<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2025:9049</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-29T15:57:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ARN 24/9088</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:9049">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:9049</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-29T15:53:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2025:9049 Rechtbank Gelderland , 29-10-2025 / ARN 24/9088</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2025:9049:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Weigering toestemming voor beveiligingswerkzaamheden. Betrouwbaarheid. Dwingendrechtelijk karakter artikel 7, vierde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2025:9049:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ARN 24/9088 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak tussen</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], uit [plaats], eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de korpschef van politie, de korpschef </bridgehead>
    <para>(gemachtigden: mr. S. Schiphorst en A.H. de Wit).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over het weigeren van toestemming aan eiser om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef de toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden moest weigeren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De korpschef heeft met het besluit van 4 juni 2024 de voor eiser gevraagde toestemming geweigerd. Met de beslissing op bezwaar van 10 november 2024 is de korpschef bij dat besluit gebleven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de korpschef.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
      <para>3. Eiser volgt een opleiding tot beveiliger via Amsterdam Training Point. In het kader van deze opleiding loopt hij stage bij [naam bedrijf] B.V. Voor deze stage doet hij voornamelijk werkzaamheden in supermarkten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1. 3</nr>
      <para>
        [naam bedrijf] B.V. heeft de korpschef verzocht om toestemming voor eiser om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten. De korpschef heeft deze voor eiser gevraagde toestemming geweigerd op grond van artikel 7 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). Hieraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat eiser niet beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het te verrichten beveiligerswerk. Hij heeft namelijk zonder dat hij daarvoor toestemming had beveiligingswerkzaamheden voor [naam bedrijf] B.V. verricht. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Hoe beoordeelt de rechtbank dit beroep?</emphasis>
        </para>
        <para>4. Om beveiligingswerkzaamheden te mogen uitvoeren is toestemming van de korpschef nodig. De toestemming wordt geweigerd als de persoon om wie het gaat niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn om het werk te verrichten.<footnote-ref linkend="_8f4d2529-5523-4575-960d-31ae10b58322" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De korpschef heeft beoordelingsruimte bij de beoordeling of iemand voldoende betrouwbaar is.<footnote-ref linkend="_6419d5cd-213f-42e6-ad8e-097abe5620b6" /> Aan medewerkers in de beveiligingsbranche worden, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat de korpschef als beoordelingsmaatstaf mag hanteren, dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven moeten zijn.<footnote-ref linkend="_4f21179b-309d-4437-bdec-36bb2d14038a" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>In paragraaf 3.3 van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (Beleidsregels) staat dat de toestemming wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:</para>
        <para>b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Van “andere omtrent de aanvrager bekende feiten” is volgens de Beleidsregels met name – maar niet uitsluitend – sprake als een betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Moest de korpschef de toestemming weigeren?</emphasis>
        </para>
        <para>5. Eiser voert aan dat hij alleen meekeek in het kader van zijn stage bij [naam bedrijf] B.V. en zich niet uitgaf als beveiliger. Op de zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat hij altijd onder begeleiding heeft gewerkt en nooit zelfstandig beveiligingswerk heeft gedaan. Hij heeft geen antecedenten en hij wil juist bijdragen aan een veiligere samenleving. Het feit dat hij nu geen toestemming krijgt om als beveiliger te werken heeft grote gevolgen voor zijn toekomst. Doordat hij nu geen stage meer kan lopen, loopt hij vertraging op in zijn opleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De korpschef stelt zich op het standpunt dat eiser onbevoegd werkzaam is geweest voor het bedrijf [naam bedrijf] B.V. Eiser had hiervoor toestemming nodig van de korpschef en die had hij niet. Bovendien blijkt uit verschillende processen-verbaal dat eiser ook daadwerkelijk beveiligingswerkzaamheden heeft verricht. Eiser heeft daarom in strijd met de Wpbr gehandeld. Hij heeft zich immers niet aan de regels gehouden. De betrouwbaarheid van eiser is hierdoor niet meer boven alle twijfel verheven. Daarom heeft de korpschef de toestemming geweigerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat eiser niet over een toestemming beschikte om voor het bedrijf [naam bedrijf] B.V. beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Uit de processen-verbaal die de korpschef heeft overgelegd blijkt dat eiser in de maanden januari, februari en maart 2024 beveiligingswerkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf [naam bedrijf] B.V. Zo heeft eiser meerdere malen personen in de gaten gehouden en op het moment dat hij constateerde dat bepaalde boodschappen niet werden afgerekend personen aangehouden en meegenomen naar het kantoor. Dat wordt door eiser ook niet betwist. Dat eiser stage liep en deze activiteiten naar eigen zeggen onder begeleiding heeft uitgevoerd, maakt dit niet anders. Uit de Wpbr volgt namelijk dat iedereen die bij een beveiligingsbedrijf werkt over toestemming van de korpschef moet beschikken, ook personen die stage lopen. Eiser heeft dus gehandeld in strijd met de Wpbr. Tijdens de zitting heeft eiser nog aangegeven dat hij ervan uitging dat zijn werkgever de toestemming zou regelen. Dit doet niet af aan het feit dat eiser ook zelf een verantwoordelijkheid heeft om geen beveiligingswerkzaamheden te verrichten zo lang hij daarvoor geen toestemming heeft. Bovendien heeft eiser nadat de toestemming op 4 juni 2024 was geweigerd, op 16 oktober 2024 opnieuw beveiligingswerkzaamheden verricht door iemand aan te houden wegens winkeldiefstal. Op dat moment wist eiser dus al dat hij geen toestemming had om deze werkzaamheden te verrichten. Omdat er voor beveiligers hoge eisen van betrouwbaarheid gelden (zie hierboven onder 4.1.) heeft de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie te werken.<footnote-ref linkend="_75e2607c-3eea-450c-b45d-da7022471b83" /> Dit betekent dat de korpschef de toestemming moest weigeren. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft geoordeeld, heeft artikel 7, vierde lid, van de Wpbr een dwingendrechtelijk karakter.<footnote-ref linkend="_86fd05f9-8ed6-4841-8e21-71b36d71103f" /> Dat betekent dat bij het al dan niet weigeren van toestemming geen ruimte is voor een belangenafweging. Dat eiser hierdoor zijn opleiding niet kan afmaken en dat dit besluit grote gevolgen heeft voor zijn toekomst, zijn omstandigheden die, hoe vervelend dit ook is voor eiser, geen verband houden met de beoordeling of eiser voldoende betrouwbaar is. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Ten overvloede overweegt de rechtbank dat dit niet betekent dat eiser in de toekomst geen toestemming meer kan krijgen voor het doen van beveiligingswerkzaamheden en zijn opleiding niet meer kan voortzetten. Hij kan in de toekomst opnieuw om toestemming vragen. Hiervoor is wel van belang dat eiser, zolang hij die toestemming niet heeft, geen beveiligingswerkzaamheden meer uitvoert. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de weigering van de toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond<emphasis role="italic">. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8f4d2529-5523-4575-960d-31ae10b58322" label="1">
    <para> Artikel 7, vierde lid, van de Wpbr.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6419d5cd-213f-42e6-ad8e-097abe5620b6" label="2">
    <para> Vgl. ECLI:NL:RVS:2022:564. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4f21179b-309d-4437-bdec-36bb2d14038a" label="3">
    <para> Vgl. ECLI:NL:RVS:2019:355.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_75e2607c-3eea-450c-b45d-da7022471b83" label="4">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:2929, r.o. 5.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_86fd05f9-8ed6-4841-8e21-71b36d71103f" label="5">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:2929, r.o. 6.1.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>