<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2026:833</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-11T17:00:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ARN 24_4102</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:833">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:833</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-05T11:14:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2026:833 Rechtbank Gelderland , 05-02-2026 / ARN 24_4102</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2026:833:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef het verzoek om inzage gedeeltelijk heeft mogen afwijzen. De korpschef heeft met het bestreden besluit, het verweerschrift en de aanvullende motivering die onder geheimhouding aan de rechtbank is verstrekt, voldoende gemotiveerd waarom inzage in een deel van de gevraagde gegevens is geweigerd. Daarbij heeft de korpschef in het bestreden besluit kunnen volstaan met een impliciete belangenafweging, omdat met een nadere toelichting alsnog informatie wordt prijsgegeven over wat de aard en inhoud is van de politiegegevens die zijn geweigerd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2026:833:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ARN 24/4102 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak tussen</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], uit [plaats], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde]),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de korpschef van politie </bridgehead>
    <para>(gemachtigden: T. Top en L.M. Bouwens).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van eisers verzoek om inzage in politiegegevens die over hem zijn verwerkt. Eiser is het niet eens met deze gedeeltelijke afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van eisers verzoek om inzage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef het verzoek om inzage gedeeltelijk heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser heeft op 13 februari 2024 verzocht om inzage in politiegegevens die over hem zijn verwerkt op grond van artikel 25 van de Wet politiegegevens (Wpg). Meer in het bijzonder verzoekt eiser om inzage in de processen-verbaal uit 2009, 2014 en 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Met het besluit van 8 mei 2024 heeft de korpschef het verzoek gedeeltelijk ingewilligd. Voor een deel van de politiegegevens heeft de korpschef het verzoek afgewezen ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de ten uitvoerlegging van straffen<footnote-ref linkend="_9af9e9c0-94bb-4cb6-b9ea-da3b27833def" /> en ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden.<footnote-ref linkend="_9daecadf-2966-45a2-9ca8-bf2b22a5520d" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft, hangende deze beroepsprocedure, de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij de uitspraak van <?linebreak?>25 oktober 2024 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.<footnote-ref linkend="_d9828e5b-5fca-4f2e-8165-1aa117c32fd2" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De korpschef heeft tijdens de beroepsprocedure de stukken waarvan inzage is geweigerd en een nadere motivering van het bestreden besluit naar de rechtbank toegestuurd, waarbij is verzocht dat uitsluitend de rechtbank kennis zal nemen van deze stukken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft op 11 juni 2025 beslist dat de beperkte kennisneming van de nadere motivering gerechtvaardigd is. Voor de stukken waarvan inzage is geweigerd handelt de bestuursrechter alsof de bestuursrechter heeft besloten dat beperkte kennisneming gerechtvaardigd is.<footnote-ref linkend="_4891c10d-6e67-4199-9218-4a8ea814fb31" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Eiser heeft toestemming gegeven om mede op grondslag van de stukken waarvan inzage is geweigerd en de nadere motivering uitspraak te doen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de korpschef. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het beoordelingskader</emphasis>
      </para>
      <para>3. Gegevens die zijn verwerkt in het kader van de uitoefening van de politietaak moeten worden aangemerkt als politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 25 van de Wpg volgt dat degene op wie een politiegegeven betrekking heeft in beginsel een recht op kennisneming van die gegevens heeft met het oog op de uitoefening van zijn rechten tot verbetering of verwijdering van die gegevens.<footnote-ref linkend="_d61e45d2-117f-420e-b4af-718230c7d5c7" /> Het inzagerecht ziet op inzage in de politiegegevens van de verzoeker en niet van anderen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het recht op kennisneming van de politiegegevens is geen absoluut recht. Uit artikel 27, eerste lid, van de Wpg volgt dat een verzoek om kennisneming van politiegegevens wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is vanwege de in die bepaling vermelde belangen. Aan een weigering op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wpg moet een belangenafweging ten grondslag liggen.<footnote-ref linkend="_a61e4330-1c1b-4323-ad7d-ecabea697e96" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is het bestreden besluit in strijd met het recht op een eerlijk proces?</emphasis>
        </para>
        <para>4. Eiser stelt dat het bestreden besluit in strijd is met zijn recht op een eerlijk proces op grond van artikel 6 van het EVRM<footnote-ref linkend="_4a454b92-b05a-421b-bd3d-bd9976696241" /> en artikel 17 van de Grondwet. Eiser heeft verzocht om inzage in de politiegegevens die over hem zijn verwerkt, omdat hij een besluit van de korpschef heeft ontvangen tot intrekking van eisers wapenverlof wegens vrees voor misbruik. Zonder inzage in de politiegegevens die over eiser zijn verwerkt kan hij zich niet verweren in een procedure tegen dat besluit. Verder heeft eiser op de zitting toegelicht dat het in strijd is met een eerlijk proces dat eiser wordt gedwongen om beroep in te stellen zodat door de rechtbank kan worden beoordeeld of de gevraagde inzage terecht wordt geweigerd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Dat eiser beroep moet instellen om door de rechtbank te laten beoordelen of terecht inzage is geweigerd in een deel van eisers politiegegevens, maakt niet dat sprake is van strijd met artikel 6 van het EVRM. Dat artikel bevat minimumnormen voor een eerlijke procesvoering, maar deze zijn niet absoluut. De nationale wetgever mag met het oog op een goede procesorde of ter bescherming van het algemeen belang of belangen van derden, procedurevoorschriften en beperkingen stellen, mits het eerlijke karakter van de procesvoering daarmee niet in essentie wordt aangetast. De regeling van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is met zodanige waarborgen omkleed, dat het recht op een eerlijke procesvoering daarmee niet in essentie wordt aangetast. Een analoge toepassing van artikel 2.8, zesde lid, van het Procesreglement bij zaken die gaan over de weigering om inzage of verstrekking van stukken en gegevens op grond van de Wpg is ook niet in strijd met artikel 8:29 van de Awb.<footnote-ref linkend="_705c3fa7-3409-4534-818c-afd7fdfa5849" /> Verder kan de rechtbank geen oordeel geven over de vraag of in andere procedures, zoals een procedure over de intrekking van een wapenverlof, sprake is van strijd met artikel 6 van het EVRM omdat, zoals eiser stelt, hij zich in die procedure niet kan verweren zonder inzage in zijn politiegegevens.<?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Heeft de korpschef het verzoek om inzage gedeeltelijk mogen afwijzen? </emphasis>
        </para>
        <para>5. Eiser stelt dat de korpschef zijn verzoek om inzage niet gedeeltelijk heeft mogen afwijzen. Het bestreden besluit is namelijk onvoldoende gemotiveerd. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk niet op welke wijze eisers belangen zijn meegewogen. De korpschef heeft met de enkele herhaling van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Wpg, niet gemotiveerd waarom deze weigeringsronden in dit geval van toepassing zijn.<footnote-ref linkend="_1909d3bd-ecfa-4ca2-bee8-9dfeb3793f92" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft de door de korpschef overgelegde gegevens en de aanvullende motivering bekeken. De rechtbank concludeert dat de korpschef zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat een gedeeltelijke afwijzing van eisers verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen dan wel ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden. Anders dan eiser naar voren heeft gebracht, geeft het door hem overgelegde besluit tot vernietiging van politiegegevens geen aanleiding om eisers belangen bij inzage zwaarder te laten wegen. De korpschef heeft met het bestreden besluit, het verweerschrift en de aanvullende motivering die onder geheimhouding aan de rechtbank is verstrekt, voldoende gemotiveerd waarom inzage in een deel van de politiegegevens is geweigerd. Daarbij heeft de korpschef in het bestreden besluit kunnen volstaan met een impliciete belangenafweging, omdat met een nadere toelichting alsnog informatie wordt prijsgegeven over wat de aard en inhoud is van de politiegegevens die zijn geweigerd.<?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is eiser ten onrechte niet gehoord?</emphasis>
        </para>
        <para>6. Eiser stelt dat hij ten onrechte niet is gehoord. Voor het maken van een belangenafweging is het noodzakelijk dat belanghebbenden worden gehoord over hun belangen.<footnote-ref linkend="_aced59ba-81e9-41ad-8971-505dd06fb309" /><?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de korpschef eiser niet hoefde te horen. Op grond van artikel 4:7 van de Awb moet een bestuursorgaan, voor het een aanvraag tot het geven van een beschikking geheel of gedeeltelijk afwijst, de aanvrager in de gelegenheid stellen zijn zienswijze naar voren te brengen, als de afwijzing zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de aanvrager betreffen en die afwijken van gegevens die de aanvrager ter zake zelf heeft verstrekt. Eiser heeft in zijn verzoek en tijdens een telefoongesprek zijn belangen toegelicht. Eiser heeft belang bij inzage in zijn politiegegevens omdat zijn wapenverlof is ingetrokken en hij zich daartegen wil kunnen verweren. Daarom wil eiser weten welke informatie over hem is vastgelegd. Deze belangen blijken ook uit eisers inzageverzoek. De korpschef is in het bestreden besluit niet afgeweken van de door eiser naar voren gebrachte belangen. Verder heeft eiser tijdens de zitting ook geen andere belangen naar voren gebracht die hadden moeten worden meegenomen in de besluitvorming. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_9af9e9c0-94bb-4cb6-b9ea-da3b27833def" label="1">
    <para> Artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wpg.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9daecadf-2966-45a2-9ca8-bf2b22a5520d" label="2">
    <para> Artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wpg.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d9828e5b-5fca-4f2e-8165-1aa117c32fd2" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBGEL:2024:7329.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4891c10d-6e67-4199-9218-4a8ea814fb31" label="4">
    <para> Zie artikel 2.8, zesde lid, van het Procesreglement.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d61e45d2-117f-420e-b4af-718230c7d5c7" label="5">
    <para> Kamerstukken II 2005/2006, 30 327, nr. 3, p. 83.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a61e4330-1c1b-4323-ad7d-ecabea697e96" label="6">
    <para> ABRvS 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3139.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a454b92-b05a-421b-bd3d-bd9976696241" label="7">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_705c3fa7-3409-4534-818c-afd7fdfa5849" label="8">
    <para> ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:310, r.o. 3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1909d3bd-ecfa-4ca2-bee8-9dfeb3793f92" label="9">
    <para> Eiser wijst ter ondersteuning van zijn standpunt op ABRvS 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1735, r.o. 5.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aced59ba-81e9-41ad-8971-505dd06fb309" label="10">
    <para> Eiser wijst ter ondersteuning van zijn standpunt op ABRvS 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1735, r.o. 8.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>