<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2025:11951</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-21T13:09:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/05/447022 / HZ ZA 25-27</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zutphen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:11951">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:11951</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-21T13:08:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2025:11951 Rechtbank Gelderland , 29-10-2025 / C/05/447022 / HZ ZA 25-27</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2025:11951:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eindvonnis na tussenvonnis. Opzegging aannemingsovereenkomst met vaste aanneemsom. Volledige aanneemsom minus besparingen verschuldigd. Omvang verschuldigde aanneemsom vastgesteld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2025:11951:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Gelderland</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Zutphen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/05/447022 / HZ ZA 25-27</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 29 oktober 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam eisend bedrijf] B.V.</emphasis>, </para>
      <para>te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [de eiser] ,</para>
      <para>advocaat: mr. D. Warnink,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [naam gedaagde 1] , </title>
    <parablock>
      <para>te [woonplaats] ,<?linebreak?>2. <emphasis role="bold">[naam gedaagde 2]</emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partijen,</para>
      <para>hierna samen te noemen: [de gedaagden] ,</para>
      <para>advocaat: mr. P.J. Contermans.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para>- het tussenvonnis van 13 augustus 2025<?linebreak?>- de akte van [de eiser] van 10 september 2025<?linebreak?>- de akte van [de gedaagden] van 8 oktober 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank neemt over en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist in haar tussenvonnissen van 18 juni 2025 en 13 augustus 2025, tenzij in het navolgende uitdrukkelijk anders wordt overwogen en beslist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 18 juni 2025 geoordeeld dat [de eiser] en [de gedaagden] een aannemingsovereenkomst met een vaste aanneemsom hebben gesloten die door [de gedaagden] is opgezegd voor de afronding van de overeengekomen werkzaamheden. Ten aanzien van de door [de eiser] gevorderde (resterende) volledige aanneemsom van € 104.227,39 (inclusief btw) heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over i) welk deel van het door [de eiser] gevorderde bedrag van € 104.227,39 winst betreft, ii) welk winstpercentage dit oplevert en iii) welk winstpercentage gebruikelijk en redelijk is. Beide partijen hebben vervolgens gelijktijdig een akte genomen om zich over voornoemde punten uit te laten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>In het tussenvonnis van 13 augustus 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat [de eiser] (nog) niet heeft voldaan aan haar mededelingsplicht in het kader van artikel 7:764 lid 2 BW. De rechtbank heeft [de eiser] daarom in de gelegenheid gesteld nadere informatie in het geding te brengen. Daarbij heeft de rechtbank specifiek gevraagd om de volgende informatie:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de gemaakte kosten, bijvoorbeeld voor reeds aangeschafte of bestelde materialen, alsmede informatie over welke bestelde materialen niet meer konden worden (her)gebruikt of doorverkocht;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>andere kosten die onvermijdelijk zijn geworden door de opzegging.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Vervolgens heeft [de eiser] een akte genomen, waarna [de gedaagden] daarop bij akte heeft gereageerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [de eiser] heeft bij akte van 10 september 2025 de hiervoor verzochte informatie verschaft. Als productie 51 heeft [de eiser] een kostenoverzicht overgelegd dat hij samen met zijn accountant heeft opgesteld. In dit overzicht worden de materiaalkosten gespecificeerd, waar mogelijk onderbouwd met (inkoop)facturen. Verder heeft [de eiser] een toelichting gegeven op de door hem bestede (en bespaarde) arbeidskosten en de daarbij gehanteerde bedragen. [de eiser] heeft het een en ander onderbouwd met een urenspecificatie (productie 55). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Voor zover [de gedaagden] in zijn akte van 8 oktober 2025 concludeert dat [de eiser] niet is geslaagd in de aan haar verstrekte bewijsopdracht, is dit onjuist. [de gedaagden] miskent hiermee dat op hem de stelplicht en bewijslast rust van de door [de eiser] genoten besparingen. Het uitgangspunt van de wet is immers dat [de eiser] als gevolg van de opzegging van de aannemingsovereenkomst door [de gedaagden] recht heeft op vergoeding van de volledige tussen partijen overeengekomen vaste aanneemsom, verminderd met besparingen die voor [de eiser] uit die opzegging voortvloeien. [de eiser] hoeft dan ook niet te bewijzen welke kosten zij heeft gemaakt, zij dient slechts noodzakelijke informatie te verschaffen teneinde [de gedaagden] in staat te stellen eventuele besparingen aan te tonen. Dat heeft [de eiser] naar het oordeel van de rechtbank met haar akte van 10 september 2025 en eerdere stukken gedaan. Daarom stelt de rechtbank in dit vonnis de hoogte van de vordering van [de eiser] vast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De rechtbank herhaalt nogmaals dat het uitgangspunt daarbij is dat [de eiser] recht heeft op betaling van de overeengekomen aanneemsom van € 143.298,57 (inclusief btw). Daarop moeten de besparingen die voor [de eiser] uit de opzegging voortvloeien in mindering worden gebracht. [de gedaagden] gaat steeds slechts in op de door [de eiser] gemaakte kosten. Hij stelt dat [de eiser] deze kosten onvoldoende heeft onderbouwd. Daarmee gaat [de gedaagden] echter uit van een onjuist kader. Het enkele feit dat [de eiser] bepaalde begrote kosten niet heeft gemaakt, betekent nog niet dat het geen besparingen zijn in de zin van artikel 7:764 lid 2 BW. Daarvoor is immers vereist dat [de eiser] deze kosten niet heeft hoeven te maken als gevolg van de opzegging door [de gedaagden] . Het is aan [de gedaagden] om dit te stellen en onderbouwen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De bespaarde materiaalkosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [de eiser] voert aan dat hij een bedrag van € 9.611,40 heeft bespaard aan materiaalkosten (productie 29). Zoals overwogen in rechtsoverweging 4.15 van het tussenvonnis van 18 juni 2025, heeft [de eiser] deze besparingen uitgebreid onderbouwd. [de gedaagden] stelt niet wat volgens hem de door [de eiser] bespaarde materiaalkosten zijn. [de gedaagden] is slechts ingegaan op de door [de eiser] aangevoerde kosten en voert aan dat [de eiser] zijn kosten onvoldoende heeft onderbouwd. Voor zover [de gedaagden] bedoelt te stellen dat de besparingen van [de eiser] hoger zijn dan € 9.611,40, heeft hij dit onvoldoende onderbouwd. [de gedaagden] heeft namelijk niet gesteld dat vermeende verdere besparingen voortvloeien uit de opzegging, zoals wel is vereist op grond van artikel 7:764 lid 2 BW. De rechtbank gaat daarom uit van bespaarde materiaalkosten ter hoogte van € 9.611,40 (exclusief btw).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De bespaarde arbeidskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De rechtbank komt terug van hetgeen zij omtrent bespaarde loonkosten heeft overwogen in rechtsoverweging 4.15 van het tussenvonnis van 18 juni 2025. De daar genoemde bedragen zijn niet de door [de eiser] aangevoerde besparingen betreffende arbeidskosten, maar de bedragen die [de eiser] gebruikt bij het berekenen van het pro forma uurtarief van zijn medewerkers. [de eiser] heeft bij akte herhaald dat hij 792 uren heeft kunnen besparen. Reeds bij dagvaarding (productie 30) heeft [de eiser] uiteengezet welke werkzaamheden niet meer verricht hoefden te worden en hoeveel uren hij daarvoor had begroot. In productie 41 bij dagvaarding heeft [de eiser] de bespaarde loonkosten (in totaal 792 uren) onder elkaar gezet. Het gaat in totaal om € 18.984,08 aan besparingen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Ook ten aanzien van de arbeidskosten stelt [de gedaagden] niet dat [de eiser] meer besparingen heeft genoten dan het hiervoor genoemde bedrag van € 18.984,08. [de gedaagden] gaat slechts in op diverse uren uit het kostenoverzicht van [de eiser] die [de eiser] volgens hem niet heeft gemaakt. Indien [de gedaagden] meent dat deze volgens hem niet gemaakte kosten besparingen in de zin van artikel 7:764 lid 2 BW zijn, had het op zijn weg gelegen om te stellen en onderbouwen dat deze uren niet zijn gemaakt én na de opzegging alsnog zouden zijn gemaakt, zodat deze uren als gevolg van de opzegging zijn bespaard. Nu [de gedaagden] dit heeft nagelaten, heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende stelplicht. De rechtbank gaat derhalve uit van bespaarde arbeidskosten van € 18.984,08 (exclusief btw).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De totale besparingen van [de eiser]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>
        [de eiser] heeft aangevoerd dat hij naast voornoemde besparingen op arbeid en materiaal nog enkele besparingen heeft genoten, zoals benzinekosten. In totaal heeft [de eiser] naar eigen zeggen € 39.071,18 (inclusief btw) kunnen besparen. Nu [de gedaagden] – naast een betwisting van de door [de eiser] aangevoerde kosten – niet heeft gesteld, althans onderbouwd, dat [de eiser] als gevolg van de opzegging meer besparingen heeft genoten, gaat de rechtbank uit van voornoemd bedrag aan besparingen. Wanneer dit bedrag in mindering wordt gebracht op de overeengekomen aanneemsom, resteert het bedrag van € 104.227,39.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Winst</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>In de tussenvonnissen heeft de rechtbank overwogen dat [de eiser] alleen recht heeft op vergoeding van misgelopen winst, voor zover het winstpercentage redelijk is. Indien volledige toewijzing van misgelopen winst leidt tot een excessief winstpercentage, kan de rechtbank de misgelopen winst matigen. Partijen hebben zich naar aanleiding van het tussenvonnis van 18 juni 2025 uitgelaten over de vraag wat volgens hen een redelijk winstpercentage is. Volgens [de gedaagden] is dit maximaal 15%, volgens [de eiser] is een winstmarge van 10 á 25% redelijk. De rechtbank gaat er daarom van uit dat een winstpercentage van 15% in ieder geval redelijk is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Tussen partijen is in geschil welk deel van de overeengekomen aanneemsom winst betreft. De tussen partijen overeengekomen aanneemsom bedraagt € 143.298,57. In de offerte die ten grondslag ligt aan de tussen partijen gesloten overeenkomst, zijn geen afzonderlijke posten opgenomen. In die offerte staan slechts de te verrichten werkzaamheden, extra opties en een totaalprijs. Uit de offerte (en dus de overeenkomst) volgt derhalve niet welk bedrag ziet op materiaal, welk bedrag ziet op loonkosten, of algemene kosten zijn meegenomen en van welk winstpercentage [de eiser] is uitgegaan. Dit is achteraf ook niet meer vast te stellen. [de eiser] heeft wel uitvoerig onderbouwd dat hij gemiddeld een winstpercentage heeft van 26,32%. De rechtbank gaat er daarom van uit dat ditzelfde winstpercentage van toepassing is op de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst. Dit betekent dat van de overeengekomen aanneemsom een bedrag van € 37.716,18 winst betreft. De vordering van [de eiser] in deze procedure (aanneemsom minus besparingen) is € 104.227,39. Wanneer voornoemd bedrag aan winst volledig zou worden toegewezen, is sprake van een winstpercentage van 36,19%. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een excessief winstpercentage, nu dit ruim twee keer zo veel is als het door de rechtbank redelijke geachte winstpercentage van 15%. De rechtbank zal de winst gelet hierop matigen tot 15%. Dit leidt tot een toewijsbaar bedrag van € 76.487,89 ((104.227,39 – 37.716,18) x 1.15).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verrekening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>
        [de gedaagden] stelt een tweetal vorderingen te hebben op [de eiser] en beroept zich in dat kader op verrekening. De eerste vordering ziet – zo begrijpt de rechtbank – op deskundigenkosten die [de gedaagden] heeft gemaakt door het inschakelen van [bouwkundig adviesbureau] (€ 1.149,50). Gesteld noch gebleken is echter op grond waarvan [de eiser] gehouden zou zijn deze kosten aan [de gedaagden] te vergoeden. [de gedaagden] heeft [bouwkundig adviesbureau] kennelijk ingeschakeld om te verifiëren of de door [de eiser] gestelde besparingen hout snijden. [bouwkundig adviesbureau] heeft daartoe de waarde van het door [de eiser] uitgevoerde werk vastgesteld. Voor zover [de gedaagden] meent dat de kosten van [bouwkundig adviesbureau] hierdoor kosten zijn in de zin van artikel 6:96 lid 2 onder b BW, geldt dat dit artikel geen zelfstandige grondslag voor (schade)vergoeding biedt. Gesteld noch gebleken is dat [de eiser] aansprakelijk is voor de door [de gedaagden] gemaakte deskundigenkosten. Deze vordering van [de gedaagden] is dus niet toewijsbaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>Ten tweede stelt [de gedaagden] dat [de eiser] had toegezegd een factuur te zullen verstrekken met daarop de hoeveelheden gebruikte materialen met isolatiewaarden. Deze factuur had [de gedaagden] nodig voor de aanvraag van een ISDE-subsidie ter hoogte van € 7.500,00. [de eiser] heeft niet betwist dat partijen deze afspraak hebben gemaakt. Evenmin heeft [de eiser] betwist dat [de gedaagden] aanspraak zou kunnen maken op subsidie van € 7.500,00. Vast staat dat [de eiser] geen factuur met daarop de hoeveelheden gebruikte materialen met isolatiewaarden aan [de gedaagden] heeft verstrekt. [de eiser] is daarmee tekortgeschoten in de nakoming van deze tussen partijen gemaakte afspraak. Als gevolg daarvan heeft [de gedaagden] schade geleden ter hoogte van € 7.500,00. Dit bedrag zal worden verrekend met de toewijsbare vordering van [de eiser] ter hoogte van € 76.487,89, zodat [de gedaagden] nog € 68.987,89 aan [de eiser] moet betalen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wettelijke rente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <para>
        [de eiser] vordert wettelijke rente over zijn vordering vanaf 23 november 2024. Voor de verschuldigdheid van wettelijke rente is vereist dat [de gedaagden] in verzuim is met de betaling van een geldsom (artikel 6:119 lid 1 BW). In beginsel is voor het intreden van verzuim een ingebrekestelling vereist (artikel 6:82 BW), tenzij een van de situaties uit artikel 6:83 BW aan de orde is. Gesteld noch gebleken is dat dit het geval is. [de eiser] heeft [de gedaagden] voor het eerst bij brief van 5 december 2024 in gebreke gesteld en gesommeerd om binnen 15 dagen na ontvangst van de brief te betalen. Vast staat dat [de gedaagden] niet heeft betaald. [de gedaagden] is daarom in verzuim vanaf 21 december 2024 in verzuim. De wettelijke rente zal daarom vanaf die datum worden toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Buitengerechtelijke incassokosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <para>
        [de eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [de gedaagden] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [de eiser] heeft aan [de gedaagden] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. De rechtbank zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 1.539,88 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17.</nr>
      <para>
        [de gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- kosten van de dagvaarding</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>122,16</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>6.861,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>5.787,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(3 punten × € 1.929,00)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>178,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>12.948,16</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18.</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt [de gedaagden] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 68.987,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 december 2024, tot de dag van volledige betaling,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [de gedaagden] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 1.539,88 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt [de gedaagden] in de proceskosten van € 12.948,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>veroordeelt [de gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot dusver uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="3">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <tbody>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.</para>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>RG/PB</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>