<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2025:8864</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-19T10:01:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-02-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 23/6149, 24/4022 en 24/7438</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2025103104</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2025-2162</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2025/2179</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2025/2298</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2025/51.20.3</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:8864">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:8864</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-27T14:33:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2025:8864 Rechtbank Gelderland , 12-02-2025 / AWB 23/6149, 24/4022 en 24/7438</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2025:8864:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Geschil over het antwoord op de vraag of de inspecteur voldoende rechtsherstel heeft verleend door de verhoging van de IVA-uitkering niet tot het belastbaar maar wel tot het verzamelinkomen van eiser te rekenen en of de inspecteur bij de vaststelling van dat rechtsherstel alle relevante nadelige inkomenseffecten heeft betrokken.</para>
        <para>Tussen partijen is voor zowel 2022 als 2023 niet in geschil dat de belastingheffing over de hulpbehoevendheidsuitkering voor belanghebbende leidt tot een individuele buitensporige last in de zin van artikel 1 EP, zodat belanghebbende gecompenseerd dient te worden. In geschil is of belanghebbende aanspraak maakt op een hogere compensatie. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur niet of onvoldoende rekening gehouden met alle nadelige inkomenseffecten als gevolg van de keuze van de wetgever om de hulpbehoevendheidsuitkering tot het verzamelinkomen te rekenen. </para>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur voldoende rechtsherstel heeft geboden door de aanslagen aan te passen conform de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden én het begunstigend beleid dat na die uitspraak is vastgesteld door de staatsecretaris. Van schending van het evenredigheidsbeginsel, dat wil zeggen een onjuiste belangenafweging door de inspecteur, is naar het oordeel van rechtbank geen sprake en evenmin is het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel of het motiveringsbeginsel geschonden. De inspecteur heeft met het geboden rechtsherstel (de verhoging niet toerekenen aan het belastbaar inkomen en wel aan het verzamelinkomen) de nadelige gevolgen voor eiser zoveel mogelijk beperkt. Het anderszins wel toerekenen van de verhoging aan het belastbaar inkomen maar niet aan het verzamelinkomen zou, tot de onwenselijke situatie leiden dat eiser geen (direct) rechtsherstel zou worden geboden. Indien het verzamelinkomen ook zou worden verlaagd, zou belanghebbende ten onrechte dubbel gecompenseerd worden.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2025:8864:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: ARN 23/6149, 24/4022 en 24/7438 </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaken tussen</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.</title>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 november 2023 over   de voorlopige aanslag IB/PVV 2022 (zaaknummer 23/6149); </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de uitspraak op bezwaar van 9 september 2024 over  de navorderingsaanslag IB/PVV 2022 (zaaknummer 24/4022) en;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de aanslag IB/PVV 2023 (zaaknummer 24/7438).</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>Verder heeft de rechtbank verzoeken om vaststelling van de verbeurte van de dwangsommen wegens niet tijdig beslissen beoordeeld en verzoeken om proceskostenvergoedingen en schadevergoedingen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De inspecteur heeft op de beroepen en verzoeken gereageerd met verweerschriften en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen [persoon A] en [persoon B]. De rechtbank heeft de onderzoeken geschorst voor nadere informatie van de inspecteur. Belanghebbende heeft nadien op de aanvullende informatie gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten op 6 oktober 2025. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Feiten <?linebreak?></title>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Belanghebbende is geboren op [geboortedatum 1] 1982. Op 19 mei 2022 is hij getrouwd met [persoon C], geboren op [geboortedatum 2] 1990. Zij was woonachtig in Tunesië, op 3 mei 2024 is zij geëmigreerd naar Nederland en bij belanghebbende gaan wonen. <?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het UWV heeft bij brief van 22 juli 2020 vastgesteld dat belanghebbende met ingang van 1 maart 2018 recht heeft op een IVA-uitkering van 75% verhoogd met een uitkering wegens hulpbehoevendheid van 25%.<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het gerechtshof Arnhem-Leeuwaren heeft in een uitspraak van 12 april 2022<footnote-ref linkend="_090842e3-2009-413f-8d3d-b9915fc61246" /> geoordeeld dat in het jaar 2019 sprake was van een individuele en buitensporige last, doordat de verhoging nagenoeg (meer dan 90%) verdampt door het in mindere mate recht hebben op de inkomensafhankelijke regelingen. Het gerechtshof heeft rechtsherstel geboden door de verhoging van de heffing van de IB/PVV niet tot het belastbare inkomen uit werk en woning te rekenen, maar wel tot het verzamelinkomen. De inspecteur heeft afgezien van het instellen van cassatie tegen de uitspraak van het gerechtshof. <?linebreak?></para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para>4. Voor de jaren 2020 en 2021 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar over de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2020 en 2021. De rechtbank heeft in een uitspraak van 28 juli 2023<footnote-ref linkend="_46620681-40d5-4953-9bd1-dd9ef82cd6bc" /> geoordeeld dat de inspecteur, door het belastbaar inkomen uit werk en woning te verlagen, een juiste uitspraak op bezwaar heeft gedaan. <?linebreak?><emphasis role="underline">Belastingjaar 2022</emphasis></para>
    <para>5. Belanghebbende heeft op 28 maart 2023 zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 met een verzamelinkomen van € 22.389 ingediend. Gelijktijdig met het indienen van de aangifte heeft belanghebbende een brief aan de inspecteur gestuurd waarin hij heeft verzocht om de hulpbehoevendheidsuitkering van 25% buiten beschouwing te laten voor het jaar 2022, de loonheffingskorting toe te passen in de aangifte voor het jaar 2022, en de onderhoudskosten voor zijn in het buitenland verblijvende vrouw in aftrek te brengen.<?linebreak?></para>
    <para>6. De inspecteur heeft de voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2022 overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangifte vastgesteld.<?linebreak?></para>
    <para>7. Bij brief van 6 juni 2023 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2022. </para>
    <para />
    <para>8. Bij brief van 26 juni 2023 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig beslissen op de verzoeken van 28 maart 2023.<?linebreak?></para>
    <para>9. De inspecteur heeft in zijn brief met dagtekening 29 juni 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op een dwangsom, omdat geen sprake is van een beslissing op een aanvraag. Verder heeft de inspecteur die dag telefonisch contact opgenomen met belanghebbende en uitgelegd op welke wijze belanghebbende een andere voorlopige aanslag kan ontvangen. Bij brief van 30 juni 2023 heeft de inspecteur gemeld dat het verzoek van belanghebbende wordt meegenomen bij de behandeling van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 en zal proberen te regelen dat de aangifte spoedig in behandeling wordt genomen. <?linebreak?></para>
    <para>10. Belanghebbende heeft op 6 juli 2023 aan de inspecteur een kopie van zijn e-mail aan de ombudsman van 5 juli 2023 toegestuurd, waarin hij aangeeft zich onheus behandeld te voelen door de Belastingdienst.<?linebreak?></para>
    <para>11. Bij e-mail van 10 juli 2023 heeft de inspecteur gereageerd op de e-mail van belanghebbende en nogmaals uitgelegd dat de definitieve aanslag nog niet door hem kan worden vastgesteld. Daarnaast heeft de inspecteur gemeld dat de onderhoudsverplichtingen voor de echtgenote van belanghebbende niet aftrekbaar zijn, de loonheffingskorting niet kan worden toegepast en dat in ieder jaar afzonderlijk moet worden beoordeeld of sprake is van een individuele en buitensporige last voor wat betreft de uitkering wegens hulpbehoevendheid. Hij heeft belanghebbende erop gewezen dat hij een nieuwe aangifte kan indienen waarin hij zijn verzoek met betrekking tot die uitkering verwerkt. <?linebreak?></para>
    <para>12. Belanghebbende heeft in zijn e-mail van 10 juli 2023 aan de inspecteur medegedeeld een definitieve beslissing te wensen. Een dag later heeft de inspecteur gereageerd en opnieuw uitgelegd dat geen definitieve aanslag kan worden opgelegd. Belanghebbende heeft gereageerd door aan te geven de communicatie met de Belastingdienst te beëindigen.<?linebreak?></para>
    <para>13. Belanghebbende heeft op 1 september 2023 beroep ingesteld.  <?linebreak?></para>
    <para>14. Na kennisname van het beroep en bestudering van het dossier heeft de inspecteur telefonisch contact opgenomen met belanghebbende en toegezegd ervoor te zorgen dat de voorlopige aanslag wordt verminderd. Bij e-mail van 27 oktober 2023 heeft de inspecteur dit aan belanghebbende bevestigd, maar daarbij een onjuist e-mailadres gebruikt. <?linebreak?></para>
    <para>15. Bij e-mail van 30 oktober 2023 heeft belanghebbende geklaagd over het feit geen e-mail te hebben ontvangen en heeft de Belastingdienst aansprakelijk gesteld. Het gesprek van 27 oktober 2023 is door de inspecteur bij e-mail aan belanghebbende bevestigd en hij heeft belanghebbende verzocht om het beroep in te trekken.<?linebreak?></para>
    <para>16. Belanghebbende heeft bij e-mail van 30 oktober 2023 een verzoek aan rechtbank Midden-Nederland om een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen vast te stellen, toegestuurd. De inspecteur heeft deze e-mail aangemerkt als een ingebrekestelling en doorgezonden naar de daartoe bevoegde afdeling. <?linebreak?></para>
    <para>17. Bij e-mail van 3 november 2021 heeft belanghebbende de inspecteur medegedeeld dat hij een verzoek om schadevergoeding bij de rechtbank Midden-Nederland zal gaan indienen.<?linebreak?></para>
    <para>18. De inspecteur heeft de uitspraak op bezwaar met dagtekening 6 november 2023 zowel per post als e-mail aan belanghebbende toegestuurd. Daarbij is het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar als een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag in behandeling genomen. Het verzoek van belanghebbende is toegewezen omdat hij op grond van de toegezonden stukken van mening is dat belastingheffing over de extra uitkering leidt tot een individuele en buitensporige last.  <?linebreak?></para>
    <para>19. Belanghebbende heeft de inspecteur in een e-mail bedankt en medegedeeld dat het beroep niet zal worden ingetrokken omdat hij zeven maanden door de inspecteur aan het lijntje is gehouden. <?linebreak?></para>
    <para>20. De inspecteur heeft bij brief van 7 november 2023 aan belanghebbende laten weten dat geen recht bestaat op een dwangsom omdat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Bovendien is binnen twee weken door de inspecteur op het bezwaar van belanghebbende beslist. <?linebreak?></para>
    <para>21. Met dagtekening 15 december 2023 heeft de inspecteur de voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2022 verminderd en het terug te ontvangen bedrag van € 2.193 is op 7 december 2023 aan belanghebbende betaalbaar gesteld. Vanwege uitvoeringstechnische redenen is het niet mogelijk om het belastbare inkomen uit werk en woning te verlagen en daarom is gekozen om in plaats daarvan een extra voorheffing in de vorm van ingehouden dividendbelasting toe te passen van € 2.140.  <?linebreak?></para>
    <para>22. De inspecteur heeft op 7 juni 2024 de definitieve aanslag opgelegd met een te ontvangen bedrag van € 2.140 (gelijk aan de dividendheffing). De inspecteur heeft het verzamelinkomen vastgesteld op een bedrag van € 16.791. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>23. Met dagtekening 15 juni 2024 heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2022 met een te betalen bedrag van € 2.156 vastgesteld, met een te betalen bedrag aan belastingrente van € 16 en een verzamelinkomen van € 22.389. <?linebreak?></para>
      <para>23. Belanghebbende heeft op 15 juni 2024 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. Bij brief van 27 augustus 2024 heeft de inspecteur belanghebbende geïnformeerd over de voorgenomen beslissing op het bezwaar.<?linebreak?></para>
      <para>23. De inspecteur heeft op 9 september 2024 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft de beschikking belastingrente. De navorderingsaanslag heeft hij in stand gelaten en de belastingrente met een bedrag van € 16 verminderd naar nihil. <?linebreak?></para>
      <para>23. Belanghebbende heeft op 9 september 2024 ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. <?linebreak?><emphasis role="underline">Belastingjaar 2023</emphasis></para>
      <para>23. Belanghebbende heeft op 4 maart 2024 zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2023 ingediend en op 20 mei 2024 zijn verzoek om de hulpbehoevendheidsuitkering van 25% buiten beschouwing te laten.<?linebreak?></para>
      <para>23. De inspecteur heeft op 1 juni 2024 de voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2023 conform de ingediende aangifte vastgesteld. Met dagtekening 19 juli 2024 is de definitieve aanslag overeenkomstige de voorlopige aanslag en aangifte aan belanghebbende opgelegd. <?linebreak?></para>
      <para>23. Bij brief van 1 juni 2024 heeft belanghebbende op de voorlopige aanslag gereageerd en de inspecteur verzocht om alsnog binnen twee weken na datum van de brief de aanslag te verminderen, omdat sprake is van een individuele en buitensporige last.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>30. Belanghebbende heeft op 19 juli 2024 rechtstreeks beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2023.<?linebreak?></para>
      <para>30. De inspecteur heeft op 21 november 2024 aangekondigd de definitieve aanslag te verminderen met een bedrag van € 2.324 in verband met de uitkering wegens hulpbehoevendheid. Met dagtekening 6 december 2024 is de verminderingsbeschikking vastgesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>32. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst op de zitting van 12 februari 2025 en de inspecteur gevraagd om te reageren op twee artikelen in het Weekblad Fiscaal recht “De inkomensverlagende inkomensverhoging wegens hulpbehoevendheid: Deel 1” en “De inkomensverlagende inkomensverhoging wegens hulpbehoevendheid: Deel 2”.<footnote-ref linkend="_73925f9b-9014-4da3-8bfc-1c90c5c6aea5" /></para>
    <para />
    <para>33. Bij brief van 12 maart 2025 heeft de inspecteur als volgt gereageerd:	</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“ (…)</para>
      <para>Bij de procedure van 12 april 2022 inzake de IB/PVV 2019 heeft de staatssecretaris bij het afzien van het instellen van cassatie de volgende toelichting gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	"Zoals in het verleden reeds door de Nationale Ombudsman is gesignaleerd is het effect van inkomensafhankelijke regelingen op de verhoogde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die onder andere als doel hebben de kosten van verhoogde hulpbehoevendheid te kunnen betalen, soms zodanig dat van die verhoogde uitkeringen niets of nagenoeg niets overblijft om die kosten van langdurige hulpbehoevendheid te kunnen betalen. In zoverre ben ik het met het Hof eens dat wanneer minder dan 10% van de verhoogde uitkering resteert er sprake is van een buitensporige last.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak resteerde na de korting op diverse inkomensafhankelijke regelingen zelfs minder dan 5% van de verhoogde uitkering. De gekozen oplossing - hoewel beleidsmatig niet de meest gelukkige - van het Hof, voor het bieden van rechtsherstel leidt ertoe dat 42% resteert. Nu de inspecteur had aangeboden om mee te werken aan een oplossing waarin 35% resteerde, acht ik die uitkomst ook cijfermatig acceptabel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat het Hof de oplossing zoekt in het fiscaal onbelast laten van de verhoogde uitkering leidt ertoe dat de oplossing geheel aan de kant van de belastingheffing wordt gezocht en niet aan de kant van de diverse inkomensafhankelijke regelingen. In overleg met mijn collega's van SZW en VWS zal ik daarom zoeken naar een evenwichtige definitieve regeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de periode waarin nog geen definitieve oplossing is gevonden, zal ik mij vooralsnog echter neerleggen bij de door het Hof in deze zaak gekozen aanpak. Ook in vergelijkbare zaken zal de Belastingdienst op deze manier voorlopig een tegemoetkoming bieden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals blijkt uit deze toelichting van de staatssecretaris op het intrekken van zijn beroep inzake de uitspraak van 12 april 2022 (procedure over 2019) is sprake van een situatie waarin zich al jarenlang het probleem voordoet dat personen die vanwege hogere kosten van hulpbehoevendheid een hogere arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen van die verhoogde uitkering te weinig geld overhouden om die hogere kosten mee te kunnen betalen. De ombudsman heeft daar in het verleden ook nadrukkelijk op gewezen en zowel het ministerie van Financiën als het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitgenodigd om dit probleem op te lossen. Die oplossing is kennelijk nog steeds</para>
      <para>niet gevonden. Met deze achtergrond heeft de staatssecretaris besloten om zich neer te leggen bij de door Hof Arnhem-Leeuwarden in de uitspraak van 12 april 2022 gekozen oplossing. Dat deze oplossing niet optimaal is, blijkt ook uit de gegeven toelichting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de artikelen in het WFR, waarover u van mij een reactie vroeg, wordt ook onderschreven dat de gekozen oplossing niet optimaal is en ook niet goed aansluit bij de algemene uitgangspunten om te beoordelen of sprake is van een individuele buitensporige last. Dat neemt niet weg dat de staatssecretaris er voor gekozen heeft om voor deze onwenselijke situatie een oplossing te bieden. Daarmee is door de staatssecretaris in beleidsmatige zin een behandelwijze goedgekeurd, waarop ook in andere vergelijkbare gevallen een beroep kan worden gedaan, ook als men zich of kan vragen of in strikte zin wel sprake is van een individuele buitensporige last.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>34. De rechtbank heeft bij bericht van 16 mei 2025 de volgende nadere vragen gesteld aan de inspecteur:<?linebreak?></para>
    <parablock>
      <para>“Bij brief van 12 maart 2025 hebt u gereageerd op het schorsingsbesluit van de rechtbank. De rechtbank heeft een aantal vervolgvragen aan de inspecteur. </para>
      <para>In uw brief hebt u meegedeeld dat de inspecteur begunstigend beleid voert dat inhoudt dat de belastingheffing wordt verminderd als een verhoging wegens hulpbehoevendheid - door verlies aan inkomensafhankelijke bijdragen - verdampt tot minder dan 10% van de verhoging. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het verweerschrift voor het jaar 2023 is op bladzijde 3 een berekening gegeven van de inkomenseffecten voor belanghebbende. Zonder maatregelen verdampt de verhoging tot 4,42%. Als de inspecteur de heffing over de verhoging achterwege laat (zoals gebeurd is met de verminderingsaanslag) resteert 41,3% van de verhoging. Bij de berekening zijn de gevolgen van het verlies aan huurtoeslag, de zorgtoeslag, de energietoeslag en de individuele inkomenstoeslag betrokken.</para>
      <para>Belanghebbende heeft voor 2023 een aantal nadelige inkomensgevolgen opgesomd waarmee volgens hem ten onrechte geen rekening is gehouden bij de berekening van de inkomenseffecten:<?linebreak?>1. Nadeel toevoeging Raad voor Rechtsbijstand (eigenbijdrage)<?linebreak?>2. Procedures en het griffierecht € 1900,- <?linebreak?>3. Geen recht op bijzondere bijstand voor Pampers voor volwassenen € 854,- <?linebreak?>4. Nadeel geen kwijtschelding gemeentelijke belastingen € 442,53,-<?linebreak?>5. Nadeel geen recht op zorgkosten tegemoetkoming van € 200,- op grond van de Geld Terug Regeling.<?linebreak?>6. Nadeel geen recht op U-pas ofwel minimaregeling met een tegoed daarop van € 250,- <?linebreak?></para>
      <para>De rechtbank heeft voor het jaar 2022 geen berekening van de inspecteur ontvangen van de inkomenseffecten met en zonder maatregelen. Belanghebbende heeft ook voor 2022 opgesomd welke – naast de huur- en zorgtoeslag - de nadelige inkomenseffecten zijn:</para>
    </parablock>
    <para>1. Nadeel toevoeging Raad voor Rechtsbijstand (eigenbijdrage)<?linebreak?>2. Griffierecht € 926-<?linebreak?>3. Geen recht op bijzondere bijstand voor Pampers voor volwassenen € 437<?linebreak?>4. Nadeel geen kwijtschelding gemeentelijke belastingen € 434,91,-<?linebreak?>5. Nadeel geen recht op zorgkosten tegemoetkoming van € 225,-<?linebreak?>6. Nadeel geen recht op U-pas ofwel minimaregeling met een tegoed daarop van €125,- </para>
    <para>7. Nadeel geen recht op individuele inkomenstoeslag ad € 696</para>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank verzoekt de inspecteur om:</para>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>voor 2022 een berekening te maken van de inkomenseffecten voor belanghebbende met inachtneming van de volgende vragen. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>gemotiveerd aan te geven of de hierboven opgesomde inkomenseffecten volgens het beleid tot de inkomensafhankelijke regelingen behoren en betrokken moeten worden bij de berekening van de hoogte van de verhoging wegens hulpbehoevendheid en de verdamping daarvan. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>zo ja, de berekeningen voor 2022 en 2023 daarop aan te passen.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <para>35. De inspecteur heeft bij brief van 5 juni 2025 gereageerd waarbij hij de inkomenseffecten voor het jaar 2022 op een rij heeft gezet. Voorts heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat hij met inachtneming van de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 april 2022 voldoende rechtsherstel heeft geboden voor 2022 en 2023. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>36. Belanghebbende heeft in het beroepschrift vermeld dat hij rechtstreeks beroep instelt tegen de verminderingsbeschikking van 6 december 2024. Met die beschikking is de aanslag IB/PVV voor 2023 verlaagd. De inspecteur heeft in het verweerschrift laten weten dat hij zich niet verzet tegen rechtstreeks beroep en de rechtbank heeft het verzoek ingewilligd.</para>
    <para />
    <para>37. Tussen partijen is voor zowel 2022 als 2023 niet in geschil dat de belastingheffing over de hulpbehoevendheidsuitkering voor belanghebbende leidt tot een individuele buitensporige last in de zin van artikel 1 EP, zodat belanghebbende gecompenseerd dient te worden. In geschil is of belanghebbende aanspraak maakt op een hogere compensatie. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur niet of onvoldoende rekening gehouden met alle nadelige inkomenseffecten als gevolg van de keuze van de wetgever om de hulpbehoevendheidsuitkering tot het verzamelinkomen te rekenen. Verder beoordeelt de rechtbank of dwangsommen zijn verbeurd wegens niet tijdig beslissen en of belanghebbende aanspraak maakt op schadevergoedingen.</para>
    <para />
    <para>38. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen die oordelen hebben.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dwangsommen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>39. Belanghebbende heeft de inspecteur in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op de verzoeken in zijn brief van 28 maart 2023. Volgens belanghebbende zijn dwangsommen verbeurd. Verder heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld voor het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2022.  </para>
    <para />
    <para>40. Bij brief van 29 juni 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat de verzoeken van 28 maart 2023 geen aanvragen zijn in de zin van afdeling 4.1.3.2. van de Algemene wet bestuursrecht, zodat geen sprake is van niet tijdig beslissen in de zin van die afdeling. Bij e-mailbericht van 10 juli 2023 is antwoord gegeven op de diverse verzoeken. Bij uitspraak op bezwaar van 6 november 2023 heeft de inspecteur uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2022. Bij die uitspraak is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat een voorlopige aanslag niet voor bezwaar en beroep vatbaar is.  </para>
    <para />
    <para>41. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van niet tijdig beslissen door de inspecteur, zodat geen dwangsommen zijn verbeurd. In de eerste plaats is geen sprake van beschikkingen op aanvraag in de zin van afdeling 4.1.3.2. van de Algemene wet bestuursrecht, zodat geen sprake is van niet tijdig beslissen in de zin van die afdeling. In de tweede plaats heeft de inspecteur binnen twee weken na de ingebrekestelling van 30 oktober 2023 uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2022. Dat betekent dat geen dwangsommen zijn verbeurd en dat de inspecteur terecht - al dan niet impliciet - heeft vastgesteld dat belanghebbende geen aanspraak maakt op dwangsommen.  </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Beoordeling rechtsherstel voor 2022 en 2023 (zaaknummers 24/4022 en 24/7438)</emphasis>
    </para>
    <para>42. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur voldoende rechtsherstel heeft verleend door de verhoging van de IVA-uitkering niet tot het belastbaar maar wel tot het verzamelinkomen van belanghebbende te rekenen en of de inspecteur bij de vaststelling van dat rechtsherstel alle relevante nadelige inkomenseffecten heeft betrokken. </para>
    <para />
    <para>43. Belanghebbende bepleit een vermindering van het verzamelinkomen in plaats van het belastbaar inkomen. Belanghebbende betoogt verder dat de inspecteur geen rekening heeft gehouden met alle nadelige inkomensgevolgen, zoals het feit dat hij door de verhoging niet langer recht had op energietoeslag, de eigen bijdrage voor de toevoeging hoger was, hij meer griffierecht verschuldigd was, hij geen recht had op bijzondere bijstand voor pampers voor volwassenen en geen recht had op een zorgkosten tegemoetkoming. De door de inspecteur toegekende compensatie is volgens belanghebbende voor beide jaren niet voldoende. </para>
    <para />
    <para>44. De inspecteur betoogt dat het gerechtshof in zijn uitspraak van 12 april 2022 heeft overwogen dat het niet de bedoeling is dat het verzamelinkomen verlaagd wordt. Het niet rekenen van de verhoging tot het verzamelinkomen heeft invloed op de inkomensafhankelijke regelingen en zou  kunnen leiden tot mogelijke dubbele compensatie. Gelet op de rechtsoverweging 4.12 van de uitspraak van het Gerechtshof is de inspecteur van mening dat hij op de juiste wijze en voor het maximale bedrag, door de volledige inkomensheffing over het bedrag van de vermindering te compenseren, voldoende rechtsherstel heeft geboden. De inspecteur heeft rekening gehouden met alle inkomenseffecten van de hulpbehoevendheidsuitkering, die het Gerechtshof heeft opgesomd in de uitspraak van 12 april 2022, te weten: minder huurtoeslag, minder zorgtoeslag, minder energietoeslag, minder individuele inkomenstoeslag en geen recht op u-pas.</para>
    <para />
    <para>45. De inspecteur heeft berekend dat voor het jaar 2022 tegenover een verhoging van de uitkering met € 5.598 nadelige inkomenseffecten van € 3.727 en een hogere belastingheffing van € 2.140 staan. Voor het jaar 2023 staat volgens de inspecteur tegenover een verhoging van de uitkering met € 6.291 nadelige inkomenseffecten van € 3.689 en een hogere belastingheffing van € 2.324. Daarmee verdampt de verhoging van de IVA-uitkering in 2022 volledig en in 2023 nagenoeg volledig (voor meer dan 90%) door de nadelige inkomenseffecten en de belastingheffing daarover. De inspecteur heeft vervolgens rechtsherstel geboden door de hulpbehoevendheidsuitkering niet te belasten, waardoor voor 2022 33,42% en voor 2023 41,36% van die uitkering resteert. </para>
    <para />
    <para>46. De rechtbank overweegt allereerst dat de hulpbehoevendheidsuitkering op grond van artikel 2.14, eerste lid, van de Wet IB 2001, nu deze is aan te merken als loon, niet tevens in de heffing kan worden betrokken als periodieke uitkering of verstrekking (dan wel worden vrijgesteld op grond van de bepalingen in afdeling 3.5 van de Wet IB 2001). De WIA-uitkering (met inbegrip van de verhoging) is door de inspecteur derhalve in beginsel terecht aangemerkt als inkomen uit werk en woning.</para>
    <para />
    <para>47. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur voldoende rechtsherstel heeft geboden door de aanslagen aan te passen conform de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden én op grond van het begunstigend beleid dat na die uitspraak is vastgesteld door de staatsecretaris. Van schending van het evenredigheidsbeginsel, dat wil zeggen een onjuiste belangenafweging door de inspecteur, is naar het oordeel van rechtbank geen sprake en evenmin is het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel of het motiveringsbeginsel geschonden. De inspecteur heeft met het geboden rechtsherstel (de verhoging niet toerekenen aan het belastbaar inkomen en wel aan het verzamelinkomen) de nadelige gevolgen voor belanghebbende zoveel mogelijk beperkt. Het anderszins wel toerekenen van de verhoging aan het belastbaar inkomen maar niet aan het verzamelinkomen zou, tot de onwenselijke situatie leiden dat belanghebbende geen (direct) rechtsherstel zou worden geboden. Indien het verzamelinkomen ook zou worden verlaagd, zou belanghebbende ten onrechte dubbel gecompenseerd worden. </para>
    <para />
    <para>48. De inspecteur heeft daarbij voor zowel 2022 als 2023 rekening gehouden met de inkomenseffecten dat belanghebbende door de hulpbehoevendheidsuitkering minder huurtoeslag, minder zorgtoeslag, geen energietoeslag, minder individuele inkomenstoeslag ontvangt en geen recht heeft op een u-pas. Belanghebbende heeft voor beide jaren niet aannemelijk gemaakt dat de hulpbehoevendheidsuitkering leidt tot andere of hogere inkomensnadelen, zodanig dat van de hulpbehoevendheidsuitkering, ondanks het geboden rechtsherstel, minder dan 10% resteert. Verder heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden gesteld voor de conclusie dat artikel 8 EVRM en of artikel 10 EVRM zijn geschonden. </para>
    <para />
    <para>49. De beroepen zijn dan ook ongegrond.  <?linebreak?></para>
    <bridgehead role="italic">Beoordeling van de verzoeken om schadevergoeding</bridgehead>
    <para>50. In diverse brieven heeft belanghebbende aangegeven dat de Belastingdienst aansprakelijk is voor de fouten die volgens belanghebbende door hen zijn gemaakt. Hij heeft de rechtbank verzocht om een geschikte schadevergoeding vast te stellen in verband met het schenden van diverse wetsartikelen door de inspecteur, waardoor bewuste vertraging is opgelopen. De financiële schade ziet volgens belanghebbende ook op het niet naar Nederland kunnen halen van zijn vrouw. Ook heeft hij daardoor emotionele schade geleden, omdat hij eenzaam is en dag en nacht op zijn bed zit te wachten.</para>
    <para />
    <para>51. Reeds omdat belanghebbende niet heeft onderbouwd dat sprake is van schade, dan wel een causaal verband tussen de eventuele schade en de aanslagen worden de verzoeken afgewezen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beroep op hardheidsclausule artikel 63 AWR</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>52. Volgens belanghebbende kan hij een beroep doen op de hardheidsclausule van artikel 63 AWR en heeft de inspecteur artikel 8 en 10 van het EVRM geschonden omdat hij geen rekening heeft gehouden met de gezondheid van belanghebbende. </para>
    <para />
    <para>53. De rechtbank overweegt dat de toepassing van de hardheidsclausule op grond van artikel 63 AWR niet aan de rechter toekomt. Deze bevoegdheid is voorbehouden aan de Minister van Financiën. De rechtbank kan en mag dan ook geen oordeel geven over de toepassing van de hardheidsclausule. Voor een eventueel beroep op de hardheidsclausule moet belanghebbende zich richten tot de Minister van Financiën.<?linebreak?></para>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>54. De beroepen zijn ongegrond. De verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van proceskosten en hij krijgt het betaalde griffierecht niet terug. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart de beroepen ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst de verzoeken om schadevergoedingen af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr.M.I. Knol, griffier. Uitgesproken in het openbaar op</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_090842e3-2009-413f-8d3d-b9915fc61246" label="1">
    <para> ECLI:NL:GHARL:2022:2743. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_46620681-40d5-4953-9bd1-dd9ef82cd6bc" label="2">
    <para> Zaaknummers ARN 22/4338 en 22/4340.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_73925f9b-9014-4da3-8bfc-1c90c5c6aea5" label="3">
    <para> Vindplaatsen WFR, aflevering 7485, 2023179 en WFR, aflevering 7486, 2023186.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>