<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGRO:1999:AA3687</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:10:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3687</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AJ9605</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Groningen" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Groningen</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-10-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/141 ABW V12, AWB 98/246 ABW V12</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=3&amp;g=1999-10-12">Algemene bijstandswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 2000, 22</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGRO:1999:AA3687">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGRO:1999:AA3687</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGRO:1999:AA3687 Rechtbank Groningen , 12-10-1999 / AWB 98/141 ABW V12, AWB 98/246 ABW V12</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGRO:1999:AA3687:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGRO:1999:AA3687:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>451 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN</para>
      <para>SECTOR BESTUURSRECHT</para>
      <para>ENKELVOUDIGE KAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Reg.nrs.: AWB 98/141 ABW V12</para>
      <para>AWB 98/246 ABW V12</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>inzake de geschillen tussen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, wonende te B, eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: mr R. van Asperen, advocaat en procureur te Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>burgemeester en wethouders van Groningen, verweerders.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerders hebben eiseres op 2 oktober 1997 mondeling medegedeeld, dat de </para>
      <para>aan haar toegekende uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) </para>
      <para>met ingang van 1 september 1997 feitelijk is beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft op 6 oktober 1997 op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet </para>
      <para>bestuursrecht (Awb) een bezwaarschrift ingediend tegen de feitelijke beëindiging </para>
      <para>van haar bijstandsuitkering met ingang van 1 september 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beroepschrift van 13 januari 1998 heeft eiseres beroep ingesteld bij de </para>
      <para>rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerders op haar </para>
      <para>bezwaarschrift van 6 oktober 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 16 januari 1998 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de zaak </para>
      <para>verder met toepassing van Afdeling 8.2.3 Awb versneld wordt behandeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 6 februari 1998, reg.nr. AWB 98/67 ABW V04, heeft de </para>
      <para>rechtbank dit beroep gegrond verklaard en het met een besluit gelijk te stellen niet </para>
      <para>beslissen door verweerders op het bezwaarschrift van eiseres van 6 oktober 1997 </para>
      <para>vernietigd. Voorts is bepaald dat verweerders binnen vier weken na de dag van </para>
      <para>verzending van de uitspraak een beslissing dienen te nemen op het </para>
      <para>bezwaarschrift van eiseres van 6 oktober 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 oktober 1997, cliëntnummer ATT01974875K, hebben </para>
      <para>verweerders de uitkering van eiseres ingevolge de Abw vanaf 1 juli 1997 </para>
      <para>ingetrokken, onder de overweging dat eiseres niet, niet volledig en/of correct heeft </para>
      <para>voldaan aan de in artikel 65 Abw neergelegde verplichting tot het verstrekken van </para>
      <para>inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van het recht op uitkering. </para>
      <para>Voorts hebben verweerders bij dit besluit van eiseres een bedrag van ? 3.408,62 </para>
      <para>teruggevorderd over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 augustus 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft eiseres op 24 oktober 1997 op grond van artikel 7:1 Awb </para>
      <para>een bezwaarschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen uitblijven van een beslissing op haar bezwaar bij beroepschrift </para>
      <para>van 2 februari 1998 op nader in het beroepschrift aangegeven gronden beroep </para>
      <para>ingesteld (reg.nr. AWB 98/141 ABW V12).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft partijen op 4 februari 1998 meegedeeld het beroep met </para>
      <para>toepassing van Afdeling 8.2.3 Awb versneld te behandelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerders hebben op 12 februari 1998 de op de zaak betrekking hebben de </para>
      <para>stukken toegezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerders hebben bij besluit van 3 maart 1998 de bezwaarschriften van </para>
      <para>eiseres van 6 en 24 oktober 1997 gericht tegen de feitelijke beëindiging van haar </para>
      <para>uitkering ingevolge de Abw per 1 september 1997 respectievelijk tegen </para>
      <para>voornoemd besluit van 16 oktober 1997 ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarbij is ten aanzien van de vaststelling van de gezamenlijke huishouding </para>
      <para>verwezen naar artikel 3, derde lid, sub a en c, Abw. Voorts is bepaald dat de </para>
      <para>aflossing zal plaatsvinden middels 10% inhouding van de voor eiseres geldende </para>
      <para>bijstandsnorm inclusief de vakantietoeslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft eiseres bij beroepschrift van 10 maart 1998, op nader in </para>
      <para>het aanvullend beroepschrift van 31 maart 1998 aangegeven gronden, beroep </para>
      <para>ingesteld (reg.nr. AWB 98/246 ABW V12).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 11 maart 1998 heeft de rechtbank partijen bericht het beroep, </para>
      <para>geregistreerd onder nummer AWB 98/141 ABW V12, op de gewone wijze te </para>
      <para>behandelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerders hebben op 28 april 1998 de op de zaak betrek-king hebbende </para>
      <para>stukken aan de recht-bank toegezonden, alsmede een verweer-schrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij brief van 17 juni 1998 heeft eiseres van repliek gediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door </para>
      <para>de griffier aan partijen toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De geschillen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van </para>
      <para>de rechtbank van 1 oktober 1999.</para>
      <para>Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.</para>
      <para>Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door H. Blokzijl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres en haar gemachtigde hebben afgezien van het ter zitting (doen) horen </para>
      <para>van de door de gemachtigde van eiseres bij faxbericht van 23 september 1999 </para>
      <para>aangezegde getuige X.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>2. RECHTSOVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>De feiten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres ontving sedert 29 januari 1984 een uitkering krachtens de Algemene </para>
      <para>Bijstandswet (hierna: ABW).</para>
      <para>Na een kennismakingsperiode van 3 maanden hebben eiseres en X </para>
      <para>gedurende de periode van </para>
      <para>mei 1993 tot april 1994 een duurzame gezamenlijke huishouding gevoerd.</para>
      <para>Bij besluit van 19 april 1994 is eiseres met ingang van 1 april 1994 een uitkering </para>
      <para>krachtens de ABW verstrekt naar de norm voor een eenoudergezin.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de door haar op 21 juli 1997 ondertekende maandverklaring van de maand juli </para>
      <para>1997 heeft eiseres verklaard dat zij met ingang van 1 juli 1997 een huurder had.</para>
      <para>Uit de gemeentelijke basisadministratie bleek dat deze huurder een ex-partner </para>
      <para>van eiseres betrof, te weten X.</para>
      <para>Vervolgens is de Abw-uitkering van eiseres per 1 september 1997 feitelijk </para>
      <para>geblokkeerd in afwachting van een nader onderzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft eiseres op 6 oktober 1997 een bezwaarschrift ingediend bij </para>
      <para>verweerders.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres is op 2 oktober 1997 uitgenodigd voor een gesprek. In dit gesprek heeft </para>
      <para>zij verklaard dat de huurder X is en dat hij inkomsten uit arbeid ontvangt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 oktober 1997 hebben verweerders de uitkering van eiseres </para>
      <para>ingevolge de Abw vanaf 1 juli 1997 ingetrokken, onder de overweging dat eiseres </para>
      <para>niet, niet volledig en/of correct heeft voldaan aan de in artikel 65 Abw neergelegde </para>
      <para>verplichting tot het verstrekken van inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het </para>
      <para>vaststellen van het recht op uitkering. De over de periode van 1 juli tot en met </para>
      <para>31 augustus 1997 aan eiseres verstrekte uitkering, een bedrag van ? 3.408,62, is </para>
      <para>bij dit besluit van haar teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft eiseres op 24 oktober 1997 een bezwaarschrift ingediend </para>
      <para>bij verweerders. Daarbij heeft zij ontkend onvolledige of onjuiste inlichtingen te </para>
      <para>hebben verstrekt. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat verweerders ten onrechte </para>
      <para>ervan zijn uitgegaan dat zij met ingang van 1 juli 1997 is gaan samenwonen met </para>
      <para>X.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bezwaren van eiseres zijn behandeld in de vergadering van de Commissie </para>
      <para>voor de bezwaarschriften </para>
      <para>Wet Boeten, maatregelen en terug- en invordering Sociale Zekerheid van </para>
      <para>23 februari 1998. De Commissie heeft verweerders geadviseerd de bezwaren </para>
      <para>ongegrond te verklaren, onder aanvulling van de motivering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerders hebben eerst op 3 maart 1998 op deze bezwaarschriften beslist.</para>
      <para>Verweerders hebben zich, onder verwijzing naar het rapport van de dienst Sociale </para>
      <para>Zaken en Werkgelegenheidsprojecten (SOZAWE) van 8 januari 1998 en </para>
      <para>overeenkomstig het advies van de Commissie, op het standpunt gesteld dat </para>
      <para>eiseres heeft nagelaten aan hen mee te delen dat zij met ingang van 1 juli 1997 </para>
      <para>een gezamenlijke huishouding voert met X. Daarbij hebben verweerders </para>
      <para>verwezen naar artikel 3, derde lid, sub a en c, Abw.</para>
      <para>Voorts hebben verweerders terzake van de terugvordering bepaald dat de </para>
      <para>aflossing zal plaatsvinden door middel van een inhouding van 10% op de aan </para>
      <para>eiseres toegekende Abw-uitkering naar de voor haar geldende bijstandsnorm </para>
      <para>inclusief de vakantietoeslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Zij heeft naar voren gebracht dat zij tijdig </para>
      <para>melding heeft gemaakt van het inwonen van X. Hieraan kan, aldus </para>
      <para>eiseres, niet afdoen dat deze onderhuur tot gevolg heeft dat eiseres (juridisch) </para>
      <para>een gezamenlijke huishouding voert met X. Eiseres heeft verder betoogd </para>
      <para>dat artikel 3, derde lid, Abw in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot </para>
      <para>bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). </para>
      <para>Voorts is eiseres van mening dat de terugvordering achterwege dient te blijven, </para>
      <para>aangezien SOZAWE niet adequaat heeft gereageerd op de door eiseres </para>
      <para>verstrekte inlichtingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het van toepassing zijnde recht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw wordt van overheidswege aan iedere </para>
      <para>Nederlander, die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te </para>
      <para>geraken, dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van </para>
      <para>het bestaan te voorzien, bijstand verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f, Abw bepaalt dat in deze wet en de daarop </para>
      <para>berustende bepalingen worden als partners geregistreerden gelijkgesteld met </para>
      <para>gehuwden.</para>
      <para>Krachtens artikel 3, tweede lid, onder a, worden als gehuwd of als echtgenoot </para>
      <para>mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke </para>
      <para>huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. </para>
      <para>Op grond van artikel 3, derde lid, Abw, is van een gezamenlijke huishouding, </para>
      <para>bedoeld in het tweede lid, sprake indien twee perso-nen hun hoofdverblijf in </para>
      <para>dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel </para>
      <para>van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel </para>
      <para>anderszins.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Krachtens het vierde lid van voornoemd artikel 3 wordt -voor zover hier van </para>
      <para>belang- een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de </para>
      <para>belanghebbenden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en:</para>
      <para>a.	zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de verlening van </para>
      <para>bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;</para>
      <para>c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding </para>
      <para>krachtens een geldend samenlevingscontract.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 65, eerste lid, Abw bepaalt - voor zover hier van belang - dat de </para>
      <para>belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen </para>
      <para>beweging onverwijld mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan </para>
      <para>hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht </para>
      <para>op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand of op het bedrag van de bijstand </para>
      <para>dat aan hem wordt betaald.</para>
      <para>Op grond van het tweede lid dient de belanghebbende gebruik te maken van een </para>
      <para>door burgemeester en wethouders verstrekt formulier.</para>
      <para>Op grond van het derde lid is de belanghebbende verplicht aan burgemeester en </para>
      <para>wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is </para>
      <para>voor de uitvoering van deze wet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Krachtens artikel 69, derde lid, Abw herzien burgemeester en wethouders, </para>
      <para>onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of </para>
      <para>intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand, een dergelijk besluit of </para>
      <para>trekken zij dit in:</para>
      <para>a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet </para>
      <para>behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft </para>
      <para>geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;</para>
      <para>b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is </para>
      <para>verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 78, eerste lid, Abw worden kosten van bijstand door de </para>
      <para>gemeente teruggevorderd in de gevallen en naar de regels aangegeven in </para>
      <para>paragraaf 2 van hoofdstuk VI.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 78, derde lid, Abw, kunnen burgemeester en wethouders </para>
      <para>besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor </para>
      <para>dringende redenen aanwezig zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Krachtens artikel 81, eerste lid, Abw wordt bijstand die als gevolg van een besluit </para>
      <para>als bedoeld in artikel 14 f 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog </para>
      <para>bedrag is verleend, van de belanghebbende teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts is in artikel 138 Abw bepaald dat voor de toepassing van artikel 8:1, eerste </para>
      <para>lid, Awb met een besluit wordt gelijkgesteld het nalaten van een handeling die </para>
      <para>strekt tot uitvoering van het besluit inzake de verlening of terugvordering van </para>
      <para>bijstand of het verrichten van een handeling die afwijkt van dat besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beoordeling van het geschil.</para>
    <para />
    <para>Met betrekking tot reg.nr. AWB 98/246 ABW V12</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerders zich bij het bestreden besluit </para>
      <para>onder meer hebben gebaseerd op artikel 3, derde lid, onder a en c, Abw. Dit </para>
      <para>artikellid is evenwel met ingang van 1 januari 1998 gewijzigd. Het oude derde </para>
      <para>artikellid is per laatstgenoemde datum hernummerd tot lid 4. Aangezien geen </para>
      <para>inhoudelijke wijziging van dit artikellid heeft plaatsgevonden ziet de rechtbank </para>
      <para>geen aanleiding om reeds hierom te oordelen dat het bestreden besluit niet in </para>
      <para>stand zal kunnen blijven. De rechtbank zal het besluit dan ook toetsen aan de op </para>
      <para>het moment van de bestreden beslissing geldende regelgeving.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank overweegt voorts als volgt.</para>
    <para />
    <para>De herziening van de uitkering</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het door eiseres op 21 juli 1997 ondertekende inlichtingenformulier over de </para>
      <para>maand juli 1997 blijkt dat zij melding heeft gemaakt van het feit dat zij met ingang </para>
      <para>van 1 juli 1997 een huurder heeft. Eiseres heeft evenwel op dat formulier niet </para>
      <para>vermeld dat de huurder een ex-partner van haar was. Zij stelt in beroep dit wel te </para>
      <para>hebben gemeld aan de balie van de Dienst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bepaalde in artikel 3, vierde lid, onder a, Abw is dit gegeven van </para>
      <para>invloed op haar recht op uitkering.</para>
      <para>Immers, vast staat dat eiseres en X in de periode mei 1993 tot april 1994 </para>
      <para>voor de bijstandsverlening als gehuwden zijn aangemerkt. Voor de beoordeling </para>
      <para>van het recht van eiseres op een bijstandsuitkering is dan ook van </para>
      <para>doorslaggevend belang het antwoord op de vraag of eiseres en X </para>
      <para>gezamenlijk hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning.</para>
      <para>Gelet op de door eiseres op haar inlichtingenformulier verstrekte informatie kan </para>
      <para>niet anders worden geconcludeerd dan dat op grond van het bepaalde in artikel 3, </para>
      <para>vierde lid, onder a, Abw sprake is van een gezamenlijke huishouding. </para>
      <para>Dat, zoals eiseres heeft betoogd, er geen sprake is van een gezamenlijke </para>
      <para>huishouding omdat zij geen blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar kan </para>
      <para>hieraan niet afdoen. Eiseres doelt hier kennelijk op </para>
      <para>artikel 3, derde lid, Abw, doch dit artikellid is niet op eiseres van toepassing. Het </para>
      <para>feit dat eiseres en X eerder voor de bijstandsverlening als gehuwden zijn </para>
      <para>aangemerkt levert reeds een onweerlegbaar rechtsvermoeden op, hetgeen de </para>
      <para>uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft voorts naar voren gebracht dat het hanteren van een dergelijk </para>
      <para>rechtsvermoeden in strijd is met artikel 6 EVRM. De rechtbank overweegt </para>
      <para>dienaangaande als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EVRM verbiedt in beginsel geen feitelijke of wettelijke rechtsvermoedens. </para>
      <para>Verdragsstaten moeten daarbij wel redelijke grenzen in acht nemen, zodat met de </para>
      <para>betrokken belangen rekening wordt gehouden en de rechten van de verdediging </para>
      <para>in stand blijven. In de onderhavige zaak betreft het niet een vervolging wegens </para>
      <para>een strafbaar feit als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, doch het </para>
      <para>vaststellen van de burgerlijke rechten en verplichtingen van eiseres in het kader </para>
      <para>van het geldend maken van een aanspraak op een uitkering ingevolge de Abw, </para>
      <para>zodat in casu wel artikel 6, eerste lid, EVRM van toepassing is, maar niet het </para>
      <para>tweede lid van dat artikel.</para>
      <para>Uit artikel 3, vierde lid, Awb volgt slechts dat er sprake is van een onweerlegbaar </para>
      <para>rechtsvermoeden in het geval voldaan wordt aan een van de onder a tot en met d </para>
      <para>genoemde situaties en de belanghebbenden tevens hun hoofdverblijf hebben in </para>
      <para>dezelfde woning. Het vermoeden moet derhalve gedragen worden door 2 </para>
      <para>objectief vast te stellen feiten. </para>
      <para>Om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat met </para>
      <para>het hanteren van een dergelijk rechtsvermoeden de grenzen van het redelijke </para>
      <para>worden overschreden, noch dat anderszins sprake is van strijdigheid met het </para>
      <para>Verdrag. </para>
      <para>Deze grief van eiseres dient daarom te falen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank hebben verweerders zich dan ook op goede </para>
      <para>gronden op het standpunt gesteld dat eiseres niet volledig heeft voldaan aan de </para>
      <para>op haar rustende, in artikel 65, eerste lid, Abw neergelegde </para>
      <para>inlichtingenverplichting.</para>
      <para>Zij heeft immers op het daartoe bestemde formulier geen melding gemaakt van </para>
      <para>het feit dat de huurder haar ex-partner was. Dat zij mogelijk daarvan melding </para>
      <para>heeft gemaakt aan de balie kan daaraan niet afdoen, nu daarvan uit de </para>
      <para>beschikbare stukken niet is gebleken en zij op grond van artikel 65, tweede lid, </para>
      <para>Abw verplicht is een en ander te melden op het daartoe verstrekte formulier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu er sprake is van een gezamenlijke huishouding en door eiseres niet bestreden </para>
      <para>is dat X een inkomen heeft dat hoger is dan de voor een echtpaar </para>
      <para>geldende bijstandsnorm, hebben verweerders terecht geoordeeld dat er per 1 juli </para>
      <para>1997 geen recht op een uitkering ingevolge de Abw bestaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerders hebben de uitkering van eiseres dan ook op goede gronden herzien.</para>
      <para>Het beroep van eiseres moet in zoverre dan ook ongegrond worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De terugvordering</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerders waren, nu eiseres haar inlichtingenverplichting niet is nagekomen, </para>
      <para>dan ook op grond van artikel 78, eerste lid, in samenhang met artikel 81, eerste </para>
      <para>lid, Abw gehouden over te gaan tot terugvordering van de ten onrechte aan </para>
      <para>eiseres betaalde bijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Niet gebleken is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerders hebben de uitkering over de maanden juli en augustus 1997 dan ook </para>
      <para>terecht van eiseres teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft met betrekking tot de wijze waarop de terugvordering plaatsvindt </para>
      <para>geen grieven aangevoerd, terwijl de rechtbank -ambtshalve oordelend- ook geen </para>
      <para>aanleiding ziet om de wijze waarop wordt verrekend met de lopende uitkering </para>
      <para>voor onjuist te houden.</para>
      <para>Het beroep van eiseres is in zoverre dan ook ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De opschorting</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerders, gelet op de gegevens uit de </para>
      <para>gemeentelijke basisadministratie terzake van de huurder van eiseres, de </para>
      <para>uitbetaling van eiseres uitkering met ingang van 1 september 1997 konden </para>
      <para>opschorten. Op dat moment was er immers grond voor het vermoeden dat voor </para>
      <para>eiseres het recht op uitkering niet meer bestond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.</para>
    <para />
    <para>Met betrekking tot reg.nr. AWB 98/141 ABW V12.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door </para>
      <para>verweerders op haar bezwaarschrift van 24 oktober 1997. Zij heeft verzocht het </para>
      <para>met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen door verweerders op haar </para>
      <para>bezwaarschrift te vernietigen en verweerders te veroordelen tot vergoeding van </para>
      <para>de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat verweerders bij besluit van 3 maart 1998 alsnog </para>
      <para>hebben beslist op het bezwaarschrift van eiseres van 24 oktober 1997, tegen </para>
      <para>welk besluit eiseres afzonderlijk beroep heeft ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen processueel belang meer </para>
      <para>bij een beoordeling van haar beroep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 </para>
      <para>februari 1997 (RSV 97/297) overweegt de rechtbank dat een belang bij </para>
      <para>gegrondverklaring van het ingestelde beroep niet uitsluitend gelegen kan zijn in </para>
      <para>het verkrijgen van een vergoeding van de gemaakte proceskosten dan wel het </para>
      <para>griffierecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook in andere gevallen dan die waarin het beroep gegrond wordt verklaard kent </para>
      <para>de wet de bestuursrechter de bevoegdheid daartoe over te gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar </para>
      <para>bezwaarschrift dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Griffierecht en proceskosten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wel ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het door eiseres gestorte </para>
      <para>griffierecht op grond van artikel 8:74, tweede lid, Awb, door de gemeente </para>
      <para>Groningen aan eiseres wordt vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerders op de voet van artikel </para>
      <para>8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die in verband met de </para>
      <para>behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs door eiseres zijn </para>
      <para>gemaakt en wijst de gemeente Groningen aan als de rechtspersoon die deze </para>
      <para>kosten aan eiseres moet vergoeden. De rechtbank volgt niet de redenering van </para>
      <para>verweerders dat er geen ruimte is voor een proceskostenveroordeling nu over </para>
      <para>hetzelfde aspect door eiseres reeds eerder is geprocedeerd en waarbij zij in het </para>
      <para>gelijk is gesteld, onder veroordeling van verweerders in de kosten van die </para>
      <para>procedure. </para>
      <para>Immers, in de door verweerders bedoelde zaak (AWB 98/67 ABW) was sprake </para>
      <para>van beroep tegen het niet tijdig beslissen op het d.d. 6 oktober 1997 ingediende </para>
      <para>bezwaarschrift, terwijl in de onderhavige procedure het niet tijdig beslissen op het </para>
      <para>bezwaarschrift van 24 oktober 1997 speelt. Dat het bij beide bezwaarschriften om </para>
      <para>dezelfde kwestie gaat doet daaraan niet af. Het indienen van twee </para>
      <para>bezwaarschriften en het vervolgens tweemaal instellen van beroep tegen het niet </para>
      <para>tijdig beslissen op die bezwaarschriften vloeit veeleer voort uit de werkwijze van </para>
      <para>verweerders (eerst feitelijke beëindiging van de uitkering, vervolgens een </para>
      <para>intrekkingsbesluit uitreiken), terwijl verweerders -door tijdig te beslissen op </para>
      <para>bezwaarschriften- zelf het instellen van beroep wegens niet tijdig beslissen op </para>
      <para>bezwaar kunnen voorkomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, bepaalt de </para>
      <para>rechtbank deze kosten op ? 1.065,00, zoals aangegeven in een bij de uitspraak </para>
      <para>gevoegde bijlage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>3. BESLISSING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige </para>
      <para>kamer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>RECHT DOENDE,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift </para>
      <para>van eiseres van 24 oktober 1997 niet-ontvankelijk;</para>
      <para>-	verklaart het beroep tegen het besluit van 3 maart 1998 ongegrond;</para>
      <para>- bepaalt dat de gemeente Groningen eiseres het betaalde griffierecht ad </para>
      <para>? 55,00 vergoedt;</para>
      <para>- veroordeelt verweerders in de door eiseres gemaakte proceskosten, </para>
      <para>welke zijn vastgesteld op ? 1.065,00, en be-paalt dat de gemeente Groningen </para>
      <para>deze kosten aan eiseres dient te betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.W. de Jonge, rechter en in het openbaar door haar </para>
      <para>uitgesproken op 12 oktober 1999, in tegenwoordigheid van A.M. van der List-van </para>
      <para>Winden als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De griffier, wnd.	De rechter</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken </para>
      <para>na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen </para>
      <para>instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden op: 12 oktober 1999	Bijlage: Staat van kosten</para>
      <para>typ: fz</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>