is (opvolgend) bewindvoerder geweest van 2 juli 2009 tot 14 december 2010. Hij is per laatst genoemde datum ontslagen als bewindvoerder, omdat hij de rekening en verantwoording over de periode 2 juli 2009 tot en met 31 december 2009 niet bij de kantonrechter heeft ingediend. [eisers] heeft ter comparitie gesteld dat zij in november/december 2009 met [gedaagde] de afspraak heeft gemaakt de hypothecaire lasten niet meer te betalen, omdat deze lasten in de voorgaande maanden niet door [gedaagde] waren voldaan en de schuld daardoor zo hoog was opgelopen dat executie niet meer te voorkomen was. Zij hebben voor het eerst bij brief van hun raadsvrouw van 12 oktober 2011 hier tegen geprotesteerd. Dat is weliswaar bijna twee jaar later, maar daarbij dient er naar het oordeel van de rechtbank rekening te worden gehouden met de bijzondere situatie waarin zij verkeerden en met de bijzondere rechtsverhouding tussen [gedaagde] en hen. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>
        [eisers] heeft gesteld dat zij van [gedaagde] tijdens het bewind geen informatie hebben ontvangen. [gedaagde] heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Gelet op het vorenstaande hoefde het enkele feit dat [gedaagde] de hypothecaire verplichtingen niet had voldaan [eisers] in november/december 2009 nog niet op het idee te brengen dat [gedaagde] tekort was geschoten in de uitoefening van zijn taak als bewindvoerder. Om de taakvervulling op dat punt te kunnen beoordelen waren zij afhankelijk van informatievoorziening door [gedaagde]. Vast staat dat [gedaagde] in oktober 2010 nog geen rekening en verantwoording had afgelegd over de periode 2 juli 2009 tot en met 31 december 2009. Hij heeft dat eerst in april 2011 gedaan. Eerst na het afleggen van rekening en verantwoording in april 2011 en na het opvragen van alle bankafschriften kon het gebrek in de prestatie redelijkerwijs worden ontdekt. Daar komt bij dat [gedaagde] zijn stelling dat zijn bewijspositie is verslechterd niet heeft onderbouwd. De slotsom luidt dat niet gezegd kan worden dat [eisers]  door in oktober 2011 te protesteren niet binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 6:89 BW heeft geprotesteerd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Is [gedaagde] tekortgeschoten in de zorg van een goed bewindvoerder?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>In artikel 1:444 BW is bepaald dat een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk is, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder te kort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Volgens [eisers] is [gedaagde] te kort geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder en daarom jegens hen aansprakelijk, omdat hij, kort samen gevat, de executoriale verkoop van de woning in december 2009 niet heeft voorkomen, terwijl daartoe wel de middelen aanwezig waren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] betwist dat hij had kunnen voorkomen dat de woning executoriaal is verkocht en voert daartoe het volgende aan. Hij heeft van Delta Lloyd, bij monde van de heer [Y], vernomen dat er een bedrag open stond van om en nabij € 9.000,00 aan achterstallige hypotheek, boeterente, buitengerechtelijke incassokosten en notariskosten. </para>
        <para>In een op 16 oktober 2009 met [eisers]  gehouden gesprek heeft hij aangegeven dat volgens hem, gelet op de overige schulden en het reeds in gang gezette executietraject, openbare verkoop van de woning onafwendbaar was. Hij heeft hen vervolgens geadviseerd om zoveel mogelijk geld te sparen voor verhuizing naar een huurwoning. Na bekendwording van de definitieve hypotheekrestschuld zou dan tot een (wettelijke) schuldsaneringsregeling kunnen worden gekomen. Dat hebben partijen vervolgens ook zo afgesproken. De omstandigheid dat zij nimmer bij hem, noch bij de kantonrechter, hebben geklaagd over het niet betalen van de hypothecaire verplichtingen bevestigt dat partijen dat met elkaar hebben afgesproken, aldus [gedaagde].</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat, naar haar oordeel, de financiële situatie van [eisers] tijdens de bewindvoering door [bewindvoerder 1] en daarna [gedaagde] bijzonder zorgwekkend was en dat die situatie met zich mee bracht dat, teneinde een executoriale verkoop van de woning te voorkomen, de woning onderhands moest worden verkocht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>De maandelijkse vaste lasten, waarop niet of nauwelijks kan worden bespaard, bestonden uit: € 516,55 netto woonlasten, € 181,50 ziektekostenverzekering, € 145,17 energielasten, € 390,00 leefgeld, € 32,00 huur van de combiketel, € 21,02 water en € 84,00 gemeentelijke belastingen en waterschapsheffingen. Tezamen: € 1.370,24. Daar komen nog lasten bij waarop kon worden bespaard, te weten  € 17,00 uitvaartverzekering en € 117,45 aan telecom/internet/tv. Hiervoor in 2.4. is reeds vastgesteld dat het gemiddelde inkomen per maand in de tweede helft van 2009 € 1303,56 is geweest. De rechtbank kan [eisers] dan ook niet volgen in hun stelling dat [gedaagde] een regeling had kunnen treffen voor het aflossen van de achterstand op de premies levensverzekering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>Uit het vorenstaande blijkt, indien mede in aanmerking wordt genomen de achterstanden op de hypothecaire verplichtingen en de premies levensverzekering en de overige schulden (zie 2.3.), dat op het moment dat [gedaagde] bewindvoerder werd de financiële situatie van [eisers] precair was. Telt men daarbij op dat Delta Lloyd de executie van de woning had aangezegd en dat International Card Services voor haar vordering beslag op de woning had gelegd dan is sprake van een bijzonder zorgwekkende situatie. Dat blijkt eens te meer uit de door [eisers] als productie 19 overgelegde bankafschriften over de tweede helft van 2009 en het daarbij als productie 20 overgelegde overzicht van uitgaven en betalingen. In dat overzicht hebben zij tevens rekening  gehouden met de in die periode  niet betaalde rekeningen, zoals hypotheekrente en premie levensverzekering. Volgens [eisers] blijkt daaruit dat er iedere maand voldoende inkomsten waren om vanaf juli 2009 de hypotheekrente en premie levensverzekering en overige vaste lasten te voldoen. De rechtbank is echter met [gedaagde] van oordeel dat in het overzicht ten onrechte geen rekening is gehouden met de volgende afschrijvingen: digitenne  € 7,50 (29-07-2009), leefgeld € 90,00 (31-07-2009), afschrijving kindergeld € 236,77 (01-10-2009) en leefgeld € 90,00 (20-11-2009). Een juiste verwerking resulteert erin dat er in september, november en december een negatief saldo is van respectievelijk € 67,32, € 414,37 en € 433,21. Daarbij is rekening gehouden met het door [gedaagde] medio september 2009 aan Delta Lloyd ter zake achterstand in betaling hypotheekrente betaalde bedrag van € 2.0000,00.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>De beoordeling van het geschil spitst zich vervolgens toe op de beantwoording van de vraag wat de zorg van een goed bewindvoerder in een dergelijk geval met zich mee dient te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit ten minste die aandacht aan de toevertrouwde vermogensrechtelijke belangen te geven die men ook aan de eigen belangen gewoon is te geven. De zorg die [gedaagde], blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, feitelijk aan de vermogensrechtelijke belangen van [eisers] heeft besteed, is beperkt tot het overnemen van het dossier van zijn voorganger, het bellen met een medewerker van Delta Lloyd en het daarop volgend advies op 16 oktober 2009 om te stoppen met het betalen van de hypothecaire verplichtingen, het reserveren voor een verhuizing en uiteindelijk het verzoeken van toelating tot de wettelijke schuldsanering. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>Vast staat dat [gedaagde] al meteen na zijn benoeming in juli 2009 is gestopt met het betalen van de hypotheekrente en de premie levensverzekering, zulks terwijl daarvoor in die maand en de daarop volgende maanden wel financiële ruimte was. Dat heeft hij gedaan zonder daarover vooraf overleg te voeren met [eisers]. Hij heeft immers volgens zijn eigen opgave voor het eerst op 16 oktober 2009 met hen gesproken over het stopzetten van de betalingen.  De rechtbank stelt verder vast dat [gedaagde] is gestopt met betalen, terwijl hij nog geen inzicht kon hebben in de financiële situatie van [eisers]. Bovendien wist hij al eind augustus 2009 dat zij hun woning te koop hadden gezet.  De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] door aldus te handelen onvoldoende aandacht aan de hem toevertrouwde vermogensrechtelijke belangen heeft gegeven en daardoor te kort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder. Hij heeft immers door zonder goede gronden van meet af aan de hypotheekrente en de premie levensverzekering niet te voldoen aan [eisers] de kans ontnomen om de schade die een executoriale verkoop met zich mee brengt door middel van onderhandse verkoop te voorkomen. De rechtbank is tevens van oordeel dat het niet aanvragen van bijzondere bijstand voor de kosten van de bewindvoering als een te kort schieten in de hiervoor nader aangeduide zin moet worden beschouwd. De rechtbank verwijst daartoe kortheidshalve naar de uitspraak van de kantonrechter te Nijmegen van 8 juli 2011 (ECLI:NL:RBARN:2011: BS7492). Er zijn door [gedaagde] geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat de tekortkomingen hem niet kunnen worden aangerekend, zodat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eisers] tengevolge van de tekortkomingen geleden schade.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat de schade van [eisers] als gevolg van het vroegtijdig stoppen met het voldoen van de hypotheekrente en de premie levensverzekering bestaat uit het verlies van de kans om de schade die zij door de executoriale verkoop van de woning hebben geleden te voorkomen.  De schade die  door de executoriale verkoop is geleden, bestaat, naar het oordeel van de rechtbank, uit de toename van de schulden met een bedrag van € 38.304,31 (zie 2.5.). De rechtbank acht niet aannemelijk gemaakt dat middels onderhandse verkoop ook een deel van de schulden zou zijn weg gewerkt. Dat zou immers alleen het geval zijn geweest indien de woning voor</para>
        <para> € 169.000, het bedrag waarvoor de woning sinds februari 2009 te koop stond, zou zijn verkocht. Dat is echter niet gelukt, zodat, mede in aanmerking genomen de slechte situatie op de woningmarkt, een substantiële verlaging van de verkoopprijs de enige mogelijkheid zou zijn geweest om de verkoopbaarheid van de woning te bevorderen. Gelet op de hoofdsom en de te verwachten afkoopwaarde van de levens- en beleggingsverzekering, alsmede de te maken kosten, gaat de rechtbank ervan uit dat bij een verkoopprijs van om en nabij € 153.000,00 de schuld niet verder zou zijn toegenomen. Onderhandse verkoop zou met zich mee hebben gebracht dat de levens- en beleggingsverzekering was afgekocht. De op dit punt gevorderde bedragen (€ 11.460,00 en € 22.793,90) kunnen dan ook reeds hierom niet als schade worden aangemerkt. De volgens [eisers] onnodig gemaakte verhuiskosten ad € 5.580,00 kunnen om dezelfde reden niet als schade worden aangemerkt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <para>Op grond van de financiële situatie zoals hiervoor in 3.12. weergegeven gaat de rechtbank er tevens van uit dat, indien [gedaagde] de hypotheekrente en de premie levensverzekering wel was blijven betalen en ook bijzondere bijstand had aangevraagd voor de kosten bewindvoerder, in november 2009 het moment zou zijn gekomen waarop er een negatief saldo zou zijn ontstaan. Op dat moment zou er dan een achterstand in het betalen van de hypotheekrente zijn geweest van om en nabij € 425,80 en een achterstand in de premie levensverzekering ad om en nabij € 3.746,54. De rechtbank acht het aannemelijk, mede in aanmerking genomen hetgeen de medewerker van Delta Lloyd, de heer [Y] heeft verklaard over het beleid van de bank met betrekking tot het overgaan tot executoriale verkoop, dat [eisers] ten minste zes maanden langer de tijd zou hebben gehad voor onderhandse verkoop. De rechtbank schat de kans dat onderhandse verkoop tegen een bedrag van € 153.000 binnen die tijd zou zijn gelukt, in aanmerking genomen de slechte situatie op de woningmarkt en het feit dat de netto opbrengst van de executieveiling slechts € 124.696,44 is geweest en niet de door de makelaar getaxeerde € 142.000, op 20%. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de schade van [eiser 1] wegens de vroegtijdige executoriale verkoop wordt begroot op € 7.660,86. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <para>De gevorderde kosten bewindvoering ad € 963,88 zijn eveneens toewijsbaar. De rechtbank kan [gedaagde] niet volgen in zijn verweer dat die schade niet toewijsbaar is, omdat [eisers] heeft verzuimd de schade te beperken door niet achteraf hiervoor bijzondere bijstand aan te vragen. Dat verweer had alleen kunnen opgaan, indien [gedaagde] aannemelijk had gemaakt dat een dergelijk verzoek achteraf zou zijn toegewezen. [eisers] heeft bij repliek nog aangevoerd dat ook voor de verhuiskosten bijzondere bijstand had moeten worden aangevraagd en dat [gedaagde] door dit na te laten aansprakelijk is voor de hierdoor ontstane schade. Zij hebben echter nagelaten  aan te geven of en zo ja welke kosten er in verband met de verhuizing zijn gemaakt en welk deel daarvan voor vergoeding in aanmerking zou zijn gekomen. Het op dit punt gevorderde is dan ook reeds hierom niet toewijsbaar. 	</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18.</nr>
      <para>De slotsom luidt dat de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is en dat bij wege van schadevergoeding toewijsbaar is een bedrag van € 8.624,74. [eisers] heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] niet aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke kosten hebben gemaakt, zodat het op dit punt gevorderde zal worden afgewezen. In aanmerking genomen dat het grootste deel van de vordering wordt afgewezen, is er niet meer sprake van een dusdanig restitutierisico dat de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad niet toewijsbaar is. Nu partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als hierna te melden. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart	 voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten is in de zorg van een goed </para>
      <para>bewindvoerder;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling van schadevergoeding tot een bedrag van € 8.624,74, te </para>
      <para>vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2011;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis tot hiertoe uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders gevorderde;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door W.M.Callemeijn en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>