<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2025:7594</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-11T10:26:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/05/439983 / FA RK 24-2732</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:7594">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:7594</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-11T10:16:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2025:7594 Rechtbank Gelderland , 21-03-2025 / C/05/439983 / FA RK 24-2732</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2025:7594:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Samenloop kinderalimentatie, partneralimentatie en alimentatie jongmeerderjarige. Behoefte jongmeerderjarige en vrouw onvoldoende onderbouwd. Wijziging kinderalimentatie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2025:7594:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>beschikking</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaakgegevens:	C/05/439983 / FA RK 24-2732</para>
      <para>Datum uitspraak:	21 maart 2025</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking alimentatie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam vrouw] </emphasis>(hierna: de vrouw),</para>
      <para>en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam jong meerderjarige] </emphasis>(hierna: [jong meerderjarige] ),</para>
      <para>beiden wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>advocaat mr. E.N. Mulder te Nijkerk,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam man] </emphasis>(hierna: de man),</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>advocaat mr. L.C. de Jong te Woerden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:</para>
      <para>- het verzoekschrift, ingekomen bij de griffie op 15 augustus 2024;</para>
      <para>- het verweerschrift met (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek, ingekomen bij de griffie op 3 oktober 2024;</para>
      <para>- het verweerschrift op het zelfstandige verzoek, ingekomen bij de griffie op 30 oktober 2024;</para>
      <para>- het F9-formulier met bijlagen van mr. De Jong van 3 februari 2025;</para>
      <para>- het F9-formulier met bijlage van mr. Mulder van 5 februari 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling van 18 februari 2025 zijn gehoord:</para>
      <para>- de man, bijgestaan door mr. E.N. Mulder;</para>
      <para>- de vrouw, bijgestaan door mr. L.C. de Jong.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank nog de volgende stukken ontvangen:</para>
      <para>- het F9-formulier met bijlagen van mr. Mulder van 24 februari 2025;</para>
      <para>- het F9-formulier met bijlagen van mr. De Jong van 24 februari 2025;</para>
      <para>- het F9-formulier met bijlagen van mr. Mulder van 26 februari 2025;</para>
      <para>- het F9-formulier met bijlagen van mr. De Jong van 26 februari 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De man en de vrouw zijn met elkaar getrouwd geweest van [datum] 2002 tot [datum] 2018, toen de echtscheidingsbeschikking van 27 september 2018 werd ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de [naam gemeente] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Zij zijn de ouders van [jong meerderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004, en van [naam minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [jong meerderjarige] is 20 jaar oud en volgt de opleiding [MBO] . Hij staat sinds 14 augustus 2024 niet meer ingeschreven bij één van zijn ouders.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de vrouw.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <parablock>
        <para>In voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de inhoud van het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant van 30 april 2018 deel uitmaken van die beschikking. In dat ouderschapsplan staat over de kinderalimentatie het volgende:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De ouders zijn overeengekomen dat de man de normale kosten van de kinderen voor zijn rekening neemt. De bijzondere kosten zullen naar rato van het inkomen gedeeld worden.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>In het convenant staat over de partneralimentatie het volgende: <?linebreak?><emphasis role="italic">Partijen hebben ieder inkomen uit arbeid. Weliswaar heeft de vrouw minder inkomen dan de man, maar vanwege het op zich nemen van het betalen van de schulden zoals hierna op te sommen onder Passiva ad. a, ziet de vrouw af van het vragen van partneralimentatie vanwege het ontbreken van draagkracht van de man.</emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>In de beschikking van 1 november 2019 heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw, om te bepalen dat de man € 650 per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen, afgewezen. De rechtbank heeft in die beschikking – kort gezegd – overwogen dat de man geen draagkracht had, omdat hij afloste op een aantal huwelijkse schulden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het verzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De vrouw en [jong meerderjarige] verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de man moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met een bedrag van € 435 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van 7 augustus 2024, dan wel met ingang van de datum van het verzoekschrift, dan wel een bedrag en een ingangsdatum die de rechtbank in goede justitie redelijk en passend acht;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de man moet bijdragen in de kosten van studie en levensonderhoud van [jong meerderjarige] en te betalen aan hem een bedrag van € 560 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van 7 augustus 2024, dan wel met ingang van de datum van het verzoekschrift, dan wel een bedrag en een ingangsdatum die de rechtbank in goede justitie redelijk en passend acht;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de man moet bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 620 met ingang van 7 augustus 2024, dan wel met ingang van de datum van het verzoekschrift, dan wel een bedrag en een ingangsdatum die de rechtbank in goede justitie redelijk en passend acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het verweer met zelfstandig verzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De man voert verweer tegen het verzoek met betrekking tot de partneralimentatie. Ten aanzien van de verzochte kinderalimentatie voor [minderjarige] voert de man ook verweer, voor zover dit verzoek een bedrag van € 250 per maand met ingang van 15 augustus 2024 te boven gaat. En met betrekking tot het verzoek van [jong meerderjarige] voert de man verweer. <?linebreak?>De man verzoekt (voorwaardelijk) om de vrouw en [jong meerderjarige] te verplichten om aan de hand van verificatoire stukken aan te tonen of en zo ja, welke compensatiebedragen zij hebben ontvangen vanwege de toeslagenaffaire en aan te tonen of zij nog over deze bedragen beschikken, dan wel hoe zij deze besteed hebben.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Als iemand verplicht is alimentatie te betalen aan twee of meer personen en zijn draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan hen te verschaffen, hebben zijn kinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigheden.<footnote-ref linkend="_09e6d85c-d9df-4e22-ac63-238ab88e6c69" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Tussen [jong meerderjarige] en [minderjarige] beiden bestaat geen onderlinge rangorde. Zij hebben dus gelijke aanspraak op een bijdrage van de man. In deze zaak zal de rechtbank daarom eerst de alimentatie voor [jong meerderjarige] en [minderjarige] berekenen, en ten slotte de partneralimentatie voor de vrouw.<?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Alimentatie [jong meerderjarige]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">ingangsdatum </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De wet<footnote-ref linkend="_d23db474-90f0-47b3-b2d4-9cf76aca52f6" /> laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. De rechter kan een bijdrage vaststellen of wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank hanteert hier 7 augustus 2024 als ingangsdatum, nu de vrouw heeft aangegeven dat haar advocaat toen de man heeft aangeschreven over de alimentatie voor [jong meerderjarige] . Zij vindt dan ook dat de man vanaf dat moment rekening heeft kunnen houden met een alimentatieverplichting voor [jong meerderjarige] . De man heeft op dit punt geen verweer gevoerd.  </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">behoefte</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Bij de berekening van de alimentatie wordt eerst gekeken naar de kosten van [jong meerderjarige] . Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Voor de hoogte van de behoefte van iemand tussen de 18 en 21 jaar sluit de rechtbank aan bij de normbedragen die worden genoemd in de Wet op de Studiefinanciering 2000. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze normbedragen af te wijken. Volgens die wet is een MBO-student € 765,78 per maand kwijt aan kosten voor levensonderhoud en een bedrag van € 217,72 per maand aan lesgeld. In totaal heeft [jong meerderjarige] dus € 983,50 per maand aan kosten. De rechtbank is hierbij uitgegaan van de normbedragen van een uitwonende MBO-student in de periode augustus tot en met december 2024, gelet op de hiervoor genoemde ingangsdatum en het feit dat [jong meerderjarige] niet meer staat ingeschreven bij de vrouw. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>De vrouw heeft aangegeven dat [jong meerderjarige] een basisbeurs ontvangt van € 100 per maand. Dit is echter op geen enkele manier onderbouwd. De rechtbank is met de man van oordeel dat het op de weg van de vrouw en [jong meerderjarige] had gelegen om inzicht te verschaffen in zijn studiefinanciering. Het is nu onduidelijk hoe hoog deze is en in hoeverre er sprake is van een lening die later terugbetaald moet worden. Daarbij komt dat vast is komen te staan dat [jong meerderjarige] in 2024 (en in ieder geval begin 2025) een bijbaantje heeft (gehad) via een uitzendbureau, waarbij naar het oordeel van de rechtbank sprake is (geweest) van structurele eigen inkomsten die ‘behoefteverlagend’ werken. Uit de overgelegde stukken is niet gebleken dat de arbeidsovereenkomst tussen het uitzendbureau en [jong meerderjarige] is beëindigd. De rechtbank is ook van oordeel dat de vrouw onvoldoende inzicht heeft gegeven in een stagevergoeding die [jong meerderjarige] mogelijk sinds kort ontvangt, omdat [jong meerderjarige] per 10 februari 2025 stage loopt bij [stagebedrijf] in [plaats] . Uit de overgelegde praktijkovereenkomst blijkt weliswaar niet direct dat [jong meerderjarige] een stagevergoeding krijgt, maar deze ontvangt hij mogelijk wel op grond van de algemene voorwaarden waar de overeenkomst naar verwijst, dan wel op grond van de geldende cao van [stagebedrijf] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank onvoldoende informatie om te kunnen vaststellen welk deel [jong meerderjarige] van zijn kosten kan betalen en wat zijn behoefte dus is. Dit maakt dat de rechtbank ook niet kan vaststellen in hoeverre de man een bijdrage ten behoeve van [jong meerderjarige] verschuldigd is. Het verzoek met betrekking tot [jong meerderjarige] wijst de rechtbank daarom af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Kinderalimentatie [minderjarige]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">reden voor de wijziging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>De rechtbank kan de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd.<footnote-ref linkend="_fdbdc43b-b6aa-4238-93fa-54dec391733d" /> In de beschikking van 1 november 2019 heeft de rechtbank vastgesteld dat de man geen draagkracht had, omdat er via loonbeslag op schulden werd afgelost. Partijen zijn het met elkaar eens dat de schulden inmiddels volledig zijn afgelost. Dit alleen al maakt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">ingangsdatum </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank hanteert hier 15 augustus 2024 als ingangsdatum. De (advocaat van de) de vrouw heeft de man op 7 augustus 2024 aangeschreven over de alimentatie voor [minderjarige] . Vervolgens heeft de vrouw op 15 augustus 2024 haar verzoek ingediend bij de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat de man in ieder geval vanaf dat moment rekening moest houden met een alimentatieverplichting voor [minderjarige] . </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">behoefte [minderjarige]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11.</nr>
      <para>Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12.</nr>
      <para>Wanneer het inkomen van een ouder na de scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het gezinsinkomen tijdens het huwelijk, is dit in beginsel van invloed op de hoogte van de behoefte van het kind. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging namelijk ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor het kind zou zijn uitgegeven. In dat geval bepaalt de rechtbank de behoefte op basis van dat hogere inkomen van die ouder opnieuw. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13.</nr>
      <para>Partijen zijn het met elkaar eens dat het inkomen van de man zodanig is gestegen dat het hoger is dan het voormalige gezinsinkomen tijdens het huwelijk. De rechtbank berekent de behoefte van [minderjarige] daarom aan de hand van het huidige inkomen van de man.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.14.</nr>
      <para>De man heeft zijn jaaropgaaf over 2024 overgelegd, waarin een inkomen van <?linebreak?>€ 81.036 staat vermeld. De man heeft echter ook een auto van de zaak, waarmee hij ook privé rijdt. De Belastingdienst ziet dit als extra inkomen waarover belasting moet worden betaald. Het is dan gebruikelijk dat door de werkgever een extra bedrag aan bruto loon (de zogenaamde bijtelling) opgeteld wordt bij het belastbaar inkomen, waardoor meer inkomstenbelasting moet worden betaald en het netto loon lager wordt. Op de jaaropgaaf van de man is het fiscale loon over 2024 weergegeven, waarin is begrepen de fiscale bijtelling voor de auto van de zaak. Deze bijtelling betreft echter geen daadwerkelijk ontvangen loon en moet dus op het fiscale loon in mindering worden gebracht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.15.</nr>
      <para>Uit de overgelegde loonstroken haalt de rechtbank wel de eigen bijdrage die de man moet betalen (€ 536,25 per maand), maar niet de fiscale bijtelling zelf. De waarde van de auto is wel vermeld, namelijk € 59.628. Als bijtelling over een jaar wordt in principe een percentage van 22% van de auto genomen, wat neerkomt op een bedrag van € 1.093,18 per maand. Gecorrigeerd met de hiervoor genoemde eigen bijdrage van de man, houdt de rechtbank rekening met een fiscale bijtelling van (1.093,18 -/- 536,25 =) € 556,93 per maand. Hiermee corrigeert de rechtbank het brutoloon uit de jaaropgaaf. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.16.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande heeft de man een netto besteedbaar inkomen van € 4.186 per maand. Wanneer dit het gezinsinkomen was geweest tijdens het huwelijk, hadden partijen ook nog recht gehad op € 44 per maand aan kindgebonden budget. De rechtbank rekent daarom met een totaal netto besteedbaar gezinsinkomen van € 4.230 per maand.<footnote-ref linkend="_7cb4e631-5a24-4525-9a9f-7960e9774534" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.17.</nr>
      <parablock>
        <para>Vervolgens kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan [minderjarige] zou worden werd uitgegeven en wat dus de behoefte van [minderjarige] is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat ouders bij een gezinsinkomen van </para>
        <para>€ 4.230 per maand, gemiddeld € 592 per maand uitgaven voor hun kind in 2024. Dit is dus de behoefte van [minderjarige] .</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">draagkracht ouders</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.18.</nr>
      <para>Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.<footnote-ref linkend="_d593b71d-27d7-43aa-83f9-470ab03a2805" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.19.</nr>
      <para>Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1270)]. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">draagkracht man</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.20.</nr>
      <para>Voor het bepalen van de draagkracht van de man rekent de rechtbank op basis van dezelfde gegevens als bij de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] . Het NBI is dus € 4.187 per maand.<footnote-ref linkend="_81dbb08d-9f11-4b68-983a-7273b865a7b2" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.21.</nr>
      <para>Wat betreft het woonbudget van de man sluit de rechtbank aan bij het forfaitaire bedrag van 30% van het NBI. Volgens de vrouw moet het woonbudget worden gehalveerd, omdat de man samenwoont. Omdat er geen sprake is van een tekort aan draagkracht, ziet de rechtbank echter geen aanleiding om af te wijken van het hiervoor genoemde woonbudget van 30% van het NBI. Daarbij komt dat de man heeft aangegeven dat zijn partner geen inkomsten heeft en dat hij dus de volledige woonlasten voor zijn rekening neemt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.22.</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de man een draagkracht van € 1.163 per maand.<?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">draagkracht vrouw </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.23.</nr>
      <para>Voor het bepalen van de draagkracht van de vrouw rekent de rechtbank op basis van de overlegde jaaropgaaf 2024 met een belastbaar loon van € 20.056. Ook rekent de rechtbank met een kindgebonden budget van € 6.610 per jaar, oftewel 551 per maand. Het NBI is dan € 2.190 per maand.<footnote-ref linkend="_4a3144c8-64eb-4c52-8f9f-fd8a649c2f2b" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.24.</nr>
      <para>Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de vrouw een draagkracht van € 184 per maand.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">verdeling kosten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.25.</nr>
      <para>Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.26.</nr>
      <para>De man en de vrouw hebben samen een draagkracht van € 1.347 per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige] te betalen, want die zijn € 592 per maand. Dit betekent dat de man een deel van (1.163 / 1.347 x 592 =)  € 511 per maand moet dragen en de vrouw een deel van (184 / 1.347 x 592 =) € 81 per maand.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">zorgkorting</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.27.</nr>
      <para>De man maakt op de dagen dat [minderjarige] bij hem verblijft kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van [minderjarige] staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de man met een percentage van de behoefte van de kinderen: de ‘zorgkorting’.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.28.</nr>
      <para>Volgens de vrouw ziet de man [minderjarige] eens per twee of drie maanden, waarbij de man met [minderjarige] een stukje gaat autorijden. Volgens de man ziet hij [minderjarige] echter vaker, namelijk eens per twee weken. In het ouderschapsplan is geen zorgregeling overeengekomen. Hoewel partijen van mening verschillen over de frequentie van het contact tussen de man en [minderjarige] , is gebleken dat zij in ieder geval niet wekelijks bij de man verblijft. Wel zien de man en [minderjarige] elkaar zo nu en dan. Hierbij past naar het oordeel van de rechtbank een zorgkorting van 5% van de behoefte, dus € 30 per maand. Dat betekent dat de man een bedrag van (511 -/- 30 =) € 481 per maand moet betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.29.</nr>
      <para>De rechtbank komt nu op een hoger bedrag uit dan wat door de vrouw is verzocht. Kinderalimentatie is echter van openbare orde. Dit betekent dat de rechtbank niet binnen de bandbreedte van de rechtsstrijd tussen partijen hoeft te blijven bij de uiteindelijke beslissing, zeker als (subsidiair) verzocht is om een bedrag aan kinderalimentatie vast te stellen in goede justitie te bepalen. De rechtbank bepaalt daarom dat de man € 481 per maand aan kinderalimentatie moet betalen, per 15 augustus 2024.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">indexering</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.30.</nr>
      <para>Omdat voormelde bijdrage ingaat op een datum gelegen voor 1 januari 2025 verhoogt de rechtbank de bijdrage per 1 januari 2025 met de wettelijke indexering van 6,5%.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">alimentatie vooruitbetalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.31.</nr>
      <para>De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Partneralimentatie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.32.</nr>
      <para>Omdat nu duidelijk is hoeveel de man voor [minderjarige] moet betalen, kan de rechtbank berekenen of hij nog ruimte heeft om partneralimentatie te betalen.   </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">reden voor de wijziging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.33.</nr>
      <para>De rechtbank kan de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd.<footnote-ref linkend="_f8298ab7-94fc-4cbf-b806-c420573e5790" /> In het echtscheidingsconvenant hebben partijen afgesproken dat de man geen partneralimentatie verschuldigd is, omdat de man geen draagkracht heeft vanwege het op zich nemen van het betalen van huwelijkse schulden. Partijen zijn het met elkaar eens dat de schulden inmiddels volledig zijn afgelost. Dit alleen al maakt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. De man voert nog aan dat de vrouw definitief heeft afgezien van partneralimentatie. Voorshands is deze stelling niet vast komen te staan, maar kan ook in het midden blijven gelet op het navolgende.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">huwelijksgerelateerde behoefte </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.34.</nr>
      <para>Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.35.</nr>
      <para>Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. Die hofnorm neemt het gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar met zijn tweeën van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het gezinsinkomen is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.36.</nr>
      <para>De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat partijen te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. In tegenstelling tot bij de kinderalimentatie, gaat de rechtbank bij de partneralimentatie uit van wat partijen feitelijk tijdens hun huwelijk aan inkomen hadden. <?linebreak?>De vrouw stelt dat uitgegaan moet worden van de inkomensgegevens van partijen in 2019, toen zij een gezamenlijk netto besteedbaar inkomen hadden van € 4.135 per maand. Haar behoefte is volgens de vrouw (geïndexeerd naar 2024) dan € 2.300,81 netto per maand. De rechtbank volgt echter het standpunt van de man, dat uitgegaan moet worden van het feitelijk ontvangen inkomen van partijen tijdens het huwelijk. Dat betekent dat de rechtbank rekening houdt met het jaarinkomen van de vrouw uit 2018, te weten € 15.646. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het loonbeslag wat toen op het inkomen van de man lag. Hiertoe overweegt de rechtbank dat zowel uit de overgelegde loonstrook van de man over juli 2018, als uit de beschikking van 1 november 2019 is gebleken dat de man langere tijd via loonbeslag afloste op huwelijkse schulden. Daarbij kwam zijn feitelijke netto inkomen steeds op of rond € 924,40 per maand uit. Verder overweegt de rechtbank dat namens de vrouw tijdens de mondelinge behandeling is aangegeven dat haar behoefte berekend had moeten worden op basis van het inkomen van de man <emphasis role="italic">met</emphasis> het ingehouden loonbeslag. In de overgelegde stukken daarna heeft de vrouw een ander standpunt ingenomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.37.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het inkomen van de man ten tijde van het huwelijk vast op € 924 per maand en het inkomen van de vrouw, rekening houdend met de inkomensafhankelijke combinatiekorting op € 1.304 per maand. Het netto gezinsinkomen bedroeg toen dus € 2.425 (inclusief kindgebonden budget). Hiervan trekt de rechtbank de kosten van [minderjarige] en [jong meerderjarige] nog af, gebaseerd op het feitelijke inkomen van partijen tijdens het huwelijk. Dit komt neer op € 500 per maand. Er resteert dan een bedrag € 1.925 netto per maand wat beschikbaar was voor partijen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.38.</nr>
      <para>Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de hofnorm dus 60% nodig. Dat was € 1.155 netto per maand in 2018. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2024 € 1.392 netto per maand.<footnote-ref linkend="_62b4d1e3-f0b9-4385-9979-b576ef5608ec" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">behoeftigheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.39.</nr>
      <para>Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag (€ 1.392 per maand) te verdienen. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.40.</nr>
      <para>De rechtbank heeft hiervoor berekend dat het NBI van de vrouw <emphasis role="italic">inclusief</emphasis> kindgebonden budget € 2.190 per maand is. Voor de partneralimentatie kijkt de rechtbank echter naar het NBI van de vrouw <emphasis role="italic">exclusief</emphasis> kindgebonden budget. Dit komt neer op € 1.639 netto per maand.<footnote-ref linkend="_58ed273e-f9ff-4b2f-8341-8784c12bb305" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.41.</nr>
      <para>Dat inkomen is meer dan de huwelijksgerelateerde behoefte, dus is de rechtbank van oordeel dat er geen behoefte is aan een bijdrage van de man. De rechtbank wijst daarom het verzoek om partneralimentatie af. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] , zoals die was vastgelegd in het ouderschapsplan van 30 april 2018 en de beschikking van 27 september 2018, en bepaalt dat deze kinderalimentatie vanaf 15 augustus 2024 € 481 per maand bedraagt en vanaf 1 januari 2025 € 512,27 per maand;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>bepaalt dat de man deze kinderalimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>wijst de verzoeken van partijen voor het overige af. </para>
      <para />
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="3">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <tbody>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para>Deze beschikking is gegeven door mr. C.J.M. van Apeldoorn, rechter, in tegenwoordigheid van  S.C. Dijksterhuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2025.</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para>Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:</para>
                <para>-	door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,</para>
                <para>-	door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.</para>
                <para>Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_09e6d85c-d9df-4e22-ac63-238ab88e6c69" label="1">
    <para> Artikel 1:400 van het Burgerlijk Wetboek</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d23db474-90f0-47b3-b2d4-9cf76aca52f6" label="2">
    <para> Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fdbdc43b-b6aa-4238-93fa-54dec391733d" label="3">
    <para> Artikel 1:401 lid 1 BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7cb4e631-5a24-4525-9a9f-7960e9774534" label="4">
    <para> Bijlage 1: behoefte van [minderjarige]</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d593b71d-27d7-43aa-83f9-470ab03a2805" label="5">
    <para> Artikel 1:397, lid 2 BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_81dbb08d-9f11-4b68-983a-7273b865a7b2" label="6">
    <para> Bijlage 2: draagkracht van de man. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a3144c8-64eb-4c52-8f9f-fd8a649c2f2b" label="7">
    <para> Bijlage 3: draagkracht van de vrouw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f8298ab7-94fc-4cbf-b806-c420573e5790" label="8">
    <para> Artikel 1:401 lid 1 BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_62b4d1e3-f0b9-4385-9979-b576ef5608ec" label="9">
    <para> Bijlage 4: behoefte van de vrouw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_58ed273e-f9ff-4b2f-8341-8784c12bb305" label="10">
    <para> Bijlage 3: draagkracht van de vrouw.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>