<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLEE:2012:CA2297</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-06-03T18:11:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">CA2297</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-11-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB LEE 11_932</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLEE:2012:CA2297">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLEE:2012:CA2297</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-06-22T17:20:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-06-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLEE:2012:CA2297 Rechtbank Leeuwarden , 29-11-2012 / AWB LEE 11_932</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLEE:2012:CA2297:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>projectbesluit groepsaccommodatie en theehuis - ruimtelijke onderbouwing</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLEE:2012:CA2297:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK LEEUWARDEN</para>
      <para>Sector bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>zaaknummer: AWB 11/932 </para>
    <para />
    <para>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2012 in de zaak tussen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiseres] en tien anderen, allen te [woonplaats], eisers</para>
      <para>(gemachtigde: mr. D.M. de Bruin, advocaat te Baarn),</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: G. van der Veer, werkzaam bij de gemeente Heerenveen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Procesverloop</para>
    <para />
    <para>In de vergadering van 15 maart 2011 heeft verweerder besloten het projectbesluit "[naam projectbesluit]" vast te stellen. </para>
    <para />
    <para>Eisers hebben per brief van 21 april 2011 beroep ingesteld tegen de beslissing van 15 maart 2011.</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 19 juli 2011 heeft verweerder het projectbesluit "[naam projectbesluit]" (hierna: het projectbesluit) genomen, onder gelijktijdige verlening van een bouwvergunning aan [X] (hierna: de vergunninghouder). </para>
    <para />
    <para>Eisers hebben per brief van 25 augustus 2011 beroep ingesteld tegen het besluit van 19 juli 2011. </para>
    <para />
    <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2012. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. [eiseres] heeft zich daarnaast laten vertegenwoordigen door [namen vertegenwoordigers]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    <para />
    <para>Overwegingen</para>
    <para />
    <para>1.   De rechtbank is van oordeel dat het beroep ingesteld per brief van 21 april 2011 niet-ontvankelijk is. Voor zover de beslissing van 15 maart 2011 al kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geldt dat op grond van artikel 46, zesde lid, van de Woningwet de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning en een beslissing omtrent een aanvraag om een projectbesluit, voor zover deze beslissing ziet op het bouwen waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, voor de mogelijkheid van beroep ingevolge artikel 8 van de Awb als één besluit worden aangemerkt. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat de wetgever met deze bepaling een concentratie van rechtsbescherming heeft beoogd ter voorkoming van herhaalde procedures over hetzelfde bouwplan. Indien een projectbesluit is vereist om een bouwvergunning te kunnen verlenen, kan daarom tegen een zodanig besluit eerst worden opgekomen in het kader van de beslissing op een voor het desbetreffende project ingediende aanvraag om verlening van een bouwvergunning. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de ABRvS van 19 oktober 2011 (LJN BT8559). Ten tijde van het indienen van het beroepschrift van 21 april 2011 was nog geen beslissing genomen op de voor het project aangevraagde bouwvergunning en kon daarom ook nog geen beroep worden ingesteld tegen het projectbesluit (voor zover dit al was genomen).</para>
    <para />
    <para>2.   De rechtbank is van oordeel dat het beroep ingesteld per brief van 25 augustus 2011 wel ontvankelijk is. Dit beroep richt zich zowel tegen het projectbesluit als tegen de bouwvergunning. Het projectbesluit en de bouwvergunning zullen hierna tezamen worden aangeduid als het bestreden besluit. </para>
    <para />
    <para>3.   De vergunninghouder exploiteert op het perceel [adres] (hierna: het perceel) camping "[naam camping]" (hierna: de camping). Op de camping staan acht chalets en zijn 29 standplaatsen. Daarnaast bevinden zich in de voormalige boerderij onder meer een zwembad en een sportaccommodatie. Voor de sportaccommodatie is vrijstelling verleend van het (voorgaande) bestemmingsplan. </para>
    <para />
    <para>4.   Het bouwplan voorziet in het veranderen van de sportaccommodatie in een groepsaccommodatie, het oprichten van een theehuis, een stookruimte en een silo en het plaatsen van een tuinscherm. De groepsaccommodatie zal plaats bieden aan ongeveer 50 personen. Het theehuis zal, inclusief het terras, een oppervlakte hebben van ongeveer 130 m² en zal eveneens plaats bieden aan ongeveer 50 personen. De stookruimte is bedoeld voor de verwarming van het theehuis en de groepsaccommodatie. De silo heeft een hoogte van 6,5 meter en is bedoeld voor het opslaan van houtsnippers voor de stookruimte. </para>
    <para />
    <para>5.   Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan buitengebied 2007" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel de bestemming "verblijfsrecreatieve doeleinden 2" met de aanduiding "stacaravans toegestaan".</para>
    <para />
    <para>6.   Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat een theehuis en een groepsaccommodatie met bijbehorende stookruimte en silo niet passen binnen de bestemming "verblijfsrecreatieve doeleinden 2". </para>
    <para />
    <para>7.   Bij het bestreden besluit heeft verweerder met toepassing van artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) het projectbesluit genomen, onder gelijktijdige verlening van een bouwvergunning aan de vergunninghouder. Ter zitting van 5 september 2012 is gebleken dat verweerder zowel het projectbesluit als de bouwvergunning heeft voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. </para>
    <para />
    <para>8.   De rechtbank stelt voorop dat dit geding enkel betrekking heeft op de ruimtelijke ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt door het bestreden besluit. Deze ontwikkelingen zijn hiervoor onder 4 beschreven. Het geding heeft geen betrekking op een eventuele latere uitbreiding van de camping. Daarvoor zal een afzonderlijke omgevingsvergunning moeten worden aangevraagd, die kan worden bestreden in een afzonderlijke procedure. Voor zover eisers in deze procedure gronden hebben aangevoerd die (mede) zijn gericht tegen de (mogelijke) uitbreiding van de camping vallen deze buiten de omvang van dit geding en zal de rechtbank niet op deze gronden ingaan. </para>
    <para />
    <para>9.1   Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat het projectbesluit onvoldoende concreet is, omdat geen sprake is van een concreet bouwplan. Daartoe hebben zij aangevoerd dat niet duidelijk is waar de bouwwerken geplaatst zullen worden en waar de beoogde activiteiten exact zullen gaan plaatsvinden. Dit is niet aangegeven op de bij het projectbesluit gevoegde kaart. Verder is niet aangegeven wat onder een theehuis en een groepsaccommodatie wordt verstaan en welke activiteiten daarin zijn toegestaan. Volgens eisers valt een theehuis onder horeca en is het daarom van belang dat wordt geregeld wanneer de horecagelegenheid open mag zijn, hoeveel bezoekers er worden verwacht, welke parkeergelegenheid er is en hoe het terras wordt gesitueerd. Eisers hebben verwezen naar een uitspraak van de ABRvS van 1 september 2010 (LJN BN5752).</para>
    <para />
    <para>9.2   De rechtbank is van oordeel dat het project waarvoor het projectbesluit is verleend voldoende concreet is, aangezien het projectbesluit is genomen om de verwezenlijking van een concrete bouwaanvraag mogelijk te maken. De uitspraak van de ABRvS van 1 september 2010 kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat in dat geval geen bouwaanvraag ten behoeve van een concreet bouwplan was ingediend. De in het bestreden besluit voorkomende termen theehuis en groepsaccommodatie zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet. Van een onbepaalde horecabestemming is dan ook geen sprake. Het bestreden besluit maakt niet mogelijk dat op het perceel (bijvoorbeeld) een discotheek wordt gevestigd, zoals eisers vrezen. Ook is op grond van de bouwtekeningen en de bij het projectbesluit gevoegde tekening duidelijk op welke plek het theehuis, het terras, de stookruimte en de silo gerealiseerd zullen worden. Verweerder was niet gehouden in het bestreden besluit voorschriften op te nemen over de openingstijden en het aantal bezoekers. Dergelijke kwesties kunnen worden geregeld in een vergunning op grond van de Drank- en horecawet (horecavergunning) en/of de algemene plaatselijke verordening (exploitatievergunning). Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.</para>
    <para />
    <para>10.   Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat het projectbesluit niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Zij hebben in dat kader een groot aantal aspecten van de ruimtelijke onderbouwing ter discussie gesteld. De rechtbank zal deze aspecten hierna ieder afzonderlijk bespreken. </para>
    <para />
    <para>11.   Voorafgaande aan deze bespreking overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak van de ABRvS geldt dat aan de ruimtelijke onderbouwing van een project hogere eisen worden gesteld, naarmate de inbreuk van dat project op het geldende planologische regime groter is. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar een uitspraak van de ABRvS van 19 januari 2011 (LJN BP1314). De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een grote inbreuk op het ter plaatse geldende planologische regime. Daartoe overweegt de rechtbank dat het perceel een recreatieve bestemming heeft en het project daarbij aansluit. Het recreatieterrein zal ten gevolge van het project niet worden uitgebreid. Zoals de rechtbank al eerder heeft overwogen, valt de mogelijke uitbreiding van de camping buiten dit project. Het realiseren van een groepsaccommodatie zal weliswaar leiden tot een toename van het aantal overnachtingsplaatsen, maar deze toename is naar het oordeel van de rechtbank niet zo groot dat moet worden gesproken van een grote inbreuk op het ter plaatse geldende planologische regime. Ook het theehuis leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een grote inbreuk op het geldende regime. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het theehuis aansluit bij de recreatieve bestemming en dat het bestemmingsplan een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kent op grond waarvan toestemming kan worden verleend voor een kleinschalig consumptieverkooppunt, zoals een theehuis. Het in het project voorziene theehuis is weliswaar groter dan op grond van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kan worden toegestaan, maar niet zo groot dat sprake is van een grote inbreuk op het geldende regime. Ook de stookruimte en de silo leiden naar het oordeel van de rechtbank niet tot een grote inbreuk op het planologische regime.</para>
    <para />
    <para>12.1   Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de economische uitvoerbaarheid van het project. Zij hebben aangevoerd dat de aanvrager geen deugdelijk exploitatieplan heeft ingediend en verweerder ten onrechte niet heeft gekeken naar de (kosten van de) uiteindelijke exploitatie. Volgens eisers zal het bouwplan alleen rendabel zijn wanneer het gehele uitbreidingsplan inclusief de grote uitbreiding van de camping zal zijn gerealiseerd. Eisers vragen zich af waar de klandizie voor het theehuis vandaan moet komen en waartoe de silo dient. Volgens eisers hoort een dergelijke silo met een hoogte van 6,5 meter thuis op een agrarisch bedrijf en niet op een camping. Het op te richten theehuis is volgens eisers veel te groot voor het geringe aantal klanten van het huidige provisorische theehuis van de camping. Volgens eisers zijn er weinig klanten en is er dus kennelijk geen behoefte aan een theehuis.</para>
    <para />
    <para>12.2   De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het project economisch niet uitvoerbaar is, noch voor het oordeel dat verweerder dit nader had moeten onderzoeken. De rechtbank ziet op voorhand geen reden om aan te nemen dat het theehuis, de groepsaccommodatie, de stookruimte en de silo niet exploitabel zijn indien de camping niet wordt uitgebreid. Daarbij acht de rechtbank van belang dat sprake is van een particulier initiatief en het bouwplan betrekking heeft op een uitbreiding van een bestaand recreatiebedrijf. Verder acht de rechtbank van belang dat in de omgeving van het perceel weliswaar enkele horecagelegenheden aanwezig zijn, maar dat zich daaronder geen theehuis bevindt. Voorts geldt dat het theehuis niet alleen is bedoeld voor gasten van de camping (en de groepsaccommodatie), maar ook voor fietsers en wandelaars en dat het perceel is gelegen aan een fietsroute. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.</para>
    <para />
    <para>13.1   Eisers hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het projectbesluit. Zij wijzen erop dat een grote groep van direct omwonenden tegenstander is van dit grootschalige project. Verweerder heeft weliswaar verwezen naar een positieve beoordeling vanuit Plaatselijk Belang, maar hij heeft dit niet met stukken onderbouwd zodat daar geen belang aan mag worden gehecht.</para>
    <para />
    <para>13.2   De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het project maatschappelijk niet uitvoerbaar is, noch voor het oordeel dat verweerder dit nader had moeten onderzoeken. De omstandigheid dat meerdere direct omwonenden het niet eens zijn met het bouwplan, betekent niet dat het bouwplan maatschappelijk niet uitvoerbaar is. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan verweerders mededeling dat Plaatselijk Belang het bouwplan positief heeft beoordeeld. Verder acht de rechtbank ook in dit kader van belang dat op het perceel al een recreatiebedrijf aanwezig is en de omvang van het recreatieterrein door het bouwplan niet wordt uitgebreid. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.</para>
    <para />
    <para>14.1   Eisers hebben aangevoerd dat een stedenbouwkundig advies en een stedenbouwkundige visie ontbreken.</para>
    <para />
    <para>14.2   De rechtbank is van oordeel dat een stedenbouwkundig advies en een stedenbouwkundige visie in een geval als het onderhavige niet vereist zijn en dat het ontbreken daarvan daarom niet kan leiden tot de conclusie dat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.</para>
    <para />
    <para>15.1   Eisers hebben aangevoerd dat verweerder geen beleid heeft voor (grootschalige) projecten als het onderhavige. Volgens eisers is de "Kadernota kampeerbeleid gemeente Heerenveen" (hierna: de kadernota) niet van toepassing, omdat geen sprake is van een kleinschalig kampeerbedrijf. </para>
    <para />
    <para>15.2   Het beleid van de gemeente Heerenveen met betrekking tot kampeerterreinen is neergelegd in de kadernota. In de kadernota wordt onderscheid gemaakt tussen kleinschalige kampeerterreinen en reguliere kampeerterreinen. Vast staat dat in dit geval geen sprake is van een kleinschalig kampeerterrein in de zin van de kadernota, omdat op de camping meer dan 25 standplaatsen voor kampeermiddelen aanwezig zijn. Dit betekent echter niet dat de kadernota in dit geval niet van toepassing is. Een deel van de kadernota heeft enkel betrekking op kleinschalige kampeerterreinen (paragraaf 3.4). Een ander deel, waaronder paragraaf 3.2 ("Algemene visie op kamperen"), heeft daarentegen betrekking op alle kampeerterreinen en dus ook op de camping op het perceel. </para>
    <para />
    <para>15.3   In paragraaf 3.2 is het uitgangspunt neergelegd dat de gemeente Heerenveen de aanwezigheid van een kwalitatief goed en divers aanbod aan overnachtingsmogelijkheden van belang acht en initiatieven om kampeerbedrijven uit te breiden of een kwaliteitsverbetering door te voeren in beginsel positief bejegent. Verder is daarin het beleid neergelegd dat de gemeente het ondernemers mogelijk wil maken om "recreatieve nevenactiviteiten" te ontplooien, waarbij kan worden gedacht aan kleinschalige horeca zoals een theetuin. </para>
    <para />
    <para>15.4   De rechtbank is van oordeel dat het project past binnen dit beleid. Het theehuis kan worden aangemerkt als een recreatieve nevenactiviteit in de zin van de kadernota. Ten aanzien van de groepsaccommodatie geldt dat in de kadernota is bepaald dat deze zich uitsluitend richt op kamperen en in beginsel niet op verblijfsrecreatie in (onder meer) groepsaccommodaties. Daaraan is echter toegevoegd dat daar waar een combinatie van een groepsaccommodatie en kamperen aan de orde is, dit wel in de kadernota zal worden meegenomen. Gelet op deze toevoeging is de rechtbank van oordeel dat het realiseren van de groepsaccommodatie kan worden aangemerkt als een kwaliteitsverbetering van het kampeerterrein. Door het realiseren van de groepsaccommodatie wordt een kwalitatief goed en divers aanbod aan overnachtingsmogelijkheden bevorderd. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.</para>
    <para />
    <para>16.1   Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat het project in strijd is met het provinciale beleid, neergelegd in het Streekplan Zuidoost-Fryslân 2007 (hierna: het streekplan). Daartoe hebben zij aangevoerd dat in het streekplan is bepaald dat er slechts ruimte is voor recreatieve ontwikkelingen binnen de landschappelijke kernkwaliteiten van het gebied en dat daarbij als uitgangspunt geldt dat de kernkwaliteiten per landschapstype richtinggevend zijn voor de verdere ruimtelijke ontwikkelingen. Een kernkwaliteit van het gebied is volgens het streekplan de daarin aanwezige overwegend open, brede beekdalen. Volgens eisers past het project niet binnen deze kernkwaliteit. Verder is in het streekplan bepaald dat intensieve vormen van dag- en verblijfsrecreatie niet op hun plaats zijn binnen de ecologische hoofdstructuur (EHS) en dat nieuwe ruimtelijke plannen in of in de nabijheid van de EHS op grond van (inter)nationale regelgeving niet zijn toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Volgens eisers heeft verweerder dit ten onrechte niet onderzocht. Verder heeft verweerder zijn standpunt dat het projectbesluit past binnen het provinciale beleid voor recreatie en toerisme volgens eisers onvoldoende gemotiveerd. De enkele opmerking dat het provinciaal beleid uitgaat van kwaliteitsverbetering is daartoe volgens eisers onvoldoende.</para>
    <para />
    <para>16.3   Het project bevindt zich niet in de EHS Tjongervallei, maar wel in de nabijheid daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het project geen inbreuk op de kernkwaliteit van de overwegend open, brede beekdalen en worden de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied door het project niet significant aangetast. Verweerder heeft daarbij terecht van belang geacht dat de impact op de landschappelijke en natuurlijke waarden gering is, omdat het enkel gaat om een uitbreiding van functies binnen een bestaand recreatieterrein en de omvang van dit terrein ten gevolge van het project niet toeneemt. Daarbij is mede van belang dat de nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd in de directe nabijheid van de bestaande bebouwing en de omvang van de nieuwe bebouwing relatief gering is.</para>
    <para />
    <para>16.4   Volgens hoofdstuk 2.5 (recreatie &amp; toerisme), paragraaf 2.5.2 (ruimtelijke condities voor kwaliteitsverbetering), van het streekplan streeft de provincie naar kwaliteitsverbetering van recreatieve voorzieningen en bevordert zij dat de mogelijkheden van recreatie en toerisme als (nieuw) sociaal-economische drager ten volle worden benut. Kwaliteitsverbetering vraagt in een aantal gevallen om meer ruimte, zowel voor bestaande als nieuwe voorzieningen, welke in het streekplan wordt geboden. Verder staat in het streekplan dat nieuwe en intensieve recreatieve voorzieningen primair worden geconcentreerd in de stedelijke en regionale centra en de recreatiekernen. Naar aard en schaal passende recreatieve initiatieven -zoals een kleine jachthaven, kleinschalige logiesaccommodaties, dorpslogementen, een horeca-uitspanning met speeltuin, een kleinschalige passantencamping en kleinschalig kamperen - zijn ook buiten de kernen mogelijk. Bij verblijfsrecreatie legt de provincie het accent op verbetering van de kwaliteit van het bestaande aanbod. De provincie ziet daarbij ruimte voor uitbreiding van bestaande recreatieve bedrijven en voor nieuwe initiatieven tot en met het middelgrote segment. Bij kampeerterreinen is ruimte tot in ieder geval 200 standplaatsen, bij recreatiebungalow- en appartementencomplexen tot in ieder geval 50 verblijfseenheden. Nieuwe initiatieven zijn mogelijk bij stedelijke en regionale centra en recreatiekernen; uitbreiding van bestaande voorzieningen is ook daarbuiten mogelijk. In alle gevallen vraagt de provincie om een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing. </para>
    <para />
    <para>16.5   Naar het oordeel van de rechtbank is het project niet in strijd met het hiervoor weergegeven provinciale beleid voor recreatie en toerisme. Dit beleid is onder meer gericht op het concentreren van recreatieve voorzieningen in de stedelijke en regionale centra en een aantal met name genoemde recreatiekernen. Het perceel is niet gelegen in een stedelijk of regionaal centrum en ook niet in een recreatiekern. Dit betekent echter niet dat het project in strijd is met het provinciale beleid. In het beleid is namelijk uitdrukkelijk overwogen dat uitbreiding van bestaande voorzieningen (anders dan nieuwe initiatieven) op het gebied van verblijfsrecreatie ook mogelijk is buiten deze centra en kernen, mits sprake is van een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een nieuw initiatief, maar van een uitbreiding van een bestaande voorziening. Daartoe overweegt zij dat de groepsaccommodatie niet los kan worden gezien van de bestaande camping. Na de uitbreiding behoort de voorziening naar het oordeel van de rechtbank tot het middelgrote segment. Het theehuis kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een naar aard en omvang passende horeca-uitspanning.</para>
    <para />
    <para>16.6   Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het project niet in strijd is met het streekplan. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.</para>
    <para />
    <para>17.1   Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 6.1.1 van de Verordening Romte Fryslân (hierna: de verordening). Volgens eisers heeft verweerder de afwijking van het in het eerste lid van dit artikel neergelegde principe van concentratie van recreatieve voorzieningen onvoldoende onderbouwd.</para>
    <para />
    <para>17.2   Op grond van artikel 6.1.1, eerste lid, van de verordening kan in een ruimtelijk plan een nieuwe of uitbreiding van een bestaande recreatieve voorziening uitsluitend worden toegestaan in of aansluitend op een stedelijk centrum, een regionaal centrum of een recreatiekern. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vierde lid kan, in afwijking van het eerste lid, buiten een stedelijk centrum, regionaal centrum of recreatiekern:</para>
      <para>a. een bestaand kampeerterrein worden uitgebreid tot maximaal 200 standplaatsen;</para>
      <para>b. een bestaand complex van recreatiewoningen worden uitgebreid tot maximaal 50 recreatiewoningen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Op grond van het vijfde lid dient in gevallen als genoemd in het vierde lid in de plantoelichting te worden onderbouwd dat de uitbreiding of nieuwvestiging landschappelijk, milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving, en dat de uitbreiding of nieuwvestiging noodzakelijk is om aan te sluiten op de behoeften van recreanten.</para>
    <para />
    <para>17.3   De rechtbank stelt vast dat de eisen die in de verordening worden gesteld aan (de motivering van) een uitbreiding van een bestaande recreatieve voorziening buiten een stedelijk of regionaal centrum of een recreatiekern verder gaan de eisen die daaraan worden gesteld in het provinciale beleid voor recreatie en toerisme, neergelegd in het streekplan.</para>
    <para />
    <para>17.4   De rechtbank is van oordeel dat de strengere eisen die zijn neergelegd in de verordening in dit geval niet gelden. Daartoe overweegt de rechtbank dat de bepalingen van deze verordening op grond van artikel 12.2.2 niet van toepassing zijn op bouw- en gebruiksmogelijkheden die zijn opgenomen in een ruimtelijk plan dat vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening formeel in ontwerp ter inzage is gelegd volgens de daarvoor geldende wettelijke procedures. Het ontwerp van het projectbesluit is ter inzage gelegd vóór de datum van inwerkingtreding van de verordening, zodat de verordening daarop niet van toepassing is. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.</para>
    <para />
    <para>18.1   Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat het project in strijd is met de Integrale Visie Heerenveen / Skarsterlân "Ruimte voor de Toekomst" uit 2005 (hierna: de integrale visie). Daartoe hebben zij aangevoerd dat volgens de integrale visie bij de toekomstige inrichting van het weidegebied rekening moet worden gehouden met de soortenrijkdom van de weidevogels. Verweerder heeft hier onvoldoende onderzoek naar gedaan. Ook had volgens eisers moeten worden onderzocht in hoeverre het project een negatieve uitstraling zal of kan hebben op de naastgelegen EHS.</para>
    <para />
    <para>18.2   De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat het project een negatieve invloed zal hebben op de soortenrijkdom van de weidevogels. Ook acht de rechtbank niet aannemelijk dat het project een negatieve uitstraling zal hebben op de EHS. Daarom bestond er ook geen aanleiding om hier nader onderzoek naar te doen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de bouwplannen zijn geprojecteerd binnen het bestaande recreatieterrein in de directe nabijheid van de bestaande bebouwing. Het recreatieterrein zal ten gevolge van het project niet worden uitgebreid. Daarom zal de impact op de bestaande omgeving gering zijn. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.</para>
    <para />
    <para>19.1   Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de milieuhygiënische gevolgen van het project, waaronder mogelijke geluids-, rook- en stankoverlast. Daartoe hebben zij aangevoerd dat op grond van de VNG brochure Bedrijven en Milieuzonering in een geval als het onderhavige een afstand tot de omliggende woningen zou moeten worden aangehouden van ten minste 100 meter. De woning aan de [adres woning] staat echter op een afstand van minder dan 100 meter van de recreatieve bestemming. Doordat geen (geluids)onderzoek is gedaan, is volgens eisers niet veiliggesteld dat na realisering van het bestreden besluit sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Ook is volgens eisers niet voldaan aan de in het Milieubeleidsplan van de gemeente Heerenveen 2008 (hierna: het milieubeleidsplan) gestelde geur- en geluidsnormen.</para>
    <para />
    <para>19.2   Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de milieuhygiënische gevolgen van het project geen aanleiding geven om daaraan geen medewerking te verlenen. Verweerder heeft erop gewezen dat voor de houtgestookte kachel met een vermogen van meer dan 20 kilowatt, die in de stookruimte zal worden geplaatst, een milieuvergunning is vereist en deze ook is aangevraagd. In de milieuvergunning zullen emissie-eisen worden opgenomen. Verder heeft hij erop gewezen dat wordt gestookt met houtpellets, die een hogere energiewaarde hebben dan een blok hout, waardoor sprake is van een hoog rendement. Verder is door de goede verbranding de fijnstof-uitstoot nihil. Ook wijst verweerder erop dat het Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer van toepassing is, waarin de keuring en het onderhoud van de installatie zijn gewaarborgd. Verder wijst verweerder erop dat de afstand tussen de kachel en de dichtstbijzijnde woning 110 meter bedraagt. Daarom zal er volgens verweerder geen sprake zijn van onevenredige overlast. Voorts wijst verweerder erop dat bij een verkennend milieukundig bodemonderzoek is vastgesteld dat het bouwterrein geschikt is voor het beoogde gebruik.</para>
    <para />
    <para>19.3   Mede gelet op de door verweerder gegeven motivering acht de rechtbank aannemelijk dat het project niet zal leiden tot een zodanige toename van geluids-, rook- of stankoverlast dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet langer kan worden gegarandeerd. Strijd met het milieubeleidsplan valt niet te verwachten. Ook is geen sprake van strijd met de in de VNG brochure opgenomen richtafstanden. In dit kader acht de rechtbank met name van belang dat de afstand tussen de dichtstbijzijnde woning en de stookruimte ongeveer 110 meter zal bedragen. De afstand tussen het theehuis en de dichtstbijzijnde woning zal zelfs nog groter zijn. Nader onderzoek naar de milieuhygiënische gevolgen van het project acht de rechtbank daarom niet nodig. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.</para>
    <para />
    <para>20.1   Eisers hebben aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de verkeersaantrekkende werking van het project en de belemmeringen die dit mogelijk zal opleveren voor de verkeersafwikkeling op de Oldeberkoperweg. Ook heeft verweerder volgens eisers onvoldoende onderzocht of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.</para>
    <para />
    <para>20.2   Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in het plan wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en dat de extra verkeersbewegingen ten gevolge van het bouwplan geen belemmeringen zullen opleveren voor de verkeersafwikkeling. Volgens verweerder is op het perceel voldoende ruimte om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Volgens de berekeningen van verweerders verkeerskundige zijn minimaal 14 parkeerplaatsen vereist en maximaal 29. In het plan wordt voorzien in de aanleg van 27 parkeerplaatsen. Daarnaast is bij de groepsaccommodatie gelegenheid om te parkeren. Verder wijst verweerder erop dat de Oldeberkoperweg een doorgaande verkeersroute is, waardoor de extra verkeersbewegingen geen belemmeringen zullen opleveren voor de verkeersafwikkeling. </para>
    <para />
    <para>20.3   De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in voldoende parkeergelegenheid voorziet. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de 27 voorziene parkeerplaatsen en de parkeergelegenheid bij de groepsaccommodatie daartoe onvoldoende zijn. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat het theehuis met name is gericht op fietsers en wandelaars. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft kunnen achten dat de mogelijke verkeerstoename ten gevolge van het bouwplan niet zo groot zal zijn dat dit zal leiden tot onaanvaardbare consequenties voor de verkeersafwikkeling. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het gaat om een relatief kleinschalig project en de Oldeberkoperweg een doorgaande weg is. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.</para>
    <para />
    <para>21.1   Eisers hebben aangevoerd dat verweerder geen dan wel onvoldoende archeologisch onderzoek heeft gedaan. </para>
    <para />
    <para>21.2   Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat archeologisch onderzoek niet is vereist, omdat het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de bebouwing van circa 200 m² (inclusief overstek en silo), terwijl volgens de cultuurhistorische kaarten uit het provinciale systeem "Famke" pas bij ingrepen vanaf 2.500/5.000 m² karterend (boor)onderzoek moet worden uitgevoerd. Verweerder acht archeologisch onderzoek ook niet noodzakelijk, omdat een plaatselijke archeoloog heeft verklaard dat in het gebied geen archeologisch waardevolle zaken te vinden zijn, het project een beperkte omvang heeft en het project wordt uitgevoerd binnen het bestaande recreatieterrein en in de directe nabijheid van de bestaande bebouwing.</para>
    <para />
    <para>21.3   Gelet op verweerders motivering ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende archeologisch onderzoek heeft verricht. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.</para>
    <para />
    <para>22.1   Eisers hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet is vereist. Zij hebben er in dat kader op gewezen dat in het gebied reeën, dassen en ooievaars voorkomen.</para>
    <para />
    <para>22.2   Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in alle redelijkheid te verwachten valt dat het bouwplan geen nadelige gevolgen zal hebben voor de flora en fauna en dus geen ontheffing nodig is. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de bouwplannen zijn geprojecteerd binnen het bestaande recreatieterrein in de directe nabijheid van de bestaande bebouwing. Verder is deels sprake van een inpandige verbouwing. Daarom zal de impact op de bestaande omgeving volgens verweerder gering zijn.</para>
    <para />
    <para>22.3   De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in redelijkheid niet te verwachten valt dat het bouwplan nadelige gevolgen zal hebben voor de flora- en fauna in de omgeving van het perceel en dat daarom geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat op voorhand duidelijk is dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. De rechtbank sluit zich aan bij de door verweerder gegeven motivering. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.</para>
    <para />
    <para>23.1   Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder de keuze van de bestemmingen in het projectbesluit onvoldoende heeft verantwoord. In dat kader hebben zij aangevoerd dat de komst van het theehuis ertoe leidt dat op het perceel horeca wordt toegestaan, hetgeen kan leiden tot een onevenredige aantasting van hun belangen. Volgens eisers heeft verweerder dit onvoldoende onderzocht.</para>
    <para />
    <para>23.2   De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot de keuze van de bestemmingen in het projectbesluit en dat verweerder deze keuze voldoende heeft gemotiveerd. Het theehuis en de groepsaccommodatie sluiten aan bij de recreatieve bestemming van het perceel en passen binnen het gemeentelijke beleid. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is de vrees van eisers dat het theehuis zich zal ontwikkelen tot (bijvoorbeeld) een disco, ongegrond. Verder acht de rechtbank in dit kader van belang dat de afstand tussen het theehuis en de dichtstbijzijnde woning ongeveer 140 meter zal bedragen. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.</para>
    <para />
    <para>24.1   Eisers hebben aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de woonsituatie van derden en de bedrijfssituatie van derden. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met hun belangen en de belangen van andere omwonenden. Eisers vrezen dat zij ten gevolge van het project overlast zullen ondervinden. [eiseres] heeft aangevoerd dat zij op haar adres [adres eiseres] trainingen geeft, waarbij zij ook de tuin gebruikt om zich in stilte terug te kunnen trekken. </para>
    <para />
    <para>24.2   De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de woon- en bedrijfssituatie van eisers en andere omwonenden. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het project geen onevenredige nadelige gevolgen voor derden zal hebben. Hierbij is opnieuw van belang dat het project voorziet in een uitbreiding van (de functies van) een al bestaande recreatieve voorziening en de omvang van het recreatieterrein niet zal toenemen. Verder is van belang dat de afstand van het theehuis, de groepsaccommodatie, de stookruimte en de silo tot de dichtstbijzijnde woning meer dan 110 meter is. De afstand tot het perceel [adres eiseres] is zelfs nog veel groter. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.</para>
    <para />
    <para>25.   Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep ingesteld per brief van 25 augustus 2011 ongegrond is.</para>
    <para />
    <para>26.   Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <para>Beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
      <para>- verklaart het beroep ingesteld per brief van 21 april 2011 niet-ontvankelijk;</para>
      <para>- verklaart het beroep ingesteld per brief van 25 augustus 2011 ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2012.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. rechter</para>
      <para>w.g. griffier</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Rechtsmiddel</para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>