<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2024:7600</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-04T14:43:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 23/3326</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:7600">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:7600</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-04T14:43:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2024:7600 Rechtbank Gelderland , 09-10-2024 / AWB 23/3326</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2024:7600:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing van het verzoek van het bestuursorgaan om verweerder (eiser in de door intrekking beëindigde beroepsprocedure) te veroordelen in de proceskosten van het bestuursorgaan. Volgens het bestuursorgaan is er sprake van misbruik van procesrecht door verweerder. De rechtbank is van oordeel dat een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet meer mogelijk is, omdat verweerder het beroep tegen het besluit van het bestuursorgaan heeft ingetrokken. In artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb is niet bepaald dat de bestuursrechter een natuurlijk persoon kan veroordelen in het betalen van de proceskosten van het bestuursorgaan wanneer de natuurlijk persoon het beroep heeft ingetrokken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2024:7600:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: ARN 23/3326 </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de meervoudige kamer van </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak tussen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister </title>
    <para>(gemachtigden: [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2])</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verweerder] , uit [woonplaats] , verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M.J. van Dam).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van de minister om een veroordeling van verweerder (zijnde eiser in de bodemprocedure) in de proceskosten van de minister. De minister heeft dit verzoek gedaan in zijn verweerschrift van 4 juli 2023 in het beroep van verweerder tegen zijn besluit van 12 april 2023. De minister heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van misbruik van procesrecht door verweerder. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 12 april 2\023. Dit beroep zou worden behandeld tijdens de zitting van 17 september 2024, maar dit beroep is ter zitting ingetrokken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het verzoek van de minister tijdens de zitting van 17 september 2024 behandeld. De minister en verweerder hebben zich daarbij laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De gemachtigde van verweerder heeft tijdens de zitting mondeling gereageerd op het verzoek van de minister. Daarbij heeft hij zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen grondslag biedt om verweerder te veroordelen in de proceskosten van de minister.<footnote-ref linkend="_8b038454-5450-4474-943d-ce662a04f2d8" /> De minister heeft daar tijdens de zitting op gereageerd en te kennen gegeven dat zijn verzoek is gebaseerd op artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. Dat artikel staat volgens de minister los van het bepaalde in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. </para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beoordeling door de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. De rechtbank wijst het verzoek van de minister om verweerder te veroordelen in zijn proceskosten in het beroep van verweerder tegen het besluit van de minister van 12 april 2023 af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat een proceskostenveroordeling (van de minister of van verweerder) op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, niet meer mogelijk is, omdat verweerder het beroep tegen het besluit van de minister van 12 april 2023 heeft ingetrokken. Deze bepaling ziet namelijk (uitsluitend) op de situatie dat er een uitspraak wordt gedaan op het beroep. Vanwege de intrekking van het beroep, wordt er geen uitspraak op het beroep gedaan en kan het verzoek van de minister (dus) ook niet beoordeeld worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op grond van het bepaalde in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter, als een beroep door de indiener daarvan wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen en de indiener van het beroep (dat is in dit geval verweerder) daarom vraagt, dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>In artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb is niet bepaald dat de bestuursrechter een natuurlijk persoon kan veroordelen in het betalen van de proceskosten van het bestuursorgaan wanneer de natuurlijk persoon het beroep heeft ingetrokken. Uit de memorie van toelichting op deze bepaling blijkt ook dat de wetgever heeft beoogd dat de bijzondere rechtsgang van artikel 8:75a Awb alleen kan worden gebruikt voor het verkrijgen van een uitspraak over de veroordeling van een bestuursorgaan in de kosten die de indiener van het beroepschrift heeft gemaakt.<footnote-ref linkend="_99872147-e30f-4a09-b8c2-aea18b10caba" />  Er bestaat daarom geen wettelijke basis voor een verzoek als de minister heeft gedaan. Alleen al om die reden moet het verzoek worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank wijst het verzoek van de minister tot veroordeling van verweerder in zijn proceskosten af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. W.W. Monteiro, voorzitter, en mr. M.J. van Lee en </para>
      <para>mr. A.S.W. Kroon, leden, in aanwezigheid van mr. H. Peters, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzitter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
  </section>
  <footnote id="_8b038454-5450-4474-943d-ce662a04f2d8" label="1">
    <para> Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 augustus 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:3445.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_99872147-e30f-4a09-b8c2-aea18b10caba" label="2">
    <para> MvT Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23 780, nr. 3 (bladzijde 7).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>