<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2021:2396</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-09T14:36:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-05-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-05-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 20 _ 1052</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2021:2396">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2021:2396</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-09T14:36:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2021:2396 Rechtbank Gelderland , 14-05-2021 / AWB - 20 _ 1052</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2021:2396:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het waterschap heeft het bezwaar tegen de afwijzing van een verzoek om handhavend op te treden tegen het zonder vergunning organiseren van een viswedstrijd niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervan was dat de viswedstrijd al had plaatsgevonden voor dit besluit. Stichting Gezond Water stelt hiertegen beroep in. De Stichting is gelet op de doelomschrijving in de statuten, de feitelijke werkzaamheden die de stichting heeft verricht en de opsomming van activiteiten in het bezwaar belanghebbende bij het handhavingsverzoek als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verder heeft de Stichting belang bij de beoordeling van haar bezwaar en beroep omdat niet in geschil is dat er jaarlijks tientallen viswedstrijden worden georganiseerd in het beheergebied van het waterschap. Het waterschap heeft het bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het besluit op bezwaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om in de zaak finaal te beslissen. Het waterschap heeft pas in beroep haar inhoudelijke reactie op het verzoek om handhaving gegeven. De stichting is niet gehoord naar aanleiding van haar bezwaar. Dat had moeten gebeuren, omdat de hoorzitting een essentieel onderdeel is van de bezwaarfase. Daarom moet het waterschap eerst de Stichting in de gelegenheid stellen haar bezwaar in een hoorzitting toe te lichten. Daarna moet het Waterschap opnieuw een besluit op bezwaar nemen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2021:2396:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 20/1052</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen 14 mei 2021</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Stichting Gezond Water, te Hansweert, eiseres,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van dijkgraaf en heemraden van waterschap Vallei en Veluwe</emphasis> te Apeldoorn, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 30 oktober 2019 heeft verweerder een verzoek van eiseres afgewezen om handhavend op te treden tegen het zonder vergunning organiseren van een viswedstrijd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 23 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2021. Eiseres is vertegenwoordigd door [A] (secretaris) . Verweerder is vertegenwoordigd door mr. M. Burggraaf-Suur (beleidsadviseur juridische zaken) en G. Willemsen (senior beleidsadviseur planvorming, waterkwaliteit en ecologie), beiden werkzaam bij het waterschap. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wat houdt het handhavingsverzoek van eiseres in?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Eiseres heeft op 4 oktober 2019 bij verweerder een verzoek ingediend om handhavend op te treden. Dat verzoek betreft een viswedstrijd op 20 oktober 2019 in de IJssel, georganiseerd door hengelsportvereniging ‘Tot Ons Genoegen’ in Apeldoorn. </para>
    <para>Aan het handhavingsverzoek heeft eiseres ten grondslag gelegd dat verweerder een zorgplicht heeft voor de waterkwaliteit in zijn beheergebied. Het vissen met lood veroorzaakt volgens eiseres een verontreiniging van het water, wat in strijd is met de wet- en regelgeving. Eiseres is daarom van mening dat verweerder ten onrechte viswedstrijden gedoogt, zonder verplicht te stellen dat hengelsportverenigingen hiervoor vooraf een vergunning moeten aanvragen.  </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Waarom heeft verweerder het handhavingsverzoek afgewezen?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. Verweerder heeft het handhavingsverzoek afgewezen omdat de viswedstrijd ten tijde van het besluit op het verzoek al heeft plaatsgevonden. Volgens verweerder heeft eiseres daarom geen belang meer bij een inhoudelijke reactie op haar verzoek. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Waarom heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Het tegen de afwijzing gemaakte bezwaar was voor verweerder geen aanleiding om zijn standpunt te herzien in het bestreden besluit. Volgens verweerder heeft eiseres in het bezwaarschrift niet aangegeven dat zij het niet eens is met het standpunt van verweerder dat zij geen belang meer had bij een inhoudelijke reactie op het handhavingsverzoek. Omdat de viswedstrijd al heeft plaatsgevonden, kan eiseres niet meer het resultaat bereiken dat zij met haar bezwaar nastreeft. Daarom heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wat voert eiseres hiertegen aan?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Eiseres voert aan dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres vindt dat verweerder inhoudelijk op het verzoek moet beslissen, omdat herhaaldelijk overtredingen van de wet- en regelgeving plaatsvinden. Door de werkwijze van verweerder blijven overtredingen voortbestaan, met negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is eiseres belanghebbende?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of eiseres bij het verzoek om handhaving  belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres is een stichting zonder winstoogmerk en dus een rechtspersoon. </para>
    <para>Voor de vraag of een rechtspersoon als belanghebbende bij het handhavingsverzoek kan worden aangemerkt, is gelet op artikel 1:2, derde lid, van de Awb met name bepalend of de stichting volgens haar statutaire doelstelling en gezien haar feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het verzoek betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.<footnote-ref linkend="_ef9b9aee-c0d0-4db6-88f4-aaad212f7ded" /></para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Eiseres heeft de statuten van de stichting en een lijst met feitelijke werkzaamheden aangeleverd. In het bezwaar heeft eiseres activiteiten opgesomd die te maken hebben met het waterschap Vallei en Veluwe. Gelet op de doelomschrijving in de statuten, de feitelijke werkzaamheden die de stichting heeft verricht en de opsomming van activiteiten in het bezwaar is eiseres naar het oordeel van de rechtbank belanghebbende bij het handhavingsverzoek als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Heeft eiseres belang bij de beoordeling van haar bezwaar en beroep?</emphasis>
        </para>
        <para>5.	De volgende vraag is of eiseres belang heeft bij de beoordeling van haar bezwaar en beroep. Vast staat dat de viswedstrijd al had plaatsgevonden op het moment dat verweerder het handhavingsverzoek van eiseres afwees. In beginsel bestond dus geen belang meer bij een inhoudelijk oordeel over het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek. </para>
        <para>Daarop bestaat een uitzondering. In het geval aannemelijk is dat nieuwe besluiten over soortgelijke situaties volgen, kan het belang bij een inhoudelijk oordeel liggen in het betrekken van dat oordeel bij eventuele toekomstige besluiten en verzoeken om handhaving.<footnote-ref linkend="_27b8f9cd-e1e8-4cc7-9c56-f9eebefb93c8" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Eiseres heeft betoogd dat er jaarlijks tientallen viswedstrijden worden georganiseerd in het beheergebied van het waterschap. Verweerder heeft dit erkend. </para>
        <para>Gelet hierop heeft eiseres belang bij de inhoudelijke beoordeling van haar bezwaar door verweerder. Verweerder heeft het bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Hieruit volgt ook dat eiseres belang heeft bij de beoordeling van het onderhavige beroep, omdat zij hiermee kon bewerkstelligen dat verweerder alsnog inhoudelijk op het bezwaar beslist. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
        <para>6.	Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. </para>
        <para>De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak zelf in de zaak te voorzien en finaal te beslissen. De reden hiervan is dat verweerder nog geen inhoudelijk besluit heeft genomen op het handhavingsverzoek en ook niet op het bezwaar. Verweerder heeft pas tijdens deze beroepsprocedure in het verweerschrift zijn inhoudelijke standpunt over handhaving naar voren gebracht. Eiseres heeft haar bezwaren niet tijdens de bezwaarprocedure in een hoorzitting kunnen toelichten. Dat had wel moeten gebeuren, omdat het horen van de bezwaarmaker een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure is. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar moeten beslissen. Voordat hij een beslissing op bezwaar neemt, moet hij eiseres in de gelegenheid stellen haar bezwaren tijdens een hoorzitting toe te lichten.   </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten in beroep. Eiseres heeft verzocht om de vergoeding van reiskosten. Uit het Besluit proceskosten bestuursrecht volgt dat de reiskosten worden vergoed op basis van de kosten van openbaar vervoer, laagste klasse. In dit geval komt dat neer op een bedrag van € 50 (retour). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Verder moet verweerder aan eiseres het griffierecht vergoeden. Dat bedraagt € 354. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van </para>
    <para>	deze uitspraak;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 50;</para>
    <para>- draagt verweerder op om het griffierecht van € 354 aan eiseres te vergoeden.</para>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, mr. J.J. Penning en </para>
              <para>mr. J.A.M. van Heijningen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier. </para>
              <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 14 mei 2021</para>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
              <para />
              <para />
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
              <para />
              <para />
              <para>voorzitter</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>Verhinderd om te ondertekenen.</para>
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para />
              <para />
              <para />
              <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hoger beroepschrift. U moet dit hoger beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. </para>
  </section>
  <footnote id="_ef9b9aee-c0d0-4db6-88f4-aaad212f7ded" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4286.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_27b8f9cd-e1e8-4cc7-9c56-f9eebefb93c8" label="2">
    <para> Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:164. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>