<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2022:5820</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-24T12:00:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/05/409170 / KG RK 22-687</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2022:5820">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2022:5820</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-17T13:40:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2022:5820 Rechtbank Gelderland , 17-10-2022 / C/05/409170 / KG RK 22-687</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2022:5820:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet tegen hoogte griffierecht. De griffier heeft geen toepassing gegeven aan artikel 3 lid 6 Wgbz. In een zaak waarbij natuurlijke en niet-natuurlijke personen zijn betrokken, wordt niet het maximale griffierechttarief voor niet-natuurlijke personen geheven. Het verzet is gegrond. De griffier moet het teveel betaalde griffierecht terugbetalen en wordt veroordeeld in de proceskosten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2022:5820:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="4462e4f3-b9f6-44cf-8db1-f81e97538a10" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="adc64ca3-ee54-421c-8f3c-a857af429594" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beschikking</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team kanton en handelsrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rekestnummer: C/05/409170 / KG RK 22-687</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van 17 oktober 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekende partij 1]
        </emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [plaats] ,</para>
    </parablock>
    <para>2.	<emphasis role="bold">[verzoekende partij 2]</emphasis>,</para>
    <para>wonende te [plaats] ,</para>
    <para>3.	<emphasis role="bold">[verzoekende partij 3]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>wonende te [plaats] ,</para>
      <para>verzoekers,</para>
      <para>advocaat mr. J.J. Kunst te Hoorn, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">DE GRIFFIER</emphasis>,</para>
      <para>van de rechtbank Gelderland,</para>
      <para>verweerder,</para>
      <para>gemachtigde P.J. Koene te Arnhem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers zullen hierna gezamenlijk [verzoekende partijen] en afzonderlijk [verzoekende partij 1] , [verzoekende partij 2] respectievelijk [verzoekende partij 3] worden genoemd. Verweerder zal hierna de Griffier worden genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het verzoekschrift strekkende tot verzet tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht ex artikel 29 lid 1 Wgbz, van 31 augustus 2022;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verweerschrift van 28 september 2022;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van 30 september 2022 van mr. Kunst.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [verzoekende partijen] komt op de voet van artikel 29 Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) in verzet tegen de beslissing van de griffier tot heffing van een griffierecht van € 8.519,00 in de zaak met nummer C/05/406130 HA ZA 22-297. In die zaak, waarvan het belang is gesteld op € 2.210.835,79, is [verzoekende partijen] gedaagde partij.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Volgens [verzoekende partijen] is een onjuist bedrag aan griffierecht geheven. Bij de vaststelling van het griffierecht is uitgegaan van een niet-natuurlijke persoon als partij en een vordering met een beloop van meer dan € 1.000.000,00. Omdat [verzoekende partij 2] en [verzoekende partij 3] natuurlijke personen in de zaak zijn, had echter uitgegaan moeten worden van een vordering met een beloop van meer dan € 100.000,00 en niet meer dan € 1.000.000,00 (artikel 3 lid 6 Wgbz). Het griffierecht dat geheven had moeten worden bedraagt € 5.737,00 in plaats van het geheven bedrag van € 8.519,00, aldus [verzoekende partijen] </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Volgens de Griffier is het berekende griffierecht juist, omdat tot [verzoekende partijen] ook een niet-natuurlijke persoon behoort (artikel 15 lid 2 Wgbz). Daarom moet bij de vaststelling van het griffierecht worden uitgegaan van een niet-natuurlijke persoon als partij en een vordering met een beloop van meer dan € 1.000.000,00, aldus de Griffier.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Aan de tabel waarnaar artikel 3 lid 5 Wgbz verwijst, is met ingang van 1 januari 2022 een regel toegevoegd. Dit betreft de categorie ‘zaken (…) met een beloop van meer dan € 1.000.000’. Ook is met ingang van genoemde datum artikel 3 lid 6 Wgbz in werking getreden. Artikel 15 Wgbz is hierbij niet gewijzigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Hoewel artikel 15 lid 2 en artikel 3 lid 6 Wgbz onderling tegenstrijdig kunnen lijken, is daarvan geen sprake. Artikel 15 lid 2 Wgbz geeft antwoord op de vraag welk griffierecht dient te worden geheven indien de partijen, die een gezamenlijke procedure voeren, bestaan uit natuurlijke personen en rechtspersonen. In dat geval wordt niet een griffierecht voor natuurlijke personen geheven, maar wordt een griffierecht voor niet-natuurlijke personen geheven. Artikel 3 lid 6 Wgbz maakt hierop geen uitzondering. De strekking van dit artikel is dat het hoogste griffierechttarief voor niet-natuurlijke personen slechts geldt voor zaken waarbij geen natuurlijke persoon is betrokken. Dit tarief geldt dus alleen voor zaken waarbij slechts ondernemingen / niet-natuurlijke personen zijn betrokken. Indien bij de zaak zowel een natuurlijke als niet-natuurlijke persoon is betrokken, wordt het griffierecht geheven dat geldt voor niet-natuurlijke personen voor zaken met een beloop van meer dan € 100.000,00 en niet meer dan € 1.000.000,00. In de parlementaire geschiedenis van artikel 3 lid 6 Wgbz is vermeld dat aldus wordt voorkomen dat burgers het maximale griffierechttarief voor niet-natuurlijke personen moeten opbrengen dan wel vergoeden. Dit is - zoals [verzoekende partijen] ook heeft gesteld - de strekking van de vermelding die onder de via www.rechtspraak.nl te raadplegen griffierechttabel is vermeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de griffier bij de vaststelling van het griffierecht en in zijn verweerschrift ten onrechte geen toepassing aan artikel 3 lid 6 Wgbz heeft gegeven. Dit betekent dat het verzet gegrond is en dat [verzoekende partijen] terecht aanspraak maakt op terugbetaling van het teveel betaalde griffierecht, zijnde (€ 8.519,00 minus </para>
        <para>€ 5.737,00 =) € 2.782,00. De Griffier zal tot restitutie hiervan worden veroordeeld. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De Griffier zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. [verzoekende partijen] is geen griffierecht verschuldigd, hetgeen volgt uit artikel 29 lid 3 Wgbz. Het salaris advocaat wordt vastgesteld op 1 punt tarief bepaalde waarde (€ 478,00). </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>verklaart het verzet gegrond,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>bepaalt het griffierecht dat [verzoekende partijen] is verschuldigd op € 5.737,00, met bepaling dat hetgeen teveel is betaald (€ 2.782,00) aan [verzoekende partijen] zal moeten worden teruggestort,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt de Griffier in de aan de zijde van [verzoekende partijen] gevallen kosten van de procedure, tot op heden begroot op € 478,00.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. H.F.R. van Heemstra en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2022.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>