<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2026:1400</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-04T17:00:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ARN 25_376</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:1400">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:1400</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-03T10:24:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2026:1400 Rechtbank Gelderland , 26-02-2026 / ARN 25_376</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2026:1400:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Compensatie herstel toeslagen. Het beroep is ongegrond. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar partner schade heeft geleden in de vorm van inkomensverlies of gemaakte studiekosten als gevolg van de toeslagenaffaire. Omdat de dienst het primaire besluit heeft gewijzigd vanwege gewijzigde regelgeving, heeft eiseres geen recht op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2026:1400:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ARN 25/376 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak tussen</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres], uit [plaats], eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. P.G.W. van Wees),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Dienst Toeslagen </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde]).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van compensatie voor geleden inkomensschade vanwege vertraging in de studie, compensatie voor gemaakte (extra) studiekosten en immateriële schadevergoeding. Eiseres is het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de dienst om geen compensatie toe te kennen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de dienst terecht een deel van de verzochte compensatie heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiseres heeft als slachtoffer van het toeslagenschandaal een verzoek ingediend tot aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Naar aanleiding van het advies van CWS heeft de dienst bij besluit van </para>
      <para>12 april 2022 aan eiseres een aanvullende compensatie van € 12.269 toegekend. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 op het bezwaar van eiseres heeft de dienst het bezwaar ongegrond verklaard. Wel heeft de dienst een aanvullende compensatie toegekend van € 2.014 als gevolg van de toepassing van aangepast beleid, waaruit een hogere compensatie voortvloeit. De dienst heeft de gevraagde compensatie ten aanzien van de partner van eiseres gedeeltelijk afgewezen omdat de hoogte van de gestelde inkomensschade en de extra studiekosten van de partner onvoldoende onderbouwd is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de dienst. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Omvang van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. De rechtbank stelt vast dat het geschil alleen betrekking heeft op de verzochte compensatie vanwege inkomensschade, studiekosten en immateriële schade van de partner van eiseres.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Heeft de dienst de gevraagde compensatie voor inkomensverlies mogen afwijzen?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Eiseres betoogt dat de dienst ten onrechte geen compensatie heeft toegekend voor het inkomensverlies van de partner van eiseres. Door het toeslagenschandaal is de partner gestopt met zijn studie. Hij heeft pas sinds 2020 een regulier inkomen. Als hij niet was gestopt met zijn studie en een diploma had gehaald, had hij dit inkomen eerder gehad.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Als uitgangspunt geldt dat de aanvrager van compensatie voor werkelijke schade aannemelijk dient te maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan na het na de integrale beoordeling toegekende bedrag.<footnote-ref linkend="_72199471-0151-4703-a594-8e7ab8a6c843" /> Concreet betekent dit dat eiseres aannemelijk moet maken dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden, hoe hoog die schade is en dat er een causaal verband bestaat tussen de geleden schade en de handelwijze van de dienst.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. De dienst heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat eiseres onvoldoende informatie heeft aangeleverd over de vervolgopleiding van de partner van eiseres. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting verklaard dat de partner van eiseres niet is begonnen met een vervolgopleiding en dat zij daarom geen informatie kan aanleveren. Uit het dossier blijkt echter dat eiseres op verschillende momenten heeft verklaard dat haar partner weldegelijk met de vervolgopleiding was begonnen, maar deze moest afbreken. De verklaringen zijn tegenstrijdig. Het is daarom niet duidelijk of en wanneer de partner met de vervolgopleiding is begonnen en of die ook is afgebroken. Eiseres heeft, ondanks herhaalde verzoeken om onderliggende stukken aan te leveren, volstaan met de toelichting dat haar partner een vervolgopleiding op zijn DTP-opleiding volgde, dat hij door alle stress hiermee is gestopt en een minder goed betaalde baan heeft aangenomen. Eiseres heeft niet met bijvoorbeeld een bewijs van inschrijving of facturen voor opleidingskosten aannemelijk gemaakt dat haar partner de opleiding daadwerkelijk zou gaan volgen of heeft gevolgd. Ook heeft de dienst terecht geconcludeerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband is tussen het later beginnen of stoppen met de opleiding, het inkomensverlies en het toeslagenschandaal. De dienst heeft de gevraagde compensatie voor inkomensverlies terecht afgewezen.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Heeft de dienst de gevraagde compensatie voor studiekosten mogen afwijzen?</emphasis>
        </para>
        <para>5. Eiseres betoogt dat de dienst ten onrechte de studiekosten van de partner van eiseres niet heeft vergoed. Hij heeft € 10.000 moeten betalen en kreeg geen studiekostenvergoeding van DUO. Misschien moet hij ook nog studiekosten terugbetalen omdat hij met zijn studie is gestopt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de dienst terecht geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat de gestelde studiekosten het gevolg zijn van het toeslagenschandaal. Eiseres heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom de (gestelde) in 2018 gemaakte studiekosten voor een opleiding tot zelfstandig rijinstructeur verband houden met de terugbetaling van kinderopvangtoeslag in 2014, terwijl die terugvordering al in 2015 is gecorrigeerd. Het betreft ook geen vervolgopleiding op de eerder door de partner gevolgde DTP-opleiding. Bovendien, als een causaal verband al zou bestaan, heeft eiseres geen bewijsmiddelen ingediend waaruit de hoogte van de studiekosten blijkt, hoewel hierom meerdere keren is verzocht. De dienst heeft de gevraagde compensatie voor studiekosten terecht afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Had de dienst meer compensatie wegens immateriële schade moeten toekennen?</emphasis>
        </para>
        <para>6. Eiseres betoogt dat er ten onrechte geen hogere compensatie wegens immateriële schade is toegekend aan de partner van eiseres vanwege de studievertraging.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals blijkt uit rechtsoverweging 4.2, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van studievertraging door het toeslagenschandaal. De dienst had alleen daarom al terecht geen hogere compensatie toegekend voor de immateriële schadevergoeding vanwege de gestelde studievertraging.</para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="underline">Had de dienst proceskostenvergoeding in bezwaar moeten toekennen?</emphasis>
        </para>
        <para>7. Eiseres betoogt dat de dienst ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend. Dit is niet volgens het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie en onvoldoende gemotiveerd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. In het bestreden besluit heeft de dienst toegelicht dat er geen proceskostenvergoeding wordt toegekend omdat het primaire besluit niet wordt herroepen vanwege een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan is te wijten, maar vanwege een aangepast schadekader. Een intrekking van een besluit wegens gewijzigde regelgeving is niet aan te merken als een herroeping wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid en er wordt in dat geval niet voldaan aan de vereisten van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om voor een vergoeding van de kosten in aanmerking te komen.<footnote-ref linkend="_f1f5b373-e9d5-46f6-bd82-349b57c6f7a6" /> De dienst heeft de proceskosten in bezwaar terecht niet vergoed.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_72199471-0151-4703-a594-8e7ab8a6c843" label="1">
    <para> ABRvS 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620, ro. 15.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f1f5b373-e9d5-46f6-bd82-349b57c6f7a6" label="2">
    <para> ABRvS 25 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6331, ro. 2.3.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>