<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2026:448</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-28T17:00:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ARN 24/3935</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:448">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:448</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-26T11:09:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2026:448 Rechtbank Gelderland , 22-01-2026 / ARN 24/3935</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2026:448:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de gegrondverklaring van zijn bezwaar waarbij aan eiser € 16 is toegekend als aanvullende tijdelijke tegemoetkomingsregeling Kinderopvang (TTKO) vergoeding. Eiser is het niet eens met deze beslissing op bezwaar omdat hij stelt dat de proceskosten niet juist zijn vastgesteld en dat hij ten onrechte niet is gehoord. Daarnaast beroept eiser zich op de overschrijding van de redelijke termijn en verzoekt hij om een vergoeding van de immateriële schade. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de proceskosten juist zijn vastgesteld, de hoorplicht niet geschonden is en wordt er volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Ook krijgt eiser geen schadevergoeding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2026:448:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ARN 24/3935 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak tussen</para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">
            [eiser]
          </emphasis>, uit [plaats], eiser</para>
        <para>(gemachtigde: F.R. Eggink),</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>en</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <bridgehead role="bold">Dienst Toeslagen </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. D. Habashy).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de gegrondverklaring van zijn bezwaar waarbij aan eiser € 16 is toegekend als aanvullende tijdelijke tegemoetkomingsregeling Kinderopvang (TTKO) vergoeding. Eiser is het niet eens met deze beslissing op bezwaar omdat hij stelt dat de proceskosten niet juist zijn vastgesteld en dat hij ten onrechte niet is gehoord. Daarnaast beroept eiser zich op de overschrijding van de redelijke termijn en verzoekt hij om een vergoeding van de immateriële schade. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de proceskosten juist zijn vastgesteld, de hoorplicht niet geschonden is en wordt er volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Ook krijgt eiser geen schadevergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. In het besluit van 30 juni 2020 heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) namens de minister een bedrag van € 465 toegekend. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In het besluit van 11 november 2020 heeft de Dienst Toeslagen namens de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. In de uitspraak van 7 april 2021 heeft de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaard.<footnote-ref linkend="_e8d58811-5bd4-4736-a6e8-bae2b7c56908" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Tegen deze uitspraak heeft eiser verzet ingesteld. In de uitspraak van 7 september 2022 heeft de rechtbank het verzet en het beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 november 2020 vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken na 7 september 2022 een nieuw besluit op bezwaar te nemen.<footnote-ref linkend="_62912b0c-03be-4918-a6ab-8f9993e17221" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In het besluit van 18 oktober 2022 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Op 9 januari 2023 heeft eiser beroep ingesteld omdat de minister volgens hem niet op tijd op zijn bezwaar heeft beslist. In de uitspraak van 10 april 2024 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 oktober 2022 vernietigd en de minister opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen.<footnote-ref linkend="_52a31b2b-3c32-4e7d-a265-04702d5be767" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>In het besluit van 8 mei 2024 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Aan eiser wordt een aanvullende tijdelijke tegemoetkomingsregeling Kinderopvang (TTKO) vergoeding over de daadwerkelijk afgenomen uren toegekend van </para>
        <para>€ 16. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Op 17 juni 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van 8 mei 2024. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.<footnote-ref linkend="_9a046a6d-f426-4cd2-95bd-370bf0b48342" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Na de sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank nog een brief ontvangen, hierin wordt benadrukt dat de immateriële schadevergoeding inmiddels doorloopt tot ten minste 9 februari 2026. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding het onderzoek te heropenen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. Eiser betwist de aanvullende TTKO vergoeding over de daadwerkelijk afgenomen uren niet. Eiser voert aan dat de hoogte van de proceskosten niet juist is vastgesteld en dat er is afgezien van de hoorplicht. Daarnaast verzoekt eiser om een vergoeding van de immateriële schade. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de proceskosten juist vastgesteld?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Eiser voert aan dat de hoogte van de proceskosten niet juist is vastgesteld. Er is geen berekening in het besluit toegevoegd van de proceskosten en er staat ineens een hele opsomming van proceskosten in het besluit. Volgens eiser is het onduidelijk welke proceskosten nu worden opgelegd voor de bezwaarfase. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank constateert dat de proceskosten in beroep zijn vastgesteld overeenkomstig de uitspraak van de rechtbank.<footnote-ref linkend="_06d00e4c-eee6-453d-bd90-4d67c8f6e6a2" /> Daarnaast blijkt uit het bestreden besluit duidelijk welke kosten voor de bezwaarfase worden vergoed, namelijk € 624. De beroepsgrond slaagt niet.   </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Heeft de Dienst Toeslagen de hoorplicht geschonden? </emphasis>
        </para>
        <para>5. Daarnaast voert eiser aan dat ten onrechte is afgezien van de hoorplicht. Eiser wilde graag het een en ander laten weten over het bezwaarschrift en de procedure aangezien het hele traject nogal gevoelig ligt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de hoorplicht niet geschonden. Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien, als aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.<footnote-ref linkend="_c50df26f-2d3d-4aef-9773-c4b542c7a090" /> Eiser heeft in bezwaar gesteld dat de vergoeding te laag is vastgesteld. Met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank is de vergoeding opnieuw vastgesteld. Hiermee wordt volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiser. Dat volledig tegemoet wordt gekomen wordt bevestigd door de beroepsgronden van eiser, die niet zien op de vastgestelde vergoeding. De beroepsgrond slaagt niet.   </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Heeft eiser recht op schadevergoeding? </emphasis>
        </para>
        <para>6. Eiser stelt op 30 mei 2024 een beroep gedaan te hebben op de immateriële schadevergoedingsregeling. Eiser stelt dat de redelijke termijn is geschonden en verzoekt om een vergoeding van € 500 per half jaar. Volgens eiser gaat het om een overschrijding van minimaal vier maal 6 maanden en is de termijn ingegaan op 9 augustus 2022 en geëindigd met het nieuwe besluit op bezwaar van 8 mei 2024.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. Hiervoor is het volgende van belang. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>6.1.1.</nr>
        <para>De redelijke termijn voor een procedure in zaken zoals deze is in beginsel niet overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De termijn is in dit geval aangevangen op 9 augustus 2020, de dag waarop het bezwaarschrift is ontvangen. Dit betekent dat de termijn ruim is overschreden. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.1.2.</nr>
        <para>In zaken waarin de redelijke termijn is overschreden, wordt als regel – dat wil zeggen behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Het bestuursorgaan respectievelijk de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) kan door de rechter worden veroordeeld tot vergoeding van die schade, indien de belanghebbende daarom heeft verzocht. De Hoge Raad heeft in belastingzaken, afgezien van geschillen over een bestuurlijke boete, tot de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden gerekend het geval dat het financiële belang bij een procedure zeer gering is. In zo’n geval mag zonder meer worden verondersteld dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft geleid. De Hoge Raad heeft daarom geoordeeld dat bij een geschil over een zeer gering financieel belang geen vergoeding van immateriële schade hoeft te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.<footnote-ref linkend="_50163984-c1a4-41ee-a440-fe42df9d2527" /> Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de vaststelling van dat financiële belang geen rekening wordt gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen van bestuursorganen en rechters zoals bijvoorbeeld beslissingen over vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Dat geldt ook indien in hogere instantie een dergelijke nevenbeslissing mede of uitsluitend in geschil is.<footnote-ref linkend="_341ee805-48e2-4438-b332-075480219625" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.1.3.</nr>
        <para>In dit geval gaat het om een financieel belang van € 16. Bij een dergelijk gering financieel belang bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij eiser heeft veroorzaakt en kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
  </section>
  <footnote id="_e8d58811-5bd4-4736-a6e8-bae2b7c56908" label="1">
    <para> Zaaknummer ARN 20/6016 (niet gepubliceerd).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_62912b0c-03be-4918-a6ab-8f9993e17221" label="2">
    <para> Zaaknummer ARN 20/6016 V (niet gepubliceerd).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_52a31b2b-3c32-4e7d-a265-04702d5be767" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBGEL:2024:2056.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9a046a6d-f426-4cd2-95bd-370bf0b48342" label="4">
    <para> Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_06d00e4c-eee6-453d-bd90-4d67c8f6e6a2" label="5">
    <para> ECLI:NL:RBGEL:2024:2056.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c50df26f-2d3d-4aef-9773-c4b542c7a090" label="6">
    <para> Artikel 7:3, aanhef en onder e, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_50163984-c1a4-41ee-a440-fe42df9d2527" label="7">
    <para> Zie de arresten van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.9.1 en 3.9.6 en 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.2.1 en 3.2.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_341ee805-48e2-4438-b332-075480219625" label="8">
    <para> Zie het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.1. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>