<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLEE:2010:BM1262</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-13T15:08:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBLEE:2010:886</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BM1262</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-03-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">08/819, 08/2620, 08/2651 en 08/2652</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2011:BQ7473" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#meerdere afhandelingswijzen">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BQ7473, Meerdere afhandelingswijzen</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLEE:2010:BM1262">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLEE:2010:BM1262</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:15:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLEE:2010:BM1262 Rechtbank Leeuwarden , 18-03-2010 / 08/819, 08/2620, 08/2651 en 08/2652</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLEE:2010:BM1262:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bouwvergunning en vrijstelling voor jachthaven. De rechtbank is van oordeel dat het plan in strijd is met het streekplan en de VNG-brochure opgenomen richtafstanden en dat onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van dit streekplan en deze richtafstanden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLEE:2010:BM1262:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK LEEUWARDEN</para>
      <para>Sector bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Procedurenummers: AWB 08/819, 08/2620, 08/2651 en 08/2652</para>
    <para />
    <para>uitspraak van 18 maart 2010 van de meervoudige kamer als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
    <para />
    <para>inzake de gedingen tussen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. [eisers sub 1],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eisers sub 1,</para>
      <para>gemachtigde: mr. S.A.B. Boer, advocaat te Amsterdam, </para>
      <para>2. [eisers sub 2],</para>
      <para>allen wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eisers sub 2, </para>
      <para>gemachtigde: mr. E. Wiarda, werkzaam bij Langhout &amp; Wiarda Juristen Rentmeesters te Oranjewoud,</para>
      <para>en</para>
      <para>3. [eiseres sub 3],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eiseres sub 3,</para>
      <para>gezamenlijk te noemen: eisers,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Skarsterlân,</para>
      <para>verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: P.J.H. Karseboom en P. van der Meulen, beiden werkzaam bij verweerders gemeente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Procesverloop</para>
      <para>Bij besluit van 23 november 2007 heeft verweerder aan [de vergunninghouder] vrijstelling van het bestemmingsplan op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en een bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een jachthaven op [het perceel] (hierna: het perceel). </para>
      <para>Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt. </para>
      <para>Op 21 april 2008 hebben eisers sub 1 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun bezwaarschrift. Bij uitspraak van 17 juli 2008 (registratienummer 08/819) heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak alsnog een beslissing op het bezwaarschrift neemt. </para>
      <para>Op 28 augustus 2008 hebben eisers sub 1 opnieuw beroep ingesteld tegen de weigering van verweerder om tijdig op hun bezwaarschrift te beslissen (hierna: de fictieve weigering). Dit beroep is (per abuis) wederom geregistreerd onder nummer 08/819. </para>
      <para>Bij besluit van 22 september 2008 heeft verweerder de tegen het besluit van 23 november 2007 door eisers gemaakte bezwaren gegrond verklaard en dit besluit herroepen. </para>
      <para>Bij besluit van 15 oktober 2008 heeft verweerder vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO en een bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de jachthaven op het perceel. </para>
      <para>Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Deze zaken zijn geregistreerd onder de registratienummers 08/2620, 08/2651 en 08/2652. </para>
      <para>De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, gehouden op 19 november 2009. Verschenen zijn [eiser sub 1], bijgestaan door zijn gemachtigde, [eiser sub 2], mr. E. Wiarda en [eiseres sub 3]. Voor verweerder zijn bovengenoemde gemachtigden verschenen. Voorts is verschenen [de vergunninghouder], die op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb aan de gedingen deelneemt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Motivering</para>
      <para>Feiten</para>
      <para>1.1     Op 13 juni 2007 heeft [de vergunninghouder] (hierna: de vergunninghouder) een reguliere bouwvergunning aangevraagd voor het uitbreiden van de jachthaven op het perceel naar circa 1288 m². Het plan behelst de uitbreiding van het aantal ligplaatsen van 25 naar 55 en daarnaast wordt de buitenopslag van boten uitgebreid en (deels) gelegaliseerd. </para>
      <para>1.2     Bij besluit van 23 november 2007 heeft verweerder onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO en ontheffing als bedoeld in artikel 2.1.5, tweede lid, van de Bouwverordening van de gemeente Skarsterlân (hierna: de bouwverordening) de gevraagde bouwvergunning verleend.</para>
      <para>1.3     Bij besluit van 22 september 2008 heeft verweerder de tegen dit besluit ingediende bezwaren gegrond verklaard en het besluit van 23 november 2007 herroepen. Voorts heeft verweerder aangegeven hiervoor in de plaats op korte termijn een vervangend inhoudelijk besluit te nemen in een beslissing op bezwaar deel 2. </para>
      <para>1.4     Bij besluit van 15 oktober 2008 heeft verweerder voor het bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend, alsmede een reguliere bouwvergunning. Aan de verleende vrijstelling zijn de voorwaarden verbonden dat de opmerkingen in het kader van de watertoets moeten worden opgevolgd en dat het beplantingsplan conform de bouwtekening moet worden uitgevoerd, met dien verstande dat de boombeplanting aan de zuidrand moet worden versterkt, en dat de conclusies en aanbevelingen van het ecologische rapport moeten worden opgevolgd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geschil</para>
      <para>2.1     Eisers hebben in beroep aangevoerd dat de besluitvormingsprocedure betreffende de vrijstelling onzorgvuldig heeft plaatsgevonden, nu niet alle relevante stukken ter inzage zijn gelegd. Daarnaast menen zij dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daartoe voeren zij aan dat het bouwplan strijdig is met het streekplan Fryslân 2007. Verder stellen eisers dat ten onrechte is afgeweken van de afstandsnorm van 50 meter die op grond van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) geldt voor de jachthaven. Voorts stellen eisers dat de luchtkwaliteit zal verslechteren en dat de financiële uitvoerbaarheid van het bouwplan onvoldoende is aangetoond. Verder zijn eisers van opvatting dat door het bouwplan afbreuk wordt gedaan aan het cultuurhistorische karakter van [het dorp] en dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. Ook voeren eisers aan dat het archeologisch onderzoek en de watertoets ontoereikend zijn geweest en dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek is verricht naar de geluidsoverlast van de jachthaven. Ten slotte stellen eisers dat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen. Met name voorzien eisers een toename van de verkeersdruk en parkeerproblemen. </para>
      <para>2.2     Verweerder heeft bestreden dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage zijn gelegd. Verder heeft verweerder naar voren gebracht dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Volgens verweerder strijdt het bouwplan niet met het streekplan, aangezien na uitvoering van het beplantingsplan sprake is van een goede landschappelijke inpassing van de jachthaven. Verder staan de natuurwaarden niet aan het bouwplan in de weg en worden de wettelijke luchtkwaliteitseisen en geluidsnormen niet overschreden, aldus verweerder. Verder meent verweerder dat voldoende gemotiveerd is afgeweken van de in de VNG-brochure opgenomen richtafstand van 50 meter. Verweerder heeft daarnaast aangevoerd dat de financiële haalbaarheid van het bouwplan voldoende is aangetoond en dat onderzoek is gedaan naar de in geding zijnde archeologische waarden. Ook is een watertoets verricht. Ten slotte heeft verweerder aangevoerd dat met het bouwplan niet op onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan de belangen van eisers. Volgens verweerder valt een forse toename van de verkeersintensiteit vanwege het bouwplan niet te verwachten en zijn ter plaatse voldoende parkeerplaatsen aanwezig. Ook overigens blijft een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gehandhaafd, aldus verweerder. </para>
      <para>2.3     De vergunninghouder heeft zich aangesloten bij het standpunt van verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegingen ten aanzien van beroep 08/819</para>
      <para>3.1     De rechtbank is van oordeel dat, nu verweerder bij besluiten van 22 september 2008 en 15 oktober 2008 alsnog heeft beslist op het bezwaarschrift van eisers sub 1, zij geen procesbelang meer hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de fictieve weigering. Ook overigens is geen belang gesteld of gebleken op grond waarvan zou kunnen worden gezegd dat eisers sub 1 nog een rechtens te honoreren belang hebben bij de beoordeling van dit beroep. Het beroep tegen de fictieve weigering zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. </para>
      <para>3.2     De rechtbank ziet in het voorgaande wel aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten van eisers sub 1 in deze procedure vastgesteld op € 80,50 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; gewicht van de zaak: zeer licht; waarde per punt € 322,00). De rechtbank zal niet gelasten dat aan eisers sub 1 het griffierecht moet worden vergoed, aangezien door de rechtbank voor het (tweede) beroep tegen de fictieve weigering van 28 augustus 2008 niet opnieuw griffierecht is geheven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Formeelrechtelijke overwegingen ten aanzien van de overige beroepen</para>
      <para>4.1     Eisers sub 1 en 2 betogen dat het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning van 15 oktober 2008 een primair besluit is waartegen eerst bezwaar moet worden gemaakt. Dit betoog faalt. Omdat verweerder na de herroeping van de vrijstelling en bouwvergunning van 23 november 2007 nog diende te beslissen of hij de door de vergunninghouder aangevraagde bouwvergunning zou verlenen dan wel weigeren, bestaat tussen de gegrondverklaring van het bezwaar en de herroeping van de vrijstelling en bouwvergunning van 23 november 2007 en de daarop volgende verlening van vrijstelling en bouwvergunning een onverbrekelijke samenhang. Dat de verleende bouwvergunning en het vrijstellingsbesluit van 15 oktober 2008 enige tijd na het besluit van 22 september 2008 zijn genomen, doet aan die samenhang niet af en leidt niet tot een ander oordeel. Gelet hierop dienen de besluiten van 22 september 2008 en 15 oktober 2008, naar ook blijkt uit de bewoordingen daarvan, te worden opgevat als samenstellende bestanddelen van de in heroverweging gegeven beslissing op de door eisers gemaakte bezwaren. </para>
      <para>Gelet op het voorgaande worden de besluiten van 22 september 2008 en 15 oktober 2008 in het hiernavolgende tezamen aangeduid als het bestreden besluit. </para>
      <para>4.2      Eisers sub 1 en 2 hebben aangevoerd dat verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit artikel 3:11, eerste lid, van de Awb heeft geschonden door met het ontwerpbesluit niet alle relevante stukken ter inzage te leggen. Eisers sub 1 wijzen daarbij (met name) op het ecologische rapport van Altenburg &amp; Wymenga van 24 april 2008 en eisers sub 2 op het advies van de brandweer van 30 juli 2008. </para>
      <para>4.2.1   Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. </para>
      <para>4.2.2   Naar het oordeel van de rechtbank ziet de in artikel 3:11 van de Awb opgenomen verplichting tot terinzagelegging op de op dat moment beschikbare stukken. De termijn van terinzagelegging liep van 16 mei 2008 tot 27 juni 2008. Aangezien het brandweeradvies ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit nog niet voorhanden was, is artikel 3:11 van de Awb hierop niet van toepassing. </para>
      <para>4.2.3   Verder overweegt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt stelt dat alle relevante stukken, zoals het integrale ontwerp van het besluit en alle bijbehorende stukken, waaronder het rapport van Altenburg &amp; Wymenga, volledig ter inzage hebben gelegen. In hetgeen eisers sub 1 hierover hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt om aan de juistheid van het standpunt van verweerder te twijfelen. </para>
      <para>4.2.4   Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb heeft gehandeld. Deze beroepsgrond faalt. </para>
      <para>4.3      Ten aanzien van de stelling van eisers sub 1 dat het bestreden besluit niet conform het bepaalde in artikel 3:44 van de Awb is bekendgemaakt, overweegt de rechtbank dat, wat hiervan verder ook zij, het hierbij gaat om een gebrek dat dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Dergelijke gebreken kunnen de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Het beroep van eisers sub 1 faalt in zoverre.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wettelijk kader</para>
      <para>5.1      Met ingang van 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en met ingang van die datum is de WRO ingetrokken. Volgens het overgangsrecht blijven de bepalingen uit de WRO respectievelijk de Woningwet van toepassing op aanvragen om bouwvergunning die zijn ingediend vóór 1 juli 2008.</para>
      <para>5.2      Op grond van artikel 44, eerste lid, van de Woningwet mag en moet een reguliere bouwvergunning alleen worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan, de bouwverordening of het Bouwbesluit 2003, of indien het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, dan wel indien voor het bouwen een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.</para>
      <para>5.3      Tussen partijen is niet in geschil dat het in geding zijnde bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende [bestemmingsplan]. </para>
      <para>5.4     Op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders. </para>
      <para>Ingevolge artikel 19a, achtste lid, van de WRO, voor zover van belang, kunnen gedeputeerde staten de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.</para>
      <para>5.5     Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval voldaan aan de formele vereisten voor het kunnen verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Gedeputeerde Staten van Fryslân (GS) hebben bij brief van 30 september 2008 een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Uit de gedingstukken blijkt dat de gemeenteraad bij besluit van 25 juni 2003 zijn bevoegdheid met betrekking tot de onderhavige projectprocedure heeft gedelegeerd aan verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaring van geen bezwaar</para>
      <para>6.1     Eisers betogen dat GS niet in redelijkheid hebben kunnen afwijken van het streekplan Fryslân 2007 (hierna: het streekplan). Zij voeren daartoe aan dat is miskend dat niet wordt voldaan aan de afstanden die zijn opgenomen in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de VNG (2007; hierna: de  brochure). De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. </para>
      <para>6.2     De rechtbank stelt vast dat [het dorp] in het streekplan niet valt onder de zogeheten stedelijke en regionale centra of recreatiekernen, maar onder "overige kernen". In paragraaf 2.5.2 van het streekplan is ten aanzien van vaarrecreatie het volgende opgenomen:</para>
      <para>“Wij leggen vooral via het Friese Merenproject een accent op kwaliteitsverbetering van de watersportvoorzieningen en van het vaarwegennet. Daarnaast zien wij mogelijkheden voor uitbreiding van bestaande en voor vestiging van nieuwe kleinere tot middelgrote jachthavencomplexen. Deze mogelijkheden liggen primair bij de op de vaargebieden gerichte stedelijke en regionale centra en recreatiekernen. Onder de voorwaarde van grotere provinciale betrokkenheid, kan hiervan gemotiveerd worden afgeweken.</para>
      <para>Buiten de stedelijke en regionale centra en de recreatiekernen zijn nieuwe, kleinschaliger voorzieningen mogelijk. Het betreft hier voorzieningen van 25 (buiten de kernen) tot 50 ligplaatsen (bij de kernen). In alle gevallen vragen wij een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing.”</para>
      <para>6.3     Gelet hierop hebben GS naar het oordeel van de rechtbank met juistheid onderkend dat, gelet op het aantal ligplaatsen waarin het project voorziet, het project niet strookt met de in paragraaf 2.5.2 van het streekplan opgenomen richtinggevende beleidsuitspraak, dat buiten de stedelijke en regionale centra en recreatiekernen slechts kleinschalige jachthavens tot 50 ligplaatsen mogelijk zijn. In de verklaring van geen bezwaar hebben GS gemotiveerd waarom in dit geval van het streekplan kan worden afgeweken. Volgens GS is een overschrijding van 5 ligplaatsen aanvaardbaar, nu de ruimtelijke gevolgen en de landschappelijke invloed daarvan zeer beperkt zijn. Daarbij nemen GS in aanmerking dat afschermende boombeplanting langs de [vaart] aanwezig is en dat deze aan de zuidrand van het terrein wordt versterkt. Voorts hebben GS meegewogen dat het project voldoet aan de voorwaarden die in het streekplan worden gesteld aan bedrijven in de zogeheten "overige kernen". Het gaat om een bedrijfsuitbreiding die ruimtelijk past binnen de maat en de schaal van [het dorp] en die bijdraagt aan de levendigheid en economische vitaliteit. Daarnaast gaat het om een relatief kleinschalig bedrijfstype in milieucategorie 3.1 van de brochure, in een omgevingstype "gemengd gebied", zijnde een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Aan de voor een dergelijk bedrijf in deze omgeving geldende richtafstand van 30 meter kan worden voldaan, aldus GS. </para>
      <para>6.4     De rechtbank stelt vast dat een jachthaven valt onder SBI-code 9262, als bedoeld in de brochure (jachthavens met diverse voorzieningen) en dat een dergelijk bedrijf volgens de brochure behoort tot milieucategorie 3.1. </para>
      <para>6.5     In de brochure zijn de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, waarvoor afstanden worden aanbevolen tot een milieugevoelige bestemming om hinder van de milieufactoren geur, stof, gevaar en geluid uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De afstanden die de brochure aanbeveelt, gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf enerzijds en de gevel van een - in een rustige woonwijk gelegen - woning anderzijds. Voor categorie 3.1 bedrijven wordt in de brochure een afstand van 50 meter aanbevolen. Bij het omgevingstype "gemengd gebied" is een correctie van één afstandsstap mogelijk voor het aspect geluid. Dit betekent dat in gemengd gebied een afstand van 30 meter kan worden aangehouden tussen een categorie 3.1 bedrijf en in het gemengde gebied gelegen woningen. </para>
      <para>6.6     De in geding zijnde vrijstelling voorziet naast de uitbreiding van het aantal ligplaatsen tevens in de uitbreiding en legalisatie van (een deel van) de buitenopslag. Ter plaatse van deze buitenopslag kunnen bedrijfsactiviteiten worden ontplooid die mogelijk leiden tot hinder als gevolg van geur, stof, gevaar of geluid voor de nabijgelegen woningen. Uit de gedingstukken en het ter zitting verhandelde, met name het getoonde kaartmateriaal, kan door de rechtbank geen andere conclusie worden getrokken dan dat GS met deze uitbreiding en legalisatie van de buitenopslag geen rekening hebben gehouden. Ter zitting is duidelijk geworden dat de afstand van de opslag tot de (gevel van de) dichtstbijzijnde woning circa 21 meter bedraagt. De stelling van GS dat aan de richtafstand van 30 meter kan worden voldaan is dan ook onjuist. Daar komt nog bij dat in de stukken noch anderszins gemotiveerd is aangegeven of het perceel is gesitueerd in een rustige woonwijk dan wel in gemengd gebied. GS zijn zonder nadere motivering uitgegaan van het omgevingstype "gemengd gebied" en hebben op grond daarvan de in acht te nemen afstand op grond van de brochure met één afstandsstap gecorrigeerd. Eisers hebben (ter zitting) gesteld dat, behoudens een enkel boerenbedrijf, ter plaatse hoofdzakelijk woningen zijn gesitueerd. Verweerder heeft onvoldoende kunnen onderbouwen dat sprake zou zijn van een gemengd gebied. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat GS aan hun verklaring van geen bezwaar niet de juiste feiten ten grondslag hebben gelegd en dat zij bovendien, zonder deugdelijke motivering, in aanzienlijke mate van de in de brochure aanbevolen afstand zijn afgeweken. </para>
      <para>6.7     Hieruit volgt dat GS niet deugdelijk hebben gemotiveerd waarom afwijking van het streekplan in dit geval gerechtvaardigd is. Verweerder heeft derhalve van de verklaring van geen bezwaar ten onrechte gebruik gemaakt. Het op die verklaring gebaseerde bestreden besluit ontbeert in zoverre een deugdelijke motivering en komt derhalve in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De beroepen zullen gegrond worden verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegingen met betrekking tot het nieuw te nemen besluit</para>
      <para>7.1     Uit het voorgaande volgt dat verweerder opnieuw op de bezwaren zal moeten beslissen. Ten behoeve van die nieuw te nemen beslissing overweegt de rechtbank het volgende. </para>
      <para>7.2     De rechtbank stelt vast dat verweerder zich bij het beoordelen of de milieubelasting van (de uitbreiding van) de jachthaven aanvaardbaar is, heeft gebaseerd op de in de brochure voor een rustige woonwijk aanbevolen afstand van 50 meter. Ter zitting is vast komen te staan dat verweerder evenals GS heeft miskend dat het bestreden besluit mede ziet op de uitbreiding en legalisatie van (een deel van) de buitenopslag. Voorts is ter zitting duidelijk geworden dat de afstand tussen de (gevel van de) dichtstbijzijnde woning en deze buitenopslag ongeveer 21 meter bedraagt. Dit leidt tot de conclusie dat ook verweerder, door uit te gaan van een afstand van 31 meter tussen de dichtstbijzijnde woning en de jachthaven, aan het bestreden besluit een feitelijk onjuiste situatie ten grondslag heeft gelegd.  </para>
      <para>7.2.1 Het vorenoverwogene laat onverlet dat de in de brochure opgenomen afstanden indicatief zijn en dat naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 6 december 2006 (LJN AZ3736), afwijking hiervan in verband met de specifieke omstandigheden van het betrokken gebied mogelijk is, met dien verstande dat een afwijking zorgvuldig dient te zijn voorbereid en deugdelijk moet zijn gemotiveerd. Verweerder stelt zich blijkens de gedingstukken en het ter zitting verhandelde op het standpunt dat het bouwplan slechts ziet op een beperkte uitbreiding van een bestaand bedrijf en dat een goed woon- en leefklimaat voor de binnen de richtafstand gelegen woning ook met deze uitbreiding blijft gewaarborgd, omdat daarvan een beperkte hinder uitgaat. De rechtbank acht een nadere motivering op dit punt noodzakelijk. Daartoe overweegt de rechtbank dat er voor het nemen van het bestreden besluit geen (akoestisch) onderzoek heeft plaatsgevonden dat inzicht geeft in de aard en omvang van de voor de binnen de richtafstand gelegen woning te verwachten milieubelasting als gevolg van de (uitbreiding van de) jachthaven. Ook anderszins heeft verweerder zijn standpunt daarover niet inzichtelijk gemaakt. Het enkele gegeven dat een door de vergunninghouder ingediende melding op grond van het Activiteitenbesluit is geaccepteerd, is in dit verband onvoldoende. </para>
      <para>7.3     Voor wat betreft de stelling van eisers dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat, overweegt de rechtbank als volgt.</para>
      <para>7.3.1 Zoals de AbRS in haar uitspraak van 12 mei 2004 (LJN AO9200) heeft overwogen komen de vragen of voor de uitvoering van het bouwplan ontheffing nodig is op grond van de Flora- en faunawet, en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dit doet er niet aan af dat verweerder geen vrijstelling voor het bouwplan had kunnen verlenen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat.</para>
      <para>7.3.2 Teneinde bij de planontwikkeling rekening te kunnen houden met eventuele ecologische waarden is in opdracht van verweerder onderzoek uitgevoerd door het bureau Altenburg &amp; Wymenga. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Ecologische beoordeling herinrichting watersportbedrijf [X]" van 24 april 2008. In dit rapport is geconcludeerd dat in het plangebied wettelijk beschermde soorten voorkomen, maar dat geen ontheffing is vereist als bedoeld in de Flora- en faunawet. Verder is een aantal aanbevelingen gedaan. Deze conclusie en aanbevelingen zijn door verweerder overgenomen.</para>
      <para>7.3.3 In hetgeen eisers hebben aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank geen grond gelegen voor het oordeel dat het verrichte onderzoek onvoldoende of onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de conclusies in het rapport onjuist zijn. De door ecologisch adviesbureau Els &amp; Linde bij brief van 20 december 2008 naar voren gebrachte visie dat mogelijk een aantal beschermde soorten zou zijn gemist en dat nader onderzoek nodig zou zijn naar de aanwezigheid van de ransuil, steenuil, noordse woelmuis en waterspitsmuis, maakt het onderzoek van Altenburg &amp; Wymenga niet ondeugdelijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Els &amp; Linde niet zelf met behulp van een onderzoek ter plaatse aannemelijk heeft gemaakt dat op het bouwperceel andere dan de door Altenburg &amp; Wymenga waargenomen beschermde (dier)soorten aanwezig zijn op grond waarvan, in verband met de bescherming die zij ingevolge de Flora- en faunawet genieten, moet worden aangenomen dat het bouwplan niet zal kunnen worden uitgevoerd. Voorts heeft Altenburg &amp; Wymenga in zijn nadere reactie van 2 februari 2009 naar het oordeel van de rechtbank aan de hand van verspreidingsgegevens genoegzaam aannemelijk gemaakt dat geen waarnemingen van de steenuil, noordse woelmuis en waterspitsmuis bekend zijn binnen of nabij het plangebied en dat de rijk begroeide oevers bovendien geen geschikte verblijfplaatsen zijn voor de waterspitsmuis en de noordse woelmuis. Wat de ransuil betreft, kan aan het feit dat Altenburg &amp; Wymenga hebben aangegeven dat nader onderzoek nodig is naar de vraag of een oud nest opnieuw in gebruik is genomen, niet het gewicht worden toegekend dat eisers hieraan gehecht willen zien. Ter zitting is namelijk duidelijk geworden dat uit een inmiddels ter plaatse afgelegd veldbezoek door deskundigen van Altenburg &amp; Wymenga en de lokale uilenwerkgroep is gebleken dat het nest niet meer in gebruik is. In hetgeen eisers sub 1 hiertegen hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt om aan de juistheid van deze bevindingen te twijfelen. </para>
      <para>Gelet hierop en op hetgeen eisers overigens hebben aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het ecologische onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat, dat verweerder zich hierop bij het nemen van het besluit niet mocht baseren. </para>
      <para>7.3.4 Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op grond van voormeld rapport van Altenburg &amp; Wymenga in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet kennelijk aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan en daarmee aan het verlenen van vrijstelling in de weg staat. </para>
      <para>7.4     Ook het betoog van eisers dat het bouwplan in strijd is met de luchtkwaliteitseisen ingevolge de Wet milieubeheer faalt. Daartoe overweegt de rechtbank dat thans ter plaatse ruimschoots wordt voldaan aan de luchtkwaliteitseisen. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het bouwplan slechts een beperkte uitbreiding van een jachthaven betreft, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid te verwachten dat de uitvoering van het bouwplan zal leiden tot een overschrijding van de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. </para>
      <para>7.5     Evenzeer faalt het betoog van eisers dat de financi?le uitvoerbaarheid onvoldoende is gewaarborgd. De vergunninghouder heeft ter zitting meegedeeld dat hij voldoende financiële middelen heeft om het bouwplan te realiseren. De rechtbank ziet, mede gelet op de beperkte omvang van het bouwplan, geen aanleiding om aan de juistheid van die mededeling te twijfelen. </para>
      <para>7.6     Ten aanzien van de archeologische aspecten overweegt de rechtbank dat het bouwplan is getoetst aan de archeologische kaart van de provincie Fryslân (FAMKE). Op grond daarvan is geconcludeerd dat voor het gebied waarin het bouwperceel is gelegen een lage verwachtingswaarde geldt en dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat dit onderzoek ontoereikend is geweest. Uit de omstandigheid dat eerder in de omgeving archeologische vondsten zijn gedaan, kan dit niet worden afgeleid. Verder hebben eisers weliswaar gesteld dat FAMKE niet klopt, maar zij hebben nagelaten dit standpunt nader te onderbouwen, zodat hieraan voorbij dient te worden gedaan.</para>
      <para>7.7     Verder heeft het Wetterskip Fryslân ten behoeve van het bouwplan een watertoets uitgevoerd en in dat verband positief geadviseerd. Er zijn aanbevelingen gedaan waaraan de nieuwe kade moet voldoen. Dit advies en de aanbevelingen heeft verweerder overgenomen. Hiermee heeft verweerder dit aspect naar het oordeel van de rechtbank voldoende in zijn beoordeling betrokken. </para>
      <para>7.8     Voor zover eisers stellen dat realisering van het bouwplan leidt tot verkeers- en parkeerproblemen, overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het feit dat het bouwplan slechts een beperkte uitbreiding van een bestaande jachthaven behelst, acht de rechtbank niet aannemelijk dat het aantal vervoersbewegingen vanwege die uitbreiding fors zal toenemen. Van de kant van eisers zijn in de gedingstukken en ter zitting geen argumenten aangevoerd die de rechtbank tot een ander oordeel hebben kunnen brengen. Evenmin is de rechtbank overtuigd geraakt van het standpunt van eisers ten aanzien van de te verwachten parkeeroverlast. In het bestreden besluit heeft verweerder uiteengezet dat aan de hand van de door het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water en Wegenbouw en Verkeerstechniek (CROW) vastgestelde normen de parkeerbehoefte ten behoeve van de jachthaven op 27 tot 41 plaatsen is berekend. Voorts is aangegeven dat wordt voorzien in 50 parkeerplaatsen. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op de normen van het CROW heeft kunnen baseren en ook is niet gebleken dat verweerder onjuiste berekeningen heeft gemaakt. Gelet hierop heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat na realisering van het bouwplan ter plaatse is voorzien in voldoende parkeerplaatsen. </para>
      <para>7.9     Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich, anders dan eisers sub 2 stellen, op grond van het brandweeradvies van 30 juli 2008 op het standpunt heeft mogen stellen dat de brandveiligheid voor de omliggende percelen in voldoende mate is gewaarborgd. Eisers sub 2 zijn er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat dit advies niet deugdelijk is. Zij hebben weliswaar gesteld dat het gevaar voor brandoverslag naar hun perceel aanzienlijk groter is dan uit het brandweeradvies blijkt, maar zij hebben nagelaten dit standpunt te onderbouwen met bijvoorbeeld een advies van een deskundige instantie, zodat hieraan voorbij dient te worden gegaan. </para>
      <para>7.10   De rechtbank stelt tot slot vast dat verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen dat het verhuren van boten ondergeschikt moet blijven aan de hoofdactiviteit. De rechtbank onderschrijft de opvatting van eisers dat nakoming van deze eis niet in rechte kan worden afgedwongen. Naast het feit dat verweerder heeft nagelaten deze overweging als voorwaarde aan het vrijstellingsbesluit te verbinden, acht de rechtbank de overweging onvoldoende objectief bepaalbaar. Onduidelijk is wat moet worden verstaan onder "ondergeschikt aan de hoofdactiviteit". Het verdient dan ook aanbeveling om de eis dat de botenverhuur van ondergeschikte aard moet blijven als voorwaarde te verbinden aan het vrijstellingsbesluit en bovendien nauwkeuriger te formuleren, zodat objectief bepaalbaar is wanneer sprake is van een zodanige omvang van de botenverhuur dat niet meer gesproken kan worden van een ondergeschikte activiteit. De rechtbank wijst er in dit verband op dat het rechtszekerheidsbeginsel ook meebrengt dat het voor de vergunninghouder duidelijk moet zijn waartoe hij op grond van de vrijstelling is gerechtigd en gehouden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Conclusie</para>
      <para>8.1     Gelet op voorgaande overwegingen komt de rechtbank tot de conclusie dat de beroepen met de registratienummers 08/2620, 08/2651 en 08/2652 gegrond moeten worden verklaard en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd.</para>
      <para>8.2     Met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten worden de proceskosten van eisers sub 1 en 2 elk afzonderlijk vastgesteld op € 644,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00). De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres sub 3, nu van daarvoor in aanmerking komende kosten niet is gebleken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing</para>
      <para>De rechtbank:</para>
      <para>- verklaart het beroep met registratienummer 08/819 niet-ontvankelijk;</para>
      <para>- verklaart de beroepen met de registratienummers 08/2620, 08/2651 en 08/2652 gegrond en vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>- bepaalt dat verweerder opnieuw op de bezwaarschriften van eisers beslist;</para>
      <para>- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eisers sub 1 in verband met de behandeling van de beroepen met registratienummers 08/819 en 08/2620 gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 724,50 (€ 80,50 + € 644,00);</para>
      <para>- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eisers sub 2 gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00;</para>
      <para>- bepaalt dat verweerder aan eisers sub 1, 2 en 3 het door hen betaalde griffierecht van ieder afzonderlijk € 145,00 vergoedt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzitter, en door mrs. C.H. de Groot en P.G. Wijtsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T. Hoekstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. E. de Witt</para>
      <para>w.g. T. Hoekstra				</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.</para>
    <para />
    <para>Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:</para>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>	de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State</para>
      <para>	Postbus 20019</para>
      <para>	2500 EA  Den Haag</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>