<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2014:10518</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T12:03:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-12-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">3642327 CV EXPL 14-12635</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2014:10518">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2014:10518</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-02-10T15:10:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-02-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2014:10518 Rechtbank Limburg , 04-12-2014 / 3642327 CV EXPL 14-12635</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2014:10518:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>---</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2014:10518:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para>Burgerlijk recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 3642327 CV EXPL 14-12635</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 3 december 2014  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>
        <emphasis role="caps">, </emphasis>
      </para>
      <para>wonend te [adres 1],</para>
      <para>
        [woonplaats],</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>gemachtigde mr. K.J.C. van Bekkum</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de stichting <emphasis role="bold">STICHTING WONEN LIMBURG</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudend te Schinkelstraat 5,</para>
      <para>6411 LN Heerlen,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>gemachtigde M.R.J.A. van Kesteren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiser] en Wonen Limburg genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling op 3 december 2014.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ter zitting van 3 december 2014 is door de kantonrechter mondeling uitspraak gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op vordering van Wonen Limburg is (onder anderen) [eiser] bij vonnis van 5 november 2014 door de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, (onder meer) veroordeeld om binnen twee weken na betekening van dat vonnis de woning aan het adres [adres 1] te [woonplaats] te ontruimen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het vonnis is op 18 november 2014 aan [eiser] betekend, waarbij ontruiming van de woning is aangezegd op donderdag 4 december 2014 vanaf 9.00 uur.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft de woning tot op heden niet ontruimd.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert om bij vonnis - uitvoerbaar bij voorraad - Wonen Limburg te bevelen de ontruiming te verdagen tot uiterlijk 22 december 2014 en Wonen Limburg te veroordelen in de kosten van dit geding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Ter onderbouwing van de vordering voert [eiser] (samengevat) aan dat er door de ontruiming voor hem een noodsituatie zal ontstaan omdat hij dan dakloos zal worden. Een belangenafweging dient volgens [eiser] in zijn voordeel uit te vallen omdat hij per 22 december 2014 vervangende woonruimte heeft op het adres [adres 2].</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Het verweer van Wonen Limburg strekt tot afwijzing van de vordering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader ingegaan worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De kantonrechter stelt voorop dat [eiser] in deze procedure in beginsel geen inhoudelijke bezwaren kan maken tegen het vonnis van 5 november 2014. Daarvoor staat [eiser] immers een ander rechtsmiddel ter beschikking (hoger beroep). Dat is evenwel anders indien die bezwaren nopen tot het oordeel dat Wonen Limburg misbruik maakt van haar executiebevoegdheid. Van misbruik kan sprake zijn indien het vonnis van 5 november 2014 berust op een kennelijke juridische of feitelijke misslag of indien er na dat vonnis nieuwe feiten zijn voorgevallen of gebleken die klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor [eiser] in het geval de executie wordt doorgezet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Dat het vonnis berust op een kennelijke juridische of feitelijke misslag is gesteld noch gebleken. Ter zitting is door de gemachtigde van [eiser] juist gesteld dat het vonnis geen misslagen bevat en dat hij om die reden niet in hoger beroep zal gaan tegen dat vonnis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De gemachtigde van [eiser] heeft aangevoerd dat [eiser] op korte termijn geen onderdak kan vinden omdat hij daarvoor niet bij derden terecht kan en omdat de instanties die tijdelijke opvang kunnen verlenen een wachttijd van twee maanden hanteren. Anders dan de gemachtigde van [eiser] betoogd heeft, zijn dit geen “nieuwe feiten” als bedoeld in rechtsoverweging 4.1. Die feiten bestonden immers reeds ten tijde van het geding dat heeft geleid tot het vonnis van 5 november 2014. [eiser] had dit derhalve reeds in die procedure kunnen opwerpen om zodoende een langere ontruimingstermijn te bepleiten. De kantonrechter overweegt voorts dat [eiser] zich tijdig bij een noodopvang verlenende instantie had moeten inschrijven, hetgeen hij kennelijk niet gedaan heeft. Zelfs indien hij daartoe niet in staat geweest zou zijn, dient dat (in zijn rechtsverhouding tot Wonen Limburg) voor zijn rekening en risico te blijven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Vaststaat dat [eiser] geen gebruiksvergoeding voor het verblijf in de woning van Wonen Limburg betaalt. Door langer verblijf van [eiser] in de woning neemt de schade - gederfde huurinkomsten - voor Wonen Limburg dan ook toe. Bovendien is komen vast te staan dat omwonenden, die huurders van woonruimte van Wonen Limburg zijn, aanzienlijke stankoverlast ondervinden. Die stankoverlast wordt veroorzaakt door (in de woorden van Wonen Limburg) “talloze katten” die bij [eiser] in de woning verblijven. Derhalve kan niet gezegd worden dat Wonen Limburg geen belang heeft bij ontruiming van de woning waarin [eiser] zonder recht of titel verblijft. Van Wonen Limburg kan dan niet gevergd worden om [eiser] nog langer in de woning te laten verblijven. Bovendien bestaat er geen enkele zekerheid dat [eiser] per 22 december 2014 de woning vrijwillig zal verlaten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Gezien vorenstaande overwegingen wordt de vordering van [eiser] afgewezen en zal hij als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van Wonen Limburg tot op heden begroot op € 200,00 salaris gemachtigde.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de vordering af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van Wonen Limburg tot op heden begroot op € 200,00.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr W.E. Elzinga en is in het openbaar uitgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>