<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2022:4817</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-18T11:15:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9634897</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2022:4817">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2022:4817</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-18T11:14:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2022:4817 Rechtbank Gelderland , 10-08-2022 / 9634897</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2022:4817:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kredietovereenkomst (persoonlijke lening). Nietig opeisingsbeding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2022:4817:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>vonnis</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team kanton en handelsrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaakgegevens	9634897 \ CV EXPL  22-315 \ 676 \ 40141</para>
      <para>uitspraak van 10 augustus 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de besloten vennootschap BNP Paribas Personal Finance B.V.</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Amsterdam</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">eisende partij  </emphasis>
      </para>
      <para>gemachtigde Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde 1]</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. [gedaagde 2]</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [plaatsnaam]</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">gedaagde partijen</emphasis>
      </para>
      <para>niet verschenen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna BNP, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 10 januari 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben op 14 oktober 2019 met BNP een leningovereenkomst gesloten. Zij leenden € 15.500,00 tegen 9,4% rente op jaarbasis. Het maandbedrag dat zij iedere maand, gedurende 120 maanden, minimaal moesten betalen was € 196,52.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>In de Algemene voorwaarden Persoonlijke Lening van BNP Paribas Personal Finance B.V. staat, voor zover hier van belang, het volgende:</para>
        <para>“<emphasis role="italic">(…)</emphasis></para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">6. 	</emphasis>
        <emphasis role="bold italic">Betalingsachterstand</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">a. (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">b. (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">c. 	Als u meer dan twee (2) maanden achterstand heeft, sturen wij u een ingebrekestelling. In deze ingebrekestelling wordt een termijn genoemd waarbinnen u de achterstallige betaling(en) alsnog moet betalen. Betaalt u die ook niet, dan wordt de lening door ons uit handen gegeven aan een incassobureau, tenzij wij met u een andere afspraak maken.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">8. 	</emphasis>
        <emphasis role="bold italic">Beëindiging</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">a. (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">b. (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">c. (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">d. (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">e. 	In de volgende gevallen mogen wij meteen de uitstaande schuld terugvorderen en de overeenkomst beëindigen:</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">I. 	als u een betalingsachterstand van twee (2) maanden of meer heeft en ondanks ons verzoek niet betaalt;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">II. (…)</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op 18 november 2020 zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in gebreke gesteld. Zij hadden op dat moment een achterstand van € 589,56. Op 22 december 2020 heeft BNP de lening (€ 15.163,97) opgeëist.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vordering en het verweer</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>BNP vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen om aan BNP een bedrag van € 15.463,10 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 november 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Aan haar vordering legt BNP ten grondslag dat zij met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 14 oktober 2019 een kredietovereenkomst heeft gesloten. Het betrof een persoonlijke lening die volgens een vast aflosschema in maandelijkse termijnen moest worden terugbetaald. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn ernstig in gebreke gebleven met betaling van de maandelijkse termijnen (tenminste één of meer termijnbedragen meer dan twee maanden per afzonderlijk termijnbedrag achterstallig) en zijn na aanmaning/ingebrekestelling niet tot betaling overgegaan. Daarom heeft BNP ingevolge de op de overeenkomst toepasselijke voorwaarden, het gehele restant verschuldigde in zijn geheel ineens van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gevorderd. BNP heeft ook de tot de dag van de opeising overeengekomen rente (kredietvergoeding) in rekening gebracht, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te laat betalen. Na opeising is 2% wettelijke (consumentenrente) in rekening gebracht. De vordering bestaat dus uit een hoofdsom van € 15.163,97 en wettelijke rente vanaf de datum van de opeising van € 299,13, aldus BNP.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn niet verschenen en hebben (dus) geen verweer gevoerd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Op de kredietovereenkomst is titel 2A van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing, aangezien het een consumentenkredietovereenkomst betreft die op of na 1 januari 2017 tot stand is gekomen en die niet van het toepassingsgebied van deze titel is uitgesloten. Artikel 7:77 BW bepaalt het volgende:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">1. 	Niet zijn toegelaten bedingen waarbij:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">a. (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">b. (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">c. 	vervroegde opeisbaarheid van het door de consument verschuldigde wordt bedongen, anders dan voor het geval dat:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">1° 	de consument, die ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen, (…)</emphasis>”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Op grond van dit artikel kan in geval van wanbetaling enkel rechtsgeldig door de kredietgever worden bedongen dat het uitstaande saldo bij een kredietovereenkomst als hier aan de orde ineens kan worden opgeëist indien de kredietnemer, die gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen. De kantonrechter constateert dat in artikel 6 en 8 van de door BNP overgelegde voorwaarden ten onrechte wordt aangehaakt bij het aantal termijnen dat niet is betaald, terwijl art. 7:77 BW voor een toelaatbare vervroegde opeisbaarheid aanhaakt bij het aantal maanden dat de kredietnemer achterstallig is in de betaling van een vervallen termijn. Dat betekent dat in dit geval, waar in maandelijkse termijnen moet worden afgelost, de kredietnemer volgens het overeengekomen opeisingsbeding achterstallig kan zijn in de betaling van twee vervallen termijnbedragen zonder - conform art. 7:77 lid 1 aanhef en onder c sub 1 BW - twee maanden achterstallig te zijn in de betaling van een vervallen termijnbedrag. Een opeisingsbeding zoals door BNP gehanteerd is, is te ruim en op grond van art. 7:77 aanhef en onder c sub 1 BW nietig.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat de vordering, die is gegrond op het nietige opeisingsbeding, niet kan worden toegewezen. Opeising zonder geldig opeisingsbeding, zoals hier aan de orde, is namelijk niet mogelijk. Het is wel mogelijk nakoming van de kredietovereenkomst te vorderen of de kredietovereenkomst te beëindigen door een ontbindingsvordering in te stellen op de voet van art. 7:82 BW, maar zo’n grondslag voor de vordering is door BNP niet gesteld en is ook niet gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>BNP wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. Nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet in het geding zijn verschenen, worden de kosten aan hun zijde begroot op nihil.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de vordering af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt BNP in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vastgesteld op nihil.</para>
      <para />
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="3">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <tbody>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para>Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2022</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>