<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBHAA:2002:AE4117</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T13:11:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AE4117</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Haarlem" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Haarlem</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2002-06-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">82933</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBHAA:2002:AE4117">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBHAA:2002:AE4117</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T17:51:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-06-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBHAA:2002:AE4117 Rechtbank Haarlem , 11-06-2002 / 82933</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBHAA:2002:AE4117:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBHAA:2002:AE4117:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Zaaknummer:	82933/KG ZA 02-227</para>
      <para>	Vonnisdatum:	11 juni 2002</para>
      <para>	134</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>	RECHTBANK TE HAARLEM,</para>
      <para>	VONNIS IN KORT GEDING</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <para>	in de zaak van:</para>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>	Eiseres,</para>
      <para>	wonende te Purmerend,</para>
      <para>	eisende partij,</para>
      <para>	procureur mr. H.K. Garvelink,</para>
      <para>	advocaat mr. P.A. van der Waal te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <para>	-- tegen --</para>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>	de onderlinge waarborgmaatschappij </para>
      <para>	GROENE LAND PWZ ZORGVERZEKERAAR U.A., h.o.d.n. PWZ Achmea,</para>
      <para>	statutair gevestigd te Utrecht, mede kantoorhoudende te Purmerend,</para>
      <para>	gedaagde partij,</para>
      <para>	procureur mr. P. Heidinga,</para>
      <para>	advocaat  mr. A.J.H.W.M. Versteeg te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <para>	Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres], respectievelijk PWZ.</para>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>1. 	Het verloop van het geding</para>
      <para>1.1 	Ter terechtzitting van 28 mei 2002 heeft [eiseres] overeenkomstig de dagvaarding gesteld en gevorderd als 		hierna onder 3. weergegeven en die vordering toegelicht aan de hand van overgelegde pleitnotities. PWZ 		heeft tegen deze vordering verweer gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.</para>
      <para>1.2 	Na verder debat in tweede termijn hebben partijen vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op 11 		juni 2002 of zoveel eerder als mogelijk.</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>2. 	De vaststaande feiten</para>
      <para>2.1	In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>a.	PWZ is een toegelaten ziekenfonds in de zin van artikel 34 van de Ziekenfondswet.  In de regio Purmerend 		en omstreken is het merendeel van de ziekenfondsverzekerden bij PWZ verzekerd. [eiseres] is 			verloskundige.</para>
    <para />
    <para>b.	Begin 2000 waren in de regio Purmerend vijf verloskundigen werkzaam. In de loop van dat jaar besloten vier 		van hen hun praktijk te beëindigen, waardoor per 1 januari 2001 een ernstig tekort aan eerstelijns 		verloskundige zorg dreigde te ontstaan.</para>
    <para />
    <para>c.	Om de continuïteit van de verloskundige zorg te waarborgen is per 1 november 2000 de Stichting 		GeboorteZorg Waterland (hierna ook: “de Stichting“) opgericht. PWZ heeft met de Stichting een overeenkomst 		gesloten als bedoeld in artikel 44, lid 1 van de Ziekenfondswet. De Stichting verzorgt sindsdien met 		verloskundigen in loondienst en zelfstandig gevestigde verloskundigen de uitvoering van de eerstelijns 		verloskundige zorg in Purmerend en omstreken. De overeenkomst met de Stichting is aangegaan voor de 		periode tot en met 31 december 2003.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>d.	De Stichting heeft met [eiseres] een overeenkomst van samenwerking gesloten, die onder meer de 		volgende bepalingen bevat: </para>
      <para>	in aanmerking nemend:</para>
      <para>	(…)</para>
      <para>2.	Mevrouw [eiseres] heeft aangegeven dat zij een autonome eerstelijns verloskundige praktijk wil beginnen in 		Purmerend e.o. en heeft aan de ziektekostenverzekeraar PWZ verzocht met haar hiervoor een contract af te 		sluiten. Mevrouw [eiseres] heeft aangegeven dat zij haar praktijk wil inrichten met een omvang van 150 		verloskundige zorgeenheden op jaarbasis.</para>
      <para>3.	PWZ zal naar verwachting een overeenkomst met mevrouw [eiseres] willen aangaan, maar heeft daarbij als 		voorwaarde gesteld dat Stichting GeboorteZorg, en mevrouw [eiseres] een samenwerkingsverband 		aangaan ten behoeve van de uitvoering van de eerstelijns verloskundige zorg in de regio.</para>
      <para>	(…)  </para>
      <para>	Artikel 1 Aanvang en duur van de overeenkomst</para>
      <para>	(…)</para>
      <para>2.	Partijen oefenen hun praktijk uit voor eigen rekening en risico.</para>
      <para>	(…)</para>
      <para>	Artikel 4 Werkterrein</para>
      <para>	Mevrouw [eiseres] zal zich in haar praktijk primair richten op thuisbevallingen.</para>
      <para>	(…)</para>
      <para>	Artikel 5 Garantie</para>
      <para>	Stichting GeboorteZorg zal ten behoeve van mevrouw S. [eiseres] zich garant stellen voor 150 verloskundige 		zorgeenheden per jaar.</para>
      <para>	(…)”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>e.	De zorg die [eiseres] verleende aan cliënten die bij PWZ verzekerd zijn, factureerde zij aan de Stichting. De 		Stichting bracht die door haar [eiseres] te betalen bedragen weer in rekening bij PWZ.</para>
    <para />
    <para>f.	Omstreeks medio 2001 is de verhouding tussen [eiseres] en de Stichting verstoord geraakt. In verband 		daarmee heeft de Stichting bij brief van 8 oktober 2001 de overeenkomst met [eiseres] per 31 mei 2002 		opgezegd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>g.	Naar aanleiding daarvan heeft [eiseres] PWZ verzocht met haar een overeenkomst als bedoeld in artikel 44 		van de Ziekenfondswet aan te gaan. Op dit verzoek heeft PWZ [eiseres] bij brief van 21 november 2001 onder 	meer medegedeeld:</para>
      <para>“	(…)</para>
      <para>	Zoals ook u bekend heeft PWZ Achmea een relatie met Geboortezorg voor het leveren van de volledige 		verloskundige zorg in de regio Purmerend en omstreken. Geboortezorg maakt voor het leveren van de zorg 		onder andere gebruik van verloskundigen in loondienst en zelfstandige verloskundigen welke in opdracht 		van Geboortezorg werken. Geboortezorg is in het kader van deze relatie, onverminderd de eigen 			verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de verloskundigen, volledig verantwoordelijk voor het 		handelen van de verloskundigen en de organisatie van de verloskundige zorg. PWZ Achmea heeft geen 		contractuele relatie met in opdracht werkende zorgverleners en/of zorgverleners in loondienst.</para>
      <para>	Aangezien u als zelfstandige verloskundige in opdracht verloskundige zorg uitvoert, heeft u een contractuele 		relatie met Geboortezorg en niet met PWZ Achmea. De relatie die u met onze verzekerden heeft, wordt 		slechts beheerst door de relatie tussen PWZ Achmea en Geboortezorg en niet door een zogenaamde 		medewerkersovereenkomst tussen u en PWZ Achmea.</para>
      <para>	(…)”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>h.	Bij brief van 12 december 2001 heeft [eiseres] haar verzoek aan PWZ herhaald en daartoe onder meer het 		volgende naar voren gebracht.</para>
      <para>“	(…)</para>
      <para>	De door u in uw brief d.d. 21 november j.l. genoemde redenen voor het niet (kunnen) voldoen aan dit verzoek 		kan ik niet goed begrijpen, deze komen er immers op neer dat Geboortezorg feitelijk zou kunnen bepalen 		wie er in de regio als verloskundige kan werken en wie niet. Dit kan toch niet de bedoeling zijn, ook al gelet 		op het feit dat Geboortezorg geen thuisbevallingen doet er en geen reële verwachting is dat dit in de 		toekomst anders zal zijn.</para>
      <para>	(…)</para>
      <para>	Omdat mijn praktijk voor het overgrote deel bestaat uit  PWZ verzekerden, ben ik geheel afhankelijk van een 		medewerkersovereenkomst van PWZ. Wordt mij een dergelijke overeenkomst niet aangeboden, dan kan ik 		feitelijk de praktijk niet uitoefenen. Dit heeft als direct gevolg dat thuisbevallingen in de regio niet langer 		mogelijk zijn.</para>
      <para>	(…)” </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>i.	Voordat PWZ op de brief van 12 december 2001 had geantwoord heeft [eiseres] PWZ op 2 januari 2002 		gevraagd haar in te schrijven in Vektis, het landelijk registratiesysteem van zorgverleners. PWZ heeft dit 		verzoek bij brief van 17 januari 2002 afgewezen onder mededeling dat in Vektis uitsluitend zorgverleners 		worden ingeschreven die niet in Vektis voorkomen en met wie een overeenkomst als bedoeld in artikel 44 		van de Ziekenfondswet is aangegaan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>j.	Bij brief aan PWZ van 4 januari 2002 heeft de maatschap gynaecologie en obstetrie van het 			Waterlandziekenhuis te Purmerend haar standpunt ten aanzien van de problemen in de eerstelijns 		verloskunde in Purmerend als volgt verwoord:</para>
      <para>“	(…)</para>
      <para>	Voor de kwaliteit van de 1e-lijns verloskunde in de regio Purmerend is het zeer ongewenst indien een niet 		alleen los van GeboorteZorg staande, niet slechts concurrerende, doch vooral ook een met agressie tegen 		GeboorteZorg geladen praktijk een situatie zal gaan scheppen, die de destructieve animositeit zoals die in 		1999 leidde tot de teloorgang van de structuur in de 1e-lijn, zal doen herleven. Daarnaast leidt fragmentering 		opnieuw tot versplintering van kwaliteitsbeheer zoals die in een overkoepelende organisatie mogelijk is.</para>
      <para>	In tweede instantie is van belang dat het functioneren van mevrouw [eiseres] geleid heeft tot het onmogelijk 		zijn van een samenwerking met ons, gynaecologen.</para>
      <para>	Op dit moment accepteren wij het functioneren van mevrouw [eiseres] in de relatie met ons, samenhangend 		met haar contract met GeboorteZorg.</para>
      <para>	Het functioneren van mevrouw [eiseres] – als verloskundige en als persoon – dreigt aanhoudend tot 		onaanvaardbaar kwaliteitsverlies te leiden en heeft ons dan ook doen concluderen om, indien enigszins 		verantwoord, de relatie met haar te beëindigen.</para>
      <para>	(…)”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>k.	Bij brief van 18 januari 2002 heeft mr. van der Waal voornoemd nogmaals aan PWZ uiteengezet welke 		argumenten aan het verzoek van [eiseres] om een medewerkersovereenkomst ten grondslag liggen.</para>
    <para />
    <para>l.	PWZ heeft bij brief van 1 februari 2002 de raadsman van [eiseres] medegedeeld haar geen 			medewerkersovereenkomst te zullen aanbieden.</para>
    <para />
    <para>m.	Begin maart 2002 is [eiseres] met een collega-verloskundige een zelfstandige praktijk begonnen. Naar 		aanleiding van berichtgeving hieromtrent heeft de directeur van het Waterlandziekenhuis [eiseres] en haar 		collega medegedeeld dat zij voor poliklinische gevallen geen gebruik zullen mogen maken van de faciliteiten 	van voormeld ziekenhuis. </para>
    <para />
    <para>n.	De verstoorde verhoudingen tussen [eiseres] en de Stichting hebben er uiteindelijk toe geleid dat de 		Stichting bij faxbericht van 11 maart 2002 de samenwerking met [eiseres] met onmiddellijke ingang heeft 		verbroken en [eiseres] de toegang tot haar spreekruimte in het gebouw van de Stichting en het gebruik van 		andere door de Stichting geboden faciliteiten heeft ontzegd.</para>
    <para />
    <para>o.	Bij brief van 10 april 2002 heeft de raadsman van [eiseres] PWZ gesommeerd een aantal declaraties over 		de periode oktober 2001 tot en met februari 2002 tot een totaalbedrag van € 38.091,- binnen veertien dagen te 	voldoen. PWZ heeft daaraan geen gehoor gegeven.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De vordering en de grondslag daarvan</para>
      <para>3.1	[eiseres] vordert, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	primair:</para>
      <para>a.	PWZ op straffe van verbeurte van een dwangsom zal veroordelen aan [eiseres] een 			medewerkersovereenkomst op de voet van artikel 44 lid 1 van de Ziekenfondswet aan te bieden voor een 		normpraktijk van 150 zorgeenheden, voor de duur van twee jaar;</para>
      <para>b.	PWZ zal veroordelen om aan [eiseres] te betalen de somma van € 38.901,-, althans een door de 			voorzieningenrechter te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van 		dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	subsidiair:</para>
      <para>	een voorziening zal treffen die de voorzieningenrechter juist zal achten.</para>
      <para>3.2	[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat:</para>
      <para>	-PWZ bij [eiseres] de verwachting heeft gewekt dat zij haar een medewerkersovereenkomst 			zou aanbieden en dat PWZ aan die verwachting dient te voldoen;</para>
      <para>	-PWZ op grond van de bepalingen van de Ziekenfondswet gehouden is [eiseres] een 			medewerkersovereenkomst aan te bieden;</para>
      <para>	-PWZ zich ten onrechte beroept op haar contracteervrijheid en misbruik maakt van haar 			economische machtspositie door te weigeren met anderen dan de Stichting medewerkersovereenkomsten 		af te sluiten.</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>4.Het verweer en de slotsom daarvan</para>
      <para>4.1PWZ heeft tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing daarvan met veroordeling [eiseres] in de kosten van het geding. Op dit verweer zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan. </para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>5.De gronden van de beslissing</para>
      <para>5.1[eiseres] legt aan het onder 3.1.a. gevorderde onder meer ten grondslag dat PWZ bij haar de verwachting heeft gewekt dat haar een medewerkersovereenkomst zou worden aangeboden. Deze stelling is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Voor zover [eiseres] met deze stelling doelt op de zinsnede in de preambule van de overeenkomst tussen haar en de Stichting “PWZ zal naar verwachting een overeenkomst met mevrouw [eiseres] willen aangaan, …” geldt dat [eiseres] daaraan jegens PWZ geen rechten kan ontlenen. Door de Stichting gewekte verwachtingen binden PWZ immers niet. De omstandigheid dat [eiseres] blijkens een door haar overgelegd uittreksel d.d. 27 mei 2002 is ingeschreven in de database van Vektis, het landelijk registratiesysteem van zorgverleners, kan evenmin de conclusie rechtvaardigen dat PWZ [eiseres] een medewerkersovereenkomst heeft willen aanbieden en daartoe thans gehouden is, reeds gezien het feit dat PWZ ontkent dat zij [eiseres] in Vektis heeft ingeschreven en het tegendeel in dit kort geding niet kan worden vastgesteld. Door [eiseres] gestelde mondelinge toezeggingen zijn, tegenover de gemotiveerde betwisting door PWZ, onvoldoende aannemelijk geworden.</para>
      <para>5.2Ter terechtzitting heeft [eiseres] haar stelling dat PWZ uit hoofde van artikel 47 van de Ziekenfondswet gehouden zou zijn haar een medewerkersovereenkomst aan te bieden ingetrokken en erkend dat dat artikel op haar niet van toepassing is. [eiseres] stelt dat PWZ desalniettemin misbruik maakt van de sedert 1992 voor ziekenfondsen bestaande contracteervrijheid. Ter toelichting voert zij aan dat de Wet beperking contracteerplicht in de eerste plaats ten doel had om, door meer evenwicht te brengen in de onderhandelingsposities van verzekeraars en zorgaanbieders, een kwalitatief en kwantitatief meer verantwoorde zorgverlening te bewerkstelligen. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat PWZ, door voor verloskundige zorg uitsluitend met de Stichting te contracteren, het tegendeel bewerkstelligt. Zij onderbouwt dit door aan te voeren dat de verloskundige zorg die met tussenkomst van de Stichting wordt verleend onnodig duur is, aangezien PWZ boven het vastgestelde maximumtarief aan de Stichting een toeslag betaalt van </para>
      <para>ƒ 750,- per bevalling. Daar komt bij dat de Stichting, aldus [eiseres], kwalitatief minder goede zorg verleent, omdat zij onvoldoende mogelijkheden biedt om thuisbevallingen te (doen) begeleiden.</para>
      <para>5.3Dat de kosten van verloskundige zorg hoger zijn doordat PWZ met de Stichting contracteert, is vooralsnog onvoldoende aannemelijk geworden, nu tegenover de gemotiveerde betwisting door PWZ niet is komen vast te staan dat de toeslag van ƒ 750,- die PWZ aan de Stichting betaalt ten laste komt van de ziekenfondskas.  </para>
      <para>5.4Wat betreft de stelling dat PWZ kwalitatief betere zorg zou bieden indien zij met [eiseres] een medewerkersovereenkomst zou aangaan, omdat de Stichting onvoldoende in de vraag naar verloskundige hulp bij thuisbevallingen kan voorzien, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Beide partijen hebben cijfers in het geding gebracht met betrekking tot het aantal vrouwen dat de voorkeur geeft aan een thuisbevalling. Uit de door [eiseres] geproduceerde cijfers valt niet af te leiden dat de door de Stichting geboden verloskundige hulp bij thuisbevallingen onvoldoende is. Een opsomming van vrouwen die zorg bij een thuisbevalling wensten, maar niet hebben gekregen, is immers niet geproduceerd. Vooralsnog dient daarom te worden aangenomen dat PWZ door middel van haar overeenkomst met de Stichting voldoende in de behoefte aan zorg bij thuisbevallingen kan voorzien. De voorzieningenrechter volgt [eiseres] derhalve niet in haar betoog dat PWZ misbruik maakt van haar contracteervrijheid.</para>
      <para>5.5Daarbij komt dat niet valt in te zien op grond waarvan PWZ, indien al zou vaststaan dat de Stichting onvoldoende zorgcapaciteit heeft om thuisbevallingen te begeleiden, verplicht zou zijn juist met [eiseres] een contract aan te gaan. Dit klemt te meer daar de gynaecologen van het Waterlandziekenhuis te Purmerend in hun onder 2.1.j. aangehaalde brief hebben kenbaar gemaakt niet met [eiseres] te willen samenwerken.</para>
      <para>5.6Met hetgeen onder 5.4. werd overwogen, is tevens weerlegd het argument van [eiseres] dat PWZ, door te weigeren haar een medewerkersovereenkomst aan te bieden, handelt in strijd met de voor haar in artikel 8 lid 5 van de Ziekenfondswet neergelegde verplichting  om ervoor zorg te dragen dat de bij haar ingeschreven verzekerden hun aanspraken op verstrekkingen tot gelding kunnen brengen. Daarbij geldt overigens dat het nog de vraag is of, indien PWZ niet aan voormelde verplichting zou voldoen, een individuele zorgaanbieder aan artikel 8 van de Ziekenfondswet rechten jegens PWZ kan ontlenen.</para>
      <para>5.7Vervolgens stelt [eiseres] dat PWZ handelt in strijd met het in artikel 6 van de Mededingingswet neergelegde verbod op mededingingsafspraken. [eiseres] kan zich echter niet met vrucht op voormeld artikel beroepen omdat artikel 16 van de Mededingingswet in de weg staat aan toetsing van de overeenkomst tussen PWZ en de Stichting aan artikel 6 van die wet. Die beoordeling is aan de Ziekenfondsraad voorbehouden. Het niet verstrekken van een medewerkersovereenkomst aan [eiseres] levert ook geen misbruik van machtspositie op. Uit het Consultatiedocument Richtsnoeren voor de zorgsector van de Nederlandse Mededingingsautoriteit - waarin wordt uiteengezet welke criteria gehanteerd worden bij de handhaving van onder meer het in artikel 24 van de Mededingingswet neergelegde verbod op misbruik van een economische machtspositie - blijkt immers dat PWZ niet gehouden is meer zorg in te kopen nu, zoals onder 5.4. werd overwogen, vooralsnog aannemelijk is dat PWZ voldoende zorg heeft ingekocht. </para>
      <para>5.8Al het voorgaande voert er reeds toe dat het onder 3.1.a. gevorderde niet voor toewijzing vatbaar is. Het subsidiair gevoerde verweer behoeft daardoor geen bespreking meer.</para>
      <para>5.9Het onder 3.1.b. gevorderde is evenmin voor toewijzing vatbaar nu geen sprake is van een contractuele band tussen [eiseres] en PWZ, op grond waarvan [eiseres] aanspraak zou kunnen maken op betaling door PWZ voor werkzaamheden die [eiseres] uit hoofde van een overeenkomst met de Stichting heeft verricht. Bovendien valt niet in te zien waarom [eiseres] haar declaraties niet, zoals voorheen, zou kunnen indienen bij de Stichting. De omstandigheid dat de overeenkomst van samenwerking inmiddels is beëindigd, behoeft daaraan niet in de weg te staan.</para>
      <para>5.10Voor het treffen van een voorziening als subsidiair gevorderd zijn onvoldoende aanknopingspunten. De gevraagde voorzieningen zullen dan ook worden geweigerd met veroordeling van [eiseres] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>	De voorzieningenrechter:</para>
      <para>6.1	Weigert de gevraagde voorzieningen. </para>
      <para>6.2	Veroordeelt eiseres in de kosten van het geding tot aan de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van 		gedaagde begroot op € 193,- aan verschotten en € 703,36 aan procureurssalaris.</para>
      <para>6.3	Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <para>	</para>
    <para>	Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer, voorzieningenrechter van deze rechtbank, en in het 		openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 11 juni 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>