<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ2287</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T03:15:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AZ2287</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2006-11-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">195715 /CV EXPL 06-2888</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ2287">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ2287</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T00:44:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-11-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ2287 Rechtbank Leeuwarden , 14-11-2006 / 195715 /CV EXPL 06-2888</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ2287:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overeenkomst van geldlening. Kwijtschelding deel van de lening. Opeisbaarheid. Bewijskracht msn-messenger chatsessie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ2287:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK LEEUWARDEN</para>
      <para>Sector kanton</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Locatie Leeuwarden</para>
    <para />
    <para>zaak-/rolnummer: 195715 CV EXPL 06-2888</para>
    <para />
    <para>vonnis van de kantonrechter d.d. 14 november 2006</para>
    <para />
    <para>inzake</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiseres],</para>
      <para>hierna te noemen: [eiseres],</para>
      <para>wonende te Leeuwarden,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: Venema en Noppe,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[gedaagde],</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde],</para>
      <para>wonende te Leeuwarden,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>procederende in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Procesverloop</para>
      <para>1.1. Na het tussenvonnis van 8 augustus 2006 heeft op 12 oktober 2006 een comparitie van partijen plaatsgehad. Van het verhandelde ter comparitie is door de griffier proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is verzonden. De inhoud ervan geldt als hier herhaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2. Vonnis is bepaald op heden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Motivering</para>
      <para>Vaststaande feiten</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.1. Tussen partijen kan, als door [eiseres] gesteld en door [gedaagde] erkend dan wel niet of onvoldoende betwist, van het navolgende worden uitgegaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is op 11 augustus 2001 een overeenkomst van geldlening gesloten, uit hoofde waarvan [eiseres] aan [gedaagde] een bedrag ad ƒ 8.000,- heeft geleend.</para>
      <para>De overeenkomst vermeldt onder meer (voorzoveel in deze procedure van belang):</para>
      <para>"2. De geldnemer is te allen tijde bevoegd de hoofdsom der geldlening, of een deel daarvan, af te lossen, mits in ronde sommen van honderd gulden (ƒ 100,=) of veelvouden daarvan.</para>
      <para>3. De geldlening is terstond opeisbaar, zonder dat enige ingebrekestelling of andere formaliteit zal zijn vereist."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>[gedaagde] heeft gedurende de periode van augustus 2001 tot en met februari 2006 maandelijks € 45,- op de lening afbetaald. Voorts heeft [gedaagde] in februari 2006 in ieder geval nog een extra bedrag van € 450,- in mindering voldaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is msn-verkeer geweest. In een van de msn-sessies (van 22 januari 2006, zoals hieronder zal blijken) hebben partijen (voorzoveel van belang) gezegd (waarbij de kantonrechter tevens de tijdstippen van de berichten vermeldt):</para>
      <para>"[21:08:07] [gedaagde]: eej..weet je nog van die berekening van het geld? was toen 600..heb ik nu 2 of 3 x 50 gegeven..ik dacht zelf 2x..</para>
      <para>[21:08:42] [gedaagde]: ik ga [x en y] om geld vragen en wil ik vanalles in 1x afbetalen..dan heb ik nog maar 1 pot</para>
      <para>[21:08:56] [eiseres]: ja was volgens mij nog maar 2x idd</para>
      <para>[21:09:02] [gedaagde]: ja dacht ik ook al</para>
      <para>[21:09:03] [eiseres]: ow mja da's wel handig :D</para>
      <para>[21:09:53] [gedaagde]: ja joh..want [z] heb ik ook gegeven (…) maar ik wil nu gewoon van alles af! maar dan hoor je dat nog van me en krijg je het in 1x."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Blijkens verder door partijen overgelegd msn- en e-mailverkeer zijn de verhoudingen tussen hen verstoord geraakt.</para>
    <para />
    <para>Standpunt [eiseres]</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2. [eiseres] baseert haar vordering blijkens haar stellingen op artikel 3 van de overeenkomst van geldlening en op de door haar overgelegde specificatie. [eiseres] betwist, dat sprake zou zijn van een gedeeltelijke kwijtschelding van de lening.</para>
      <para>Naast het resterende bedrag van de lening ad € 750,- vordert [eiseres] vergoeding van aangezegde wettelijke rente, tot 1 mei 2006 bedragende € 5,25, en van incassokosten ad € 178,50.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Standpunt [gedaagde]</para>
    <para />
    <para>2.3. [gedaagde] heeft zich tegen de vordering verweerd. Zij stelt, dat zij graag van de lening af wilde en dat zij daarover met [eiseres] heeft gesproken. Vervolgens heeft [eiseres] een berekening gemaakt waaruit bleek dat op dat moment nog een bedrag ad € 1.400,- open stond. Afgesproken werd, dat [gedaagde] nog de helft van dat bedrag zou betalen en na betaling daarvan tegenover [eiseres] gekweten zou zijn. Hierna heeft [gedaagde] een herberekening gemaakt waaruit bleek dat nog een bedrag van € 1.200,- open stond, hetgeen betekende dat zij nog € 600,- aan [eiseres] zou moeten betalen. Dit bedrag zou [gedaagde] in termijnen voldoen. Na twee termijnbedragen van € 50,- te hebben betaald heeft [gedaagde] contact gezocht met haar broer die haar het resterende bedrag van € 500,- ter beschikking heeft gesteld. Dit bedrag heeft [gedaagde] vervolgens in een enveloppe gedaan die zij, zoals gebruikelijk, in de brievenbus van [eiseres] heeft gedaan. Hiermee is volgens [gedaagde] de lening afgelost.</para>
    <para />
    <para>Beoordeling</para>
    <para />
    <para>3.1. Het meest vèrstrekkende verweer van [gedaagde] komt er op neer, dat zij op basis van een tussen partijen gemaakte afspraak aan [eiseres] uit hoofde van de geldlening nog slechts een bedrag ad € 600,- verschuldigd zou zijn.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. [eiseres] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, (onder meer) een pagina (genummerd 10 van 15) uit het door haar met [gedaagde] gevoerde msn-verkeer overgelegd. Op deze pagina wordt gesproken over het door [gedaagde] bedoelde bedrag van € 600,-. </para>
      <para>[gedaagde] heeft deze pagina eveneens overgelegd. Daarbij echter heeft [gedaagde] gevoegd de pagina uit het msn-verkeer die daaraan vooraf gaat (pagina 9 van 15). Uit deze pagina's blijkt onomstotelijk, dat bedoeld msn-verkeer heeft plaatsgehad op 22 januari 2006. [eiseres] heeft dat niet betwist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3. Hoewel [eiseres] heeft ontkend dat er sprake is geweest van gedeeltelijke kwijtschelding van de restantlening ten behoeve van [gedaagde], is daarvoor in de stukken geen steun te vinden. In ieder geval valt een en ander niet met de inhoud van de msn-berichten te rijmen.</para>
      <para>Immers, in haar msn-bericht van 22 januari 2006 om 21:08:07 refereert [gedaagde] aan een door, of in gezamenlijk overleg tussen, partijen gemaakte berekening van de restantschuld en stelt dat die resulteerde in een bedrag van € 600,-, waarna zij vraagt hoeveel termijnbetalingen zij daarop inmiddels heeft verricht.</para>
      <para>Het valt op dat [eiseres] in het geheel niet op de vaststelling van [gedaagde] omtrent de omvang van de restantschuld reageert.</para>
      <para>Zou het door [gedaagde] genoemde bedrag volstrekt onjuist zijn, zoals [eiseres] thans stelt, dan had het toch voor de hand gelegen dat zij daarop in haar msn-bericht van 22 januari 2006 om 21:08:56 direct en duidelijk negatief had gereageerd.</para>
      <para>Nu zij dit niet heeft gedaan, moet ervan worden uitgegaan dat de mededeling van [gedaagde] omtrent de hoogte van de restantschuld op dàt moment – derhalve op 22 januari 2006 – juist was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4. Uit dit alles is, naar het oordeel van de kantonrechter, af te leiden dat tussen partijen voorafgaand aan het msn-verkeer van 22 januari 2006 inderdaad afspraken zijn gemaakt over gedeeltelijke kwijtschelding van het restantbedrag van de lening.</para>
      <para>Voorts kan uit de msn-berichten worden afgeleid – uit de daarin genoemde (periodieke) betalingen van € 50,- – dat inderdaad sprake was van dergelijke afspraken, nu de periodieke betalingen door [gedaagde] in het verleden immers steeds kennelijk € 45,- bedroegen, waardoor deze betalingen dus – qua bedrag – afwijkend zijn van de tussen partijen geldende gewoonte. Voorts leest de kantonrechter in bedoelde msn-berichten overeenstemming tussen partijen over in ieder geval twee betalingen van € 50,-, gedaan vóór 22 januari 2006, terwijl voorts vast staat dat [gedaagde] in elk geval ná 22 januari 2006 (want, volgens [eiseres], in februari 2006) een bedrag van € 450,- heeft voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.5. Dit alles houdt in, dat [gedaagde], uit hoofde van de lening, ná februari 2006 aan [eiseres] ten hoogste nog verschuldigd is gebleven een bedrag van € 50,-. [gedaagde] heeft wel gesteld dat zij een bedrag ad € 500,- aan [eiseres] heeft betaald, maar deze stelling is door haar onvoldoende onderbouwd, terwijl voorts uit haar e-mailbericht aan [eiseres] van 12 februari 2006 blijkt, dat [gedaagde] zelf zich op het standpunt stelt nog € 50,- aan [eiseres] verschuldigd te zijn.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6. Dit bedrag van € 50,- kan in deze procedure aan [eiseres] worden toegewezen, mits sprake is van een opeisbare vordering.</para>
      <para>Thans moet dus de vraag worden beantwoord of van dat laatste sprake is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.7. De kantonrechter beantwoordt die vraag ontkennend.</para>
      <para>Uit de geldleningsovereenkomst van 11 augustus 2001 is niet af te leiden, dat sprake is van een overeengekomen looptijd voor de lening, noch dat [gedaagde] voor de aflossing van de lening periodiek een (vast) bedrag aan [eiseres] verschuldigd was. Integendeel kan uit de bepalingen van de overeenkomst juist méér worden afgeleid dat [gedaagde] mocht aflossen wanneer het haar gelegen kwam, als en zolang zij maar afloste.</para>
      <para>Niettemin staat, met een verwijzing naar hetgeen te dien aanzien hierboven bij 3.4 al werd overwogen, vast, dat [gedaagde] de gewoonte had maandelijks € 45,- af te lossen, hetwelk kennelijk door [eiseres] steeds is geaccepteerd.</para>
      <para>Door deze betalingsgewoonte van [gedaagde] mocht [eiseres] rekenen op een maandelijkse betaling van € 45,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.8. Bezien moet daarom worden of er een betalingsachterstand bestond op het moment dat [gedaagde] ophield met betalen.</para>
      <para>De kantonrechter kan noch uit de gedingstukken, noch uit hetgeen door partijen ter comparitie is verklaard, afleiden dat van een betalingsachterstand sprake was. Integendeel, [gedaagde] heeft in februari 2006 zelfs nog een betaling verricht van € 450,- boven de periodieke betaling van € 50,-, welk bedrag, zoals gezegd, al hoger was dan het bedrag van de gewone periodieke betalingen. [eiseres] heeft wel gesteld dat [gedaagde] haar maandelijkse aflossingsbedragen steeds later ging betalen, maar deze stelling kan [eiseres] niet baten, enerzijds omdat [eiseres] aan dat door haar gestelde betalingsgedrag kennelijk vooralsnog geen consequenties verbond, en anderzijds omdat [eiseres] met deze stelling zichzelf tegenspreekt, nu uit de door haar overgelegde specificatie moet worden afgeleid dat [gedaagde] juist wèl geregeld betalingen verrichtte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.9. De vorderingen moeten daarom aan [eiseres] worden ontzegd.</para>
      <para>Als de in het ongelijk te stellen partij zal [eiseres] in de kosten van het geding worden veroordeeld. Deze zullen evenwel worden begroot op nihil, nu [gedaagde] in persoon heeft geprocedeerd en geen gebruik heeft gemaakt van een professioneel rechtshulpverlener.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.10. De kantonrechter merkt – ten overvloede – nog wel op, dat [gedaagde] uit hoofde van de geldleningsovereenkomst het bij 3.6 genoemde bedrag ad € 50,- nog wel aan [eiseres] is verschuldigd en dat [gedaagde] er verstandig aan zal doen dit bedrag alsnog op korte termijn aan [eiseres] te voldoen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing</para>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>wijst de vordering af;</para>
    <para />
    <para>veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding, tot op deze uitapraak aan zijde van [gedaagde] begroot op nihil.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr G.H. Varekamp-Vos, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>c 37</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>