<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2021:7314</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-04T13:35:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9265343 \ BR VERZ  21-383 \ 814</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2021:7314">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2021:7314</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-04T13:34:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2021:7314 Rechtbank Gelderland , 17-12-2021 / 9265343 \ BR VERZ  21-383 \ 814</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2021:7314:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Mulderzaak: Het betreft een uitspraak m.b.t proceskosten, samenhang en reële vergoeding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2021:7314:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaakgegevens		9265343 \ BR VERZ  21-383 \ 814</para>
      <para>cjib-nr  /  registratienr	236014964 / 3VVL21</para>
      <para>zitting van		17 december 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beslissing inzake Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [betrokkene] </bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonende te [adres] </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">betrokkene</emphasis>
      </para>
      <para>gemachtigde mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de officier van justitie</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft bij beslissing van 18 februari 2021 een beschikking krachtens de Wahv vernietigd en ten aanzien van onder meer deze zaak een vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand toegekend op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze laatste beslissing heeft de gemachtigde beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is behandeld op de zitting van de kantonrechter van 17 december 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Gronden voor de beslissing: </title>
    <para />
    <para>1. In beginsel wordt de vergoeding van proceskosten zoals als hier aan de orde bepaald met toepassing van het Bpb en de daarbij behorende Bijlage (het puntensysteem). Indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb worden afgeweken van het puntensysteem.</para>
    <para />
    <para>2. De officier van justitie heeft bij de bestreden beslissing van 18 februari 2021</para>
    <parablock>
      <para>een vergoeding voor proceskosten voor verleende rechtsbijstand toegekend van € 300,38. Vermeld is dat dit bedrag als volgt is berekend: 1 punt voor het beroep bij de officier van justitie, samenhangende zaak, 4 of meer dan 4, factor 1,5 wegingsfactor 0,25. Uit de beslissing blijkt dat de officier van justitie de onderhavige zaak heeft aangemerkt als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bbp) met 20 andere zaken. De kantonrechter begrijpt dat dit een vergoeding betreft voor alle 21 zaken. Voor de onderhavige zaak is een bedrag van – afgerond -  € 14,30 toegekend. </para>
      <para>De kantonrechter kan in deze procedure slechts een oordeel geven over het voor de onderhavige zaak toegekende bedrag.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Uit artikel 3, eerste lid, van het Bpb, gelezen in samenhang met de artikelen 1, aanhef en sub a, en 2, eerste lid, aanhef en sub a, van het Bpb, volgt dat voor het vaststellen van het bedrag van de proceskosten samenhangende zaken worden beschouwd als één zaak.</para>
    <para />
    <para>4. In artikel 3, tweede lid, van het Bpb is bepaald dat ‘samenhangende zaken’ zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.</para>
    <para />
    <para>5. Uit de dossiers van de in de beslissing genoemde samenhangende zaken blijkt dat in 3 – waaronder onderhavige zaak – van de 21 zaken op dezelfde dag hoorzittingen hebben plaatsgevonden, waardoor naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake is van een – in alle zaken - gelijktijdige of nagenoeg gelijktijdige behandeling, waardoor die proceshandeling niet als samenhangend kan worden gezien.</para>
    <para />
    <para>6. Het beroep is reeds hierom gegrond en het bestreden besluit komt, voor zover betrekking hebbend op de onderhavige zaak, voor vernietiging in aanmerking. </para>
    <para />
    <para>7. De kantonrechter zal in deze zaak een proceskostenvergoeding toekennen. Daarbij wordt het navolgende in aanmerking genomen. De onderneming waarvoor de gemachtigde werkzaam is, dient jaarlijks zeer vele administratieve beroepen in. De beroepen waarvan de officier van justitie ten onrechte samenhang heeft aangenomen worden gekenmerkt door het gebruik van ‘bouwstenen’ die in algemene bewoordingen zijn geformuleerd. Aangenomen kan worden dat deze bouwstenen in het administratief beroepschrift zijn gebracht door “digitaal knip- en plakwerk” of door een grotendeels geautomatiseerd proces. Ook het onderhavige administratieve beroep bevat geen relevante, op de specifieke gedragingen van de betrokkene toegespitste beroepsgronden. </para>
    <para />
    <para>8. Indien met deze omstandigheden geen rekening wordt gehouden en bij de bepaling van de omvang van de vergoeding onverkort aan het puntensysteem uit het Bpb wordt vastgehouden, leidt dit zonder twijfel tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakt kosten ver overtreft. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb af te wijken van het puntensysteem. Gezien het voorgaande acht de kantonrechter een proceskostenvergoeding van € 15,- voor het administratieve beroep en van € 20,- indien tevens een hoorzitting heeft plaatsgevonden een redelijke vergoeding. De door de officier van justitie toegekende vergoeding ligt onder het bedrag dat door de kantonrechter als redelijk valt aan te merken. De kantonrechter zal de vergoeding op € 20,- vaststellen. </para>
    <para />
    <para>9. De kantonrechter kent voor het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie - dat alleen ziet op de hoogte van de toekenning van de proceskosten – een bedrag toe van </para>
    <parablock>
      <para>€ 379,50 (2 maal € 759,- x 0.25 - wegingsfactor zeer licht). Dat, zoals gemachtigde stelt, de kantonrechter in Noord-Holland en Den Haag voor deze proceshandeling een wegingsfactor van 0.5 (licht) hanteren, maakt niet dat de kantonrechter reden aanwezig acht om niet een </para>
      <para>wegingsfactor van 0.25 (zeer licht) toe te kennen. De kantonrechter verwijst daarbij naar  het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 april 2021 (ECLI:NL:2021:1786).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De proceskosten voor deze zaak worden in totaal begroot op € 20,- + € 379,50 = </para>
      <para>€ 399,50.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie kan dit bedrag verrekenen met het reeds aan de gemachtigde uitgekeerde bedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Er zal daarom als volgt worden beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-verklaart het beroep gegrond;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-vernietigt de beslissing van 18 februari 2021, voor zover daarbij in deze zaak een proceskostenvergoeding is toegekend;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene  voor het administratief beroep tot een bedrag van € 20,-</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene voor het beroep bij de kantonrechter tot een bedrag van € 379,50.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. G.W.B. Heijmans, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
              <para />
              <para>De griffier,                                                                                                  De kantonrechter,</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
              <para />
              <para />
              <para />
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>
                <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>:</para>
              <para>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.</para>
              <para />
              <para />
              <para />
              <para />
              <para>Een afschrift van deze uitspraak is aan betrokkene en de officier van justitie verzonden op:</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>