<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLEE:1999:AA3723</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T09:50:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3723</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-08-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/713 BESLU en 97/688 BESLU</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:2a&amp;g=1999-08-19">Algemene wet bestuursrecht 8:2a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005108&amp;artikel=1&amp;g=1999-08-19">Waterschapswet 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005108&amp;artikel=155&amp;g=1999-08-19">Waterschapswet 155</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLEE:1999:AA3723">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLEE:1999:AA3723</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLEE:1999:AA3723 Rechtbank Leeuwarden , 19-08-1999 / 97/713 BESLU en 97/688 BESLU</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLEE:1999:AA3723:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLEE:1999:AA3723:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>424 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN</para>
      <para>meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht</para>
    <para />
    <para />
    <para>Reg.nrs.: 97/173 BESLU &amp; 97/688 BESLU</para>
    <para />
    <para />
    <para>Inzake de gedingen tussen</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>A en vier anderen, allen wonende te B,</para>
      <para>eisers,</para>
      <para>gemachtigde mr. drs. L.B. Dijkstra, juridisch medewerker in dienst</para>
      <para>van de Noordelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (NLTO) te</para>
      <para>Leeuwarden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân , verweerder,</para>
      <para>gemachtigde J. Luinstra, medewerker bij de afdeling Milieu en</para>
      <para>Water van verweerders provincie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>1. Procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 4 december 1996 heeft verweerder eisers medede-</para>
      <para>ling gedaan van zijn uitspraak inzake het administratief beroep van</para>
      <para>eisers tegen het besluit van het college van volmachten van het</para>
      <para>voormalig waterschap Het Koningsdiep van 25 april 1996 inzake</para>
      <para>de vaststelling van de keur van dat waterschap.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 26 februari 1996 heeft verweerder eisers mede-</para>
      <para>deling gedaan van zijn uitspraak inzake het administratief beroep</para>
      <para>van eisers tegen het besluit van het voorlopig algemeen bestuur</para>
      <para>van het waterschap Sevenwolden van 20 november 1996 inzake</para>
      <para>de vaststelling van de keur van dat waterschap.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eisers is tegen die besluiten beroep ingesteld bij deze</para>
      <para>rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken</para>
      <para>ingezonden alsmede een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaken zijn, gevoegd met de beroepszaken met de reg.nrs.</para>
      <para>97/76 BESLU en 97/173 BESLU, behandeld ter zitting van de recht-</para>
      <para>bank, meervoudige kamer, gehouden op 29 januari 1999. Eisers</para>
      <para>zijn in persoon verschenen, vergezeld van hun gemachtigde.</para>
      <para>Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Voor het waterschap</para>
      <para>Sevenwolden dat mede als rechtsopvolger van het waterschap Het</para>
      <para>Koningsdiep als derde-belanghebbende aan het geding deelneemt,</para>
      <para>zijn als gemachtigden verschenen R. Blaak, J.S. van der Velde en</para>
      <para>J. Haanstra, allen werkzaam bij het waterschap.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Motivering</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank gaat voor de beoordeling van het geschil uit van de</para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voormalig waterschap Het Koningsdiep heeft bij besluit van 25</para>
      <para>april 1996 op grond van het bepaalde in art. 78 lid 1</para>
      <para>Waterschapswet een nieuwe keur vastgesteld. Bij dat besluit zijn</para>
      <para>tevens de tegen de ontwerp-keur ingediende bezwaarschriften,</para>
      <para>waaronder de bezwaarschriften van eisers, ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 8 juli 1996 hebben eisers administratief beroep</para>
      <para>ingesteld bij verweerder tegen dat besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beroepen zijn behandeld ter zitting van verweerders kamer van</para>
      <para>24 oktober 1996. Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader</para>
      <para>toegelicht. Bij brief van 5 december 1996 heeft verweerder het</para>
      <para>beroepschrift van eisers ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 1 januari 1997 is het waterschap het Koningsdiep in het kader</para>
      <para>van een waterschapsreorganisatie opgegaan in waterschap</para>
      <para>Sevenwolden. Bij besluit van het voorlopig algemeen bestuur van</para>
      <para>20 november 1996 is voor dit waterschap een nieuwe keur vast-</para>
      <para>gesteld. Ook tegen dat besluit hebben eisers administratief beroep</para>
      <para>ingesteld bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft, in overleg met partijen, afgezien van het houden</para>
      <para>van een behandeling van het beroep van eiser ter zitting van</para>
      <para>verweerders kamer. Bij besluit van 28 februari 1997 heeft</para>
      <para>verweerder het beroepschrift van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben tegen de beide besluiten van verweerder beroep</para>
      <para>ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Standpunten van partijen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers kunnen zich niet vinden in het bepaalde in art. 15 van de</para>
      <para>keur. In dat artikel is een algemene ontvangstplicht voor de</para>
      <para>aangrenzende percelen opgenomen voor maai- en baggerspecie</para>
      <para>afkomstig uit watergangen. Naar de mening van eisers dient die</para>
      <para>verplichting niet te gelden voor specie afkomstig van ecologische</para>
      <para>verbindingszones. Eisers hebben er op gewezen dat zij indertijd</para>
      <para>een strook grond langs de oevers van hun percelen in eigendom</para>
      <para>hebben overgedragen aan het waterschap ten behoeve van de</para>
      <para>inrichting van die strook tot een ecologische verbindingszone. Het</para>
      <para>waterschap heeft bij de eigendomsoverdracht gesteld dat de</para>
      <para>verantwoordelijkheid van onderhoud en beheer bij haar zou komen</para>
      <para>te liggen. Nu blijkt echter dat de ecologische verbindingszone bij</para>
      <para>de watergang wordt gevoegd en dat eisers verantwoordelijk</para>
      <para>worden voor ontvangst en afvoer van die specie. Eisers worden</para>
      <para>aldus vanwege het natuurvriendelijke beheer geconfronteerd met</para>
      <para>(hogere) kosten. Naar de mening van eisers dient de</para>
      <para>ontvangstplicht van art. 15 van de keur evenwel niet te gelden voor</para>
      <para>specie afkomstig uit ecologische verbindingszones aangezien het</para>
      <para>onderhoud van die zones noch op grond van de Waterschapswet</para>
      <para>en het Reglement van het waterschap noch op grond van de Wet</para>
      <para>op de waterhuishouding tot de taak van het waterschap behoort.</para>
      <para>Evenmin kan uit he eerste Waterhuishoudingsplan Friesland 1992-</para>
      <para>1995 van verweerders provincie en/of uit het waterkwaliteitsplan</para>
      <para>1994-1997 van het waterschap worden opgemaakt dat een</para>
      <para>dergelijke ontvangstplicht zou gelden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder is van mening dat de noodzaak van een algemene</para>
      <para>ontvangstplicht voor onderhoudsspecie voldoende vaststaat en dat</para>
      <para>artikel 15 derhalve terecht in de keur is opgenomen. Verweerder</para>
      <para>heeft in dat verband geconstateerd dat de bezwaren van eisers</para>
      <para>geen betrekking hebben op de verplichting op zich, maar zich</para>
      <para>richten tegen de toepassing daarvan in een bepaalde situatie, te</para>
      <para>weten bij ecologische verbindingszones. Naar de mening van</para>
      <para>verweerder zijn die bezwaren echter niet aan de orde. De afweging</para>
      <para>hoe in de praktijk in een concreet geval door het waterschap met de</para>
      <para>ontvangstplicht wordt omgegaan is primair een taak van het</para>
      <para>bestuur van het waterschap. De beoordeling hiervan valt buiten de</para>
      <para>bevoegdheid van verweerder ex art. 153 Waterschapswet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens het waterschap is gesteld dat in de onderhavige zaak de</para>
      <para>keur centraal staat en niet het door het waterschap gevoerde beleid</para>
      <para>met betrekking tot ecologische verbindingszones. Het Rijk heeft in</para>
      <para>het kader van de ruilverkaveling Opsterland gronden aangekocht</para>
      <para>en deze als ecologische verbindingszone ingericht. Het waterschap</para>
      <para>heeft op grond van zijn taakopvatting besloten eigendom, beheer</para>
      <para>en onderhoud van die zones op zich te nemen. In de bij de keur</para>
      <para>behorende toelichting is aangegeven dat het waterschap in</para>
      <para>gevallen dat de ontvangstplicht onevenredig zwaar is kan besluiten</para>
      <para>de specie zelf af te voeren of een vergoeding toe te kennen. Op dit</para>
      <para>moment wordt onderzoek verricht naar de omvang van de</para>
      <para>hoeveelheid specie die bij ecologische verbindingszones vrijkomt.</para>
      <para>Op grond van de resultaten van dat onderzoek zal het waterschap</para>
      <para>beslissen of al dan niet sprake is van een onevenredige belasting</para>
      <para>van de aanliggende eigenaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In rechte</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge het bepaalde in art. 8:2 aanhef en onder a van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep worden inge-</para>
      <para>steld tegen een besluit inhoudende een algemeen verbindend</para>
      <para>voorschrift of een beleidsregel. In art. 155 Waterschapswet is</para>
      <para>evenwel bepaald dat, in afwijking van voornoemd artikel, beroep</para>
      <para>kan worden ingesteld tegen een besluit van gedeputeerde staten</para>
      <para>ingevolge art. 153 lid 1 aanhef en onder a of c Waterschapswet.</para>
      <para>Laatstgenoemd artikel heeft betrekking op besluiten van een</para>
      <para>waterschap inzake de vaststelling of wijziging van een keur. Gelet</para>
      <para>hierop kunnen eisers ontvankelijk worden verklaard in hun beroep</para>
      <para>tegen de onderhavige besluiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of de bestreden</para>
      <para>besluiten, voor zover aangevochten, in rechte stand kunnen</para>
      <para>houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep tegen de keur van het voormalig waterschap Het</para>
      <para>Koningsdiep, zoals vastgesteld bij besluit van 25 april 1996</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat bij besluit van het voorlopig</para>
      <para>algemeen bestuur van het Waterschap Sevenwolden (het water-</para>
      <para>schap) van 3 januari 1997 onder meer de bestaande keur en Staat</para>
      <para>der werken van het voormalig waterschap Het Koningsdiep is</para>
      <para>ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet hierop dient de vraag te worden beantwoord of, en zo ja in</para>
      <para>hoeverre, eisers nog belang heeft bij een beoordeling van hun</para>
      <para>beroep door de rechtbank. Ter zitting hebben eisers gesteld dat</para>
      <para>hun belang zich beperkt tot de proceskosten verbonden aan het</para>
      <para>onderhavige beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht de vraag of een proceskostenveroordeling moet</para>
      <para>worden uitgesproken onvoldoende aanleiding om tot een inhoude-</para>
      <para>lijke beoordeling van het beroep over te gaan. Art. 8:75 Awb stelt</para>
      <para>immers niet als eis dat de partij die in de proceskosten wordt</para>
      <para>beoordeeld in het ongelijk is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep van eisers dient derhalve niet-ontvankelijk te worden</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht voorts geen termen aanwezig verweerder te</para>
      <para>veroordelen in proceskosten van eisers. De intrekking van het</para>
      <para>onderhavige besluit heeft immers geen enkele relatie met de door</para>
      <para>eisers in beroep aangevoerde gronden. Bovendien hebben eisers</para>
      <para>exact dezelfde gronden aangevoerd tegen het besluit van het</para>
      <para>waterschap van 20 november 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep tegen de keur van het waterschap Sevenwolden, zoals</para>
      <para>vastgesteld bij besluit van 20 november 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep van eisers richt zich tegen het bepaalde in art. 15 van</para>
      <para>de keur. Dit artikel luidt als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"1. Op percelen, gelegen aan wateren, waarvan het onderhoud</para>
      <para>geschiedt door of onder toezicht van het waterschap moet de</para>
      <para>specie worden ontvangen, die tot behoorlijk onderhoud ten</para>
      <para>behoeve van de af- en/of aanvoer uit die wateren wordt verwijderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.     De eigenaren van gronden, gelegen aan wateren, zijn ver-</para>
      <para>plicht de specie, die tot behoorlijk onderhoud ten behoeve  van de</para>
      <para>af- en/of aanvoer uit de wateren door of onder toezicht van het</para>
      <para>waterschap of door henzelf uit die wateren is verwijderd,</para>
      <para>minstens 5 meter van die wateren te verwijderen binnen een</para>
      <para>door het bestuur te stellen termijn."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bezwaar van eisers tegen deze bepaling komt er op neer</para>
      <para>-kort gezegd- dat de uit dat artikel voortvloeiende algemene ont-</para>
      <para>vangsplicht voor maai- en baggerspecie uit watergangen tot gevolg</para>
      <para>heeft dat hij, als eigenaar van aangrenzende percelen, ook specie</para>
      <para>afkomstig uit ecologische verbindingszones dient te ontvangen –</para>
      <para>hetgeen (extra) kosten met zich meebrengt- terwijl beheer en</para>
      <para>onderhoud van die zones niet tot de wettelijke taken van het</para>
      <para>waterschap behoren. In de visie van eisers zou art. 15 zo dienen te</para>
      <para>worden geformuleerd dat specie afkomstig uit die ecologische</para>
      <para>zones van de algemene ontvangstplicht wordt uitgezonderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat met het in werking treden van de</para>
      <para>Waterschapswet op 1 januari 1992 (Stb. 1991, 702) geen uit-</para>
      <para>breiding van de wettelijke taken van het waterschap heeft</para>
      <para>plaatsgevonden. Blijkens het bepaalde in art. 1 Waterschapswet</para>
      <para>kan het waterschap alleen belast worden met taken, die de</para>
      <para>waterstaatkundige verzorging van een gebied betreffen. Hoofd-</para>
      <para>taken zijn de zorg voor de waterkering en de waterhuishouding en</para>
      <para>daarnaast de zorg voor één of meer andere waterstaatsaange</para>
      <para>legenheden zoals die van (vaar-)wegen. Wel heeft zich verande-</para>
      <para>ring voorgedaan in de wijze waarop het waterschap haar taken</para>
      <para>dient te vervullen. Zo is bij de parlementaire behandeling van de</para>
      <para>Waterschapwet de zogenoemde brede kijk waarmee de waterbe-</para>
      <para>heerder zijn taak zou dienen uit te oefenen aan de orde geweest</para>
      <para>en door de Kamer ondersteund. De aandacht van de waterbeheer-</para>
      <para>der richt zich daarbij niet meer uitsluitend op het water zelf, maar</para>
      <para>ook op de relevante omgeving daarvan. Daarbij zal recht gedaan</para>
      <para>moeten worden aan relaties van het waterbeheer met andere</para>
      <para>beleidsterreinen, waaronder die van natuur- en milieubeheer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Genoemde "brede kijk" laat evenwel onverlet dat -voor zover</para>
      <para>aanleg, inrichting, beheer en onderhoud van ecologische verbin-</para>
      <para>dingszones louter een functie hebben voor de natuur- die activi-</para>
      <para>teiten niet zien op de waterstaatkundige verzorging van een gebied</para>
      <para>en derhalve ook niet tot de primaire wettelijke taakopdracht van het</para>
      <para>waterschap kunnen worden gerekend danwel dienstig aan die</para>
      <para>taakopdracht kunnen worden geacht. Het komt de rechtbank dan</para>
      <para>ook voor dat in dat geval de aan het onderhoud van die zones</para>
      <para>verbonden (extra) kosten niet voor rekening kunnen worden</para>
      <para>gebracht van de eigenaren van de aangrenzende percelen, maar</para>
      <para>dat die kosten door het waterschap zelf dienen</para>
      <para>te worden gedragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat de noodzaak van een</para>
      <para>bepaling waarin de algemene ontvangsplicht voor onderhouds-</para>
      <para>specie is opgenomen buiten twijfel is en dat een dergelijke bepaling</para>
      <para>in een keur node gemist kan worden. Bovendien richten de</para>
      <para>bezwaren van eisers zich niet tegen de algemene ontvangstplicht</para>
      <para>op zich maar tegen de toepassing van die plicht in een concreet</para>
      <para>geval. Hoe het waterschap in het geval van specie afkomstig uit</para>
      <para>ecologische verbindingszones met die ontvangstplicht zal</para>
      <para>omgaan, is afhankelijk van het onderhoudsregiem dat voor een</para>
      <para>bepaalde watergang van toepassing is. Dit regiem vloeit op haar</para>
      <para>buurt weer voort uit door verweerder ter zake vastgesteld beleid,</para>
      <para>hetwelk buiten de kaders van het onderhavige beroep valt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts is de rechtbank van oordeel dat art. 15 van de keur de</para>
      <para>belangen van eisers voorshands voldoende beschermt nu blijkens</para>
      <para>de toelichting op dit artikel de hoeveelheid uitkomende specie voor</para>
      <para>het waterschap aanleiding kan zijn de specie zelf af te voeren,</para>
      <para>respectievelijk de veroorzaakte schade aan gronden te vergoeden,</para>
      <para>voor zover ingevolge het bepaalde in art. 21 van de keur die</para>
      <para>schade redelijkerwijs niet ten laste van de betrokken ingeland</para>
      <para>kunnen blijven. In dat verband kan nog worden opgemerkt dat het</para>
      <para>waterschap ingenieursbureau Oranjewoud opdracht heeft gegeven</para>
      <para>onderzoek te doen naar de toename van de hoeveelheid</para>
      <para>vrijkomende specie bij ecologische verbindingszones. De</para>
      <para>rechtbank kan zich voorstellen dat, voor zover uit dat onderzoek</para>
      <para>zou blijken van een duidelijke toename van specie uit die zones,</para>
      <para>het waterschap aan hetgeen in de toelichting op art. 15 van de</para>
      <para>keur is vermeld, uitvoering zal geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, het</para>
      <para>bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat het beroep van</para>
      <para>eisers ongegrond dient te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van</para>
      <para>een proceskostenveroordeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>3. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-       verklaart het beroep tegen het besluit van 25 april 1998 niet-</para>
      <para>ontvankelijk</para>
      <para>-       verklaart het beroep tegen het besluit van 20 november 1998</para>
      <para>ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzitter en mrs. P.G.</para>
      <para>Wijtsma en P. Schulting, rechters, en in het openbaar</para>
      <para>uitgesproken op  19 augustus 1999 door voornoemde voorzitter in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>B.M. van der Doef         C.H. de Groot</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger</para>
      <para>beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere</para>
      <para>belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13</para>
      <para>juncto 6:24 Awb.</para>
      <para>Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes</para>
      <para>weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief</para>
      <para>(beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden</para>
      <para>aan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State</para>
      <para>Postbus 20019</para>
      <para>2500 EA Den Haag</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist</para>
      <para>vindt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Afschrift verzonden op:</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>