<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2024:6001</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-11T10:17:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">05-153269-22 (ontneming)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:6001">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:6001</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-11T10:14:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2024:6001 Rechtbank Gelderland , 02-09-2024 / 05-153269-22 (ontneming)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2024:6001:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van – kort gezegd – het een gewoonte maken van het plegen van online handelsfraude tot een gevangenisstraf van 6 maanden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2024:6001:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegenspraak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 05-153269-22</para>
      <para>Datum uitspraak	: 2 september 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde]
        </emphasis>,</para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] , </para>
      <para>wonende aan de [adres] , [postcode] , te [woonplaats] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Raadsman: mr. R.J. Wortelboer, advocaat in Heerhugowaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De inhoud van de vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 17.705,-.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 18.205,-. De officier van justitie heeft de vordering aangepast omdat de bedragen van de benadeelden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet in de oorspronkelijke vordering zouden zijn meegenomen. De officier van justitie heeft verder primair gevorderd dat betaling van het bedrag hoofdelijk aan veroordeelde wordt opgelegd. Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat het wederrechtelijk voordeel van veroordeelde moet worden bepaald op € 13.840,- en € 4.365,- voor medeveroordeelde [medeveroordeelde] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, nu integrale vrijspraak is bepleit. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden vastgesteld, omdat er onvoldoende concreet bewijs is dat de personen die geen aangifte hebben gedaan daadwerkelijk zijn benadeeld. Voor de berekening van het wederrechtelijk voordeel dient dan ook de bedragen in de aangiften als uitgangspunt te worden genomen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling van de vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Algemene overwegingen</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 2 september 2024 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde ter zake van – kort gezegd – medeplegen van beroepsmatige online handelsfraude is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van de in het vonnis van 2 september 2024 opgenomen bewijsmiddelen<footnote-ref linkend="_d3693946-eab4-4296-a447-31d76f0947fd" />, het procesdossier en de behandeling van de vordering ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelde heeft geen verklaring afgelegd en zich steeds beroepen op zijn zwijgrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e 2e lid Sr’ met bijlagen<footnote-ref linkend="_a60ebcef-f3c6-4d25-979d-6c2c8085e628" /> (hierna: het rapport) als uitgangspunt. In het rapport heeft de politie een berekening gemaakt van het door veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Omvang van het wederrechtelijk voordeel</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank heeft in het vonnis bewezen verklaard dat veroordeelde zich in de periode van 13 mei 2020 tot en met 9 juni 2020 als medepleger schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – beroepsmatige online handelsfraude ten aanzien van 13 slachtoffers.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan een geldbedrag worden ontnomen van een persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het strafbaar feit waarvoor hij veroordeeld is of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. Er is sprake van voldoende aanwijzingen wanneer buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de betrokkene die andere strafbare feiten heeft gepleegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de bankrekening die op naam staat van veroordeelde zijn in totaal 156 betalingen gedaan. Bij al deze betalingen zijn bestelnummers opgegeven. De eerste betaling met een bestelnummer was op 5 mei 2020 en de laatste betaling met een bestelnummer was op 18 juni 2020.<footnote-ref linkend="_9c25f3e1-286b-4c15-9bdb-90f097bc6b54" /> Op de bankrekening die op naam staat van medeveroordeelde [medeveroordeelde] zijn in totaal 46 stortingen gedaan, waarbij bestelnummers zijn opgegeven. De eerste betaling met bestelnummer op deze bankrekening was op 21 mei 2020 en de laatste betaling met bestelnummer was op 11 juni 2020.<footnote-ref linkend="_4a51a5bf-6b26-428d-a8f8-6e0afc212663" /> De rechtbank stelt vast dat bij de bestellingen en de betalingen – niet zijnde een bestelling en betaling van één van de 13 personen die aangifte hebben gedaan – op de bankrekeningen van veroordeelden dezelfde werkwijze is gehanteerd als bij de 13 personen die aangifte hebben gedaan. Zo is bij alle 202 stortingen bij de omschrijving van de transactie een bestelnummer genoemd dan wel wordt medicatie genoemd zoals opgenomen in de bewezenverklaring. Bovendien dateren de betalingen die buiten de bewezenverklaarde periode vallen slechts enkele dagen vóór of ná die periode waardoor ze kunnen worden beschouwd als onderdeel van hetzelfde feitencomplex. De website [website] was vóór de eerste betalingen online gegaan.<footnote-ref linkend="_1ace4ea0-2a8e-47ff-a0ac-4ddd9790550b" /> Veroordeelde heeft bovendien geen aannemelijke verklaring gegeven voor al deze betalingen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer dat niet kan worden uitgesloten dat de personen die een bestelling hebben gedaan en daarvoor hebben betaald en geen aangifte hebben gedaan wél geleverd hebben gekregen, is reeds verworpen in het strafvonnis. De rechtbank gaat er in het strafvonnis vanuit dat veroordeelde, behoudens één bestelling, ook de bestellingen van de kopers die geen aangifte hebben gedaan niet heeft geleverd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat voldoende is gebleken dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan, zoals bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Hoewel veroordeelde is veroordeeld voor het bovengenoemde strafbare feit gedurende de periode 13 mei 2020 tot en met 9 juni 2020 ten aanzien van 13 slachtoffers, zijn er naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande voldoende aanwijzingen dat veroordeelde de ‘andere strafbare feiten’, te weten beroepsmatige online handelsfraude ten aanzien van meer personen en in een langere periode dan bewezen is verklaard, heeft gepleegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Berekening wederrechtelijk voordeel</emphasis>
      </para>
      <para>Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel baseert de rechtbank zich op berekening van de opbrengst in het rapport alsmede de Excellijsten die als bijlage bij dit rapport zijn gevoegd. Voor wat betreft de kosten die veroordeelden gemaakt hebben, neemt de rechtbank alleen de kosten van de website in aanmerking, omdat van andere kosten niet is gebleken noch zijn gesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opbrengst op bankrekening veroordeelde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>Opbrengst van de 13 aangevers:		€ 1.660,-</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Opbrengst overige benadeelden:	€ 12.240,-	</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <parablock>
      <para>Kosten (website)				€ 60,- 					</para>
      <para>Wederrechtelijk voordeel:			€ 13.840,- </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opbrengst op bankrekening medeveroordeelde [medeveroordeelde]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>Opbrengst van de 13 aangevers:		€ 920,-</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Opbrengst overige benadeelden:	€ 2945,-	</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <parablock>
      <para>Kosten						€ 0,- 					</para>
      <para>Wederrechtelijk voordeel:			€ 3.865,-</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Totaal wederrechtelijk voordeel		€ 17.705,- </emphasis>(€ 13.840 + € 3.865)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dat de officier van justitie heeft gesteld, volgt uit de bijlagen (Excellijsten) van het rapport dat de betalingen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn meegenomen in de berekening van de opbrengst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
      </para>
      <para>Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 17.705,- en zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoofdelijkheid</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank overweegt dat bij de bepaling van het ontnemingsvoordeel volgens vaste jurisprudentie wordt uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde gezegd kan worden in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk te hebben genoten. Het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting voor het volledige bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zonder dat vastgesteld kan worden dat de veroordeelde dat voordeel heeft verkregen, zal over het algemeen met dit uitgangspunt in strijd zijn. Alleen als het wederrechtelijk verkregen voordeel als ‘gemeenschappelijk voordeel’ kan worden aangemerkt – waarover ieder van de mededaders kan beschikken of gedurende zekere tijd heeft kunnen beschikken – is oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting mogelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In onderhavig geval hadden veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde] samen een (liefdes)relatie. Verder is van belang dat er met geld werd geschoven tussen de bankrekeningen van veroordeelden, waarbij met name door medeveroordeelde [medeveroordeelde] een aanzienlijk bedrag is gestort op een bankrekening van veroordeelde. Vanaf de bankrekening van veroordeelde zijn grote bedragen overgemaakt naar zijn spaarrekening met in de beschrijving ‘vakantiehuis Italië’, ‘spaarpotje naar: vakantiehuis [medeveroordeelde] - [veroordeelde] ’ en ‘noodgeld Italië’. Veroordeelden hebben vervolgens beiden ook bijna een jaar in Italië verbleven. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat zij gezamenlijke uitgaven hadden en gezamenlijk hebben geprofiteerd van het geld dat de gedupeerden hebben overgemaakt naar hun bankrekeningen. De rechtbank is op basis hiervan van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden aangemerkt als ‘gemeenschappelijk voordeel’. De rechtbank ziet daarom aanleiding om te bepalen dat veroordeelden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering benadeelde partij</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank overweegt dat uit artikel 36e, negende lid, Sr volgt dat bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen, alsmede verplichtingen tot betaling aan de Staat in geval van een schadevergoedingsmaatregel, in mindering worden gebracht, voor zover die zijn voldaan. Het door de rechtbank gewezen vonnis is nog niet onherroepelijk geworden. Dat betekent dat er nog niet onherroepelijk op de vorderingen van de benadeelde partijen is beslist. De rechtbank zal daarom de toegewezen vorderingen niet in mindering brengen op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor zover veroordeelde de in de hoofdzaak toegewezen vorderingen aan de benadeelde partijen dan wel de Staat zal betalen, kan zij op grond van artikel 577b Wetboek van Strafvordering verzoeken om vermindering van het vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De toegepaste wettelijke bepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van<emphasis role="bold"> € 17.705</emphasis>;</para>
    <para />
    <para>- wijst de (ter zitting aangepaste) vordering voor het overige af;<?linebreak?></para>
    <para>- legt de veroordeelde de hoofdelijke verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;</para>
    <para />
    <para>- verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt te vervallen indien en voor zover de medeveroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat;<?linebreak?></para>
    <para>- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 354 dagen. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. R.M.H. Pennings (voorzitter), mr. M. Hoedeman en mr. J.M. Hollebrandse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 september 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">mr. Hollebrandse en mr. Aalbers zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_d3693946-eab4-4296-a447-31d76f0947fd" label="1">
    <para> Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-20205333961, gesloten op 26 juni 2022 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a60ebcef-f3c6-4d25-979d-6c2c8085e628" label="2">
    <para> Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e 2e lid Sr, p. 309-315, alsmede de bijbehorende Excellijsten. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9c25f3e1-286b-4c15-9bdb-90f097bc6b54" label="3">
    <para> Proces-verbaal van bevindingen, p. 274-275. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a51a5bf-6b26-428d-a8f8-6e0afc212663" label="4">
    <para> Proces-verbaal van bevindingen, p. 270. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1ace4ea0-2a8e-47ff-a0ac-4ddd9790550b" label="5">
    <para> Proces-verbaal van bevindingen, p. 303-304.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>