<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2019:2907</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T19:55:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-06-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/05/346231/FZ RK 18-3159</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zutphen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RFR 2019/143</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:2907">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:2907</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-02T12:38:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2019:2907 Rechtbank Gelderland , 20-06-2019 / C/05/346231/FZ RK 18-3159</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2019:2907:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw de door haar ontvangen kinderalimentatie dient terug te betalen aan de verwekker omdat er inmiddels geen rechtsgrond meer bestaat voor de betalingsverplichting ( art. 1:394 BW).</para>
        <para>De nieuwe echtgenoot van de vrouw heeft de kinderen op de huwelijksdatum erkend. Als gevolg van de erkenning is vanaf dat moment de onderhoudsverplichting van de verwekker jegens de kinderen komen te vervallen. Voor de door hem nog doorbetaalde alimentatie, omdat hij niet op de hoogte was van de erkenning, bestaat geen rechtsgrond meer en de alimentatie is daarmee onverschuldigd betaald. Met analoge toepassing van de jurisprudentie inzake de terugbetalingsverplichting in geval van beëindiging van een alimentatieverplichting op grond van artikel 1:160 BW, heeft de rechtbank geoordeeld dat ook in dit geval de terughoudende maatstaf voor de terugbetalingsverplichting niet van toepassing is, omdat de rechtbank niet de keuze heeft om een andere verval- of beëindigingsdatum van de onderhoudsplicht vast te stellen. Terugbetaling in termijnen toegestaan.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2019:2907:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Zutphen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/05/346231 / FZ RK 18/3159</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 20 juni 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>,	</para>
      <para>
        [adres verzoeker],</para>
      <para>verzoeker, nader te noemen de man,</para>
      <para>advocaat mr. W.H. Teusink te Wezep,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerster]
        </emphasis>,</para>
      <para>
        [adres verweerster],</para>
      <para>verweerster, nader te noemen de vrouw,</para>
      <para>advocaat mr. J.J. Roossien te Nunspeet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Dit verloop blijkt uit:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 3 december 2018;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verweerschrift, ingekomen op 28 januari 2019;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het journaalbericht met bijlagen van mr. Teusink, waaronder een aanvulling op het verzoek, van 25 april 2019;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het journaalbericht met bijlagen van mr. Teusink, waaronder een gecorrigeerde aanvulling op het verzoek, van 25 april 2019.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Gehoord ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 26 april 2019 zijn beide partijen, bijgestaan door hun advocaten. Hiervan zijn zittingsaantekening gemaakt, met aangehecht de door mr. Teusink ter zitting overgelegde pleitaantekeningen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit de relatie van partijen zijn geboren de thans nog minderjarige kinderen: </para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="bold">
              [minderjarige sub 1]
            </emphasis> en,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="bold">
              [minderjarige sub 2]
            </emphasis>.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2016 is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van</para>
        <para>1 augustus 2015 vastgesteld op een bedrag van € 150,- per kind per maand.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De vrouw is op 20 oktober 2016 te Elburg in het huwelijk getreden met [naam huidige echtgenoot van verweerster].</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Uit de latere vermelding van erkenning blijkt dat de heer [naam huidige echtgenoot van verweerster] de kinderen [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 2] met toestemming van de moeder op 20 oktober 2016 heeft erkend en dat zij de achternaam [naam huidige echtgenoot van verweerster] zullen dragen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het verzoek en het verweer </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De man verzoekt de rechtbank, na aanvulling, om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="underline">Primair</emphasis>: te bepalen dat de kinderalimentatie welke de man maandelijks ten behoeve van [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 2] aan de vrouw dient te voldoen, krachtens de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen van 8 januari 2016 wordt beëindigd met ingang van 20 oktober 2016, althans met ingang van een datum als de rechtbank in redelijkheid vermeent te behoren;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="underline">Subsidiair</emphasis>: voor recht te verklaren dat de kinderalimentatieverplichting van de man met betrekking tot [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 2], is geëindigd met ingang van 20 oktober 2016, althans met ingang van een datum welke de rechtbank redelijkheid acht.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de vrouw ten aanzien van het primair dan wel ten aanzien van het subsidiair verzochte, te veroordelen tot terugbetaling aan de man van een bedrag van € 8.612,12, als zijnde onverschuldigd aan haar betaald;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>e vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De vrouw verzoekt de rechtbank om het verzoek van de man af te wijzen, althans een beslissing te nemen met inachtneming van punt 7 van het verweerschrift, dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie juist acht.</para>
        <para>Kosten rechtens.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat de man en vrouw op jonge leeftijd een relatie hebben gehad waaruit op 22 januari 2015 een tweeling is geboren. Ten tijde van de relatie en geboorte woonden man en vrouw beiden nog bij hun respectievelijke ouders. De man is niet bij de geboorte aanwezig geweest. Gedurende de eerste vijf weken na de geboorte is hij wel een paar keer bij de vrouw en de kinderen op bezoek geweest. Voorts is gebleken dat de man al enige tijd psychische klachten had en dat hij na deze vijf weken is ingestort; waarbij hij ook twee weken opgenomen is geweest. Hij liet niets meer van zich horen en ook de vrouw is het, ondanks meerdere pogingen, niet meer gelukt om het contact met hem te herstellen. De man heeft de kinderen sindsdien niet meer gezien. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw de man niet heeft geïnformeerd over haar huwelijk met de heer [naam huidige echtgenoot van verweerster] op 20 oktober 2016 en evenmin over de erkenning door de heer [naam huidige echtgenoot van verweerster] van de kinderen, eveneens op 20 oktober 2016. Tevens staat tussen partijen vast dat er geen family-life bestaat tussen de man en de kinderen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">onderhoudsverplichting</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 1:394 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is - kort samengevat - de verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, als ware hij ouder, verplicht tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind.</para>
        <para>Volgens het wettelijk stelsel van afdeling 1 van titel 17 van Boek 1 van het BW, heeft een kind – afgezien van mogelijke aanspraken jegens een stiefouder – enkel jegens zijn juridische ouders aanspraak op een voorziening in de kosten van zijn verzorging en opvoeding. Dat betekent dat het kind geen rechten kan ontlenen aan artikel 1:394 BW, zolang of zodra het kind naast de moeder een ander tot juridische vader heeft. De erkenning van een kind sluit daarom in beginsel uit dat een ander dan degene die het kind erkend heeft verplicht zou zijn over de na de erkenning lopende tijd in de verzorging van het kind te voorzien (Hoge Raad 21 mei 1965, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1965, 340).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Voormelde regel kan worden doorbroken, indien tussen het kind en zijn biologische vader een als familie- en gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM aan te merken betrekking bestaat (family-life), voor zover art. 8 zulks eist omdat het in zoverre een positieve verplichting oplegt om het kind een aanspraak op levensonderhoud jegens zijn biologische vader toe te kennen. Een zodanige doorbreking van het in de wet neergelegde stelsel moet met name worden aangenomen indien blijkt dat de juridische vader niet of slechts deels in staat is om in het levensonderhoud van het kind te voorzien of dat zulks op andere grond niet in rechte kan worden afgedwongen dan wel dat van de moeder redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat zij hem ter zake aanspreekt (Hoge Raad 26 april 1996, LJN: AD2542 en Hoge Raad 18 februari 2011, LJN: BO9841).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Vast staat dat de huidige echtgenoot van de vrouw, de heer [naam huidige echtgenoot van verweerster], de kinderen [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 2] op 20 oktober 2016 met toestemming van de moeder heeft erkend. Daarmee is, gelet op het wettelijk stelsel, vanaf dat moment de rechtsgrond voor de onderhoudsverplichting van de man komen te vervallen, wat overigens ook niet in geschil is tussen partijen. Nu de man naar eigen zeggen niet eerder dan in november 2018 op de hoogte raakte van de erkenning van de kinderen door de heer [naam huidige echtgenoot van verweerster], heeft hij nog tot en met oktober 2018 bijgedragen in de kosten van hun verzorging en opvoeding. Het geschil tussen partijen spitst zich daarom toe op een eventuele terugbetalingsverplichting voor de vrouw.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">terugbetalingsverplichting</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De man wenst het door hem sinds 20 oktober 2016 betaalde bedrag aan kinderalimentatie, inclusief de door het LBIO in rekening gebrachte opslagen, zijnde in totaal een bedrag van € 8.612,12, terugbetaald te krijgen nu hij dit onverschuldigd aan de vrouw heeft betaald. De vrouw voert hiertegen verweer. Gelet op haar financiële situatie stelt zij dat het zeer problematisch zou worden, als zij een dergelijk bedrag terug moet betalen. Bovendien had zij met deze mogelijkheid geen rekening hoeven houden, omdat zij na informatie te hebben ingewonnen bij het LBIO en het juridisch loket, van mening was dat haar huwelijk met of de erkenning door de heer [naam huidige echtgenoot van verweerster] geen gevolgen zouden hebben voor de kinderalimentatie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat met ingang van 20 oktober 2016, ten gevolge van de erkenning van de kinderen [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 2] door de heer [naam huidige echtgenoot van verweerster], geen rechtsgrond meer bestond voor de nadien betaalde kinderalimentatie. Dit brengt mee dat de sindsdien aan de vrouw betaalde kinderalimentatie onverschuldigd is betaald, waaruit in beginsel een terugbetalingsverplichting voortvloeit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Artikel 6:203, lid 2 BW bepaalt dat indien de onverschuldigde betaling een geldsom betreft, de vordering strekt tot teruggave van een gelijk bedrag. Door de vrouw is in feite het verweer gevoerd dat volgens vaste rechtspraak terughoudend dient te worden omgegaan met een terugbetalingsverplichting. De rechtbank is echter van oordeel dat de terughoudende maatstaf voor de terugbetalingsverplichting (zie Hoge Raad 6 februari 2015 ECLI:NL:HR:2015:232) in dit geval niet van toepassing is, omdat zij geen keuze heeft om een andere verval- of beëindigingsdatum van de onderhoudsplicht vast te stellen dan de datum van erkenning. Onder analoge toepassing van de jurisprudentie inzake de terugbetalingsverplichting in geval van de beëindiging van de alimentatieverplichting op grond van artikel 1:160 BW(zie Hoge Raad 28 maart 2008 ECLI:NL:HR2008:BC4844 en Hoge Raad 22 april 2016 ECLI:HR:NL:2016:724), behoeft de beslissing tot terugbetaling dan ook niet te voldoen aan de motiveringseisen en hoeft de rechtbank niet te beoordelen of een terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Nu tussen partijen niet in geschil is dat de man sinds 20 oktober 2016 nog een totaalbedrag van € 8.612,12 heeft betaald om aan zijn kinderalimentatieverplichtingen te voldoen, zal de rechtbank de vrouw veroordelen om dit bedrag aan hem terug te betalen. Daarbij neemt de rechtbank ook het bedrag aan kosten voor het LBIO mee, nu de vrouw er zelf voor heeft gekozen om het LBIO in te schakelen voor de inning van de kinderalimentatie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Gelet op de financiële situatie in het gezin van de vrouw (alleen de heer [naam huidige echtgenoot van verweerster] heeft een inkomen en in het gezin is ook nog een derde kind geboren) zal de rechtbank bepalen dat de vrouw het bedrag van € 8.612,12 in maximaal acht termijnen van drie maanden, van afgerond € 1.076,51, terug mag betalen. Uiterlijk twee jaar na dagtekening van deze beschikking dient het totaalbedrag dan voldaan te zijn, welke termijn aansluit bij de duur van de periode waarover de vrouw de bijdragen van de man heeft ontvangen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank beslissen als hierna is omschreven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat het de vrouw uiteraard vrij staat om het totale bedrag eerder aan de man te voldoen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>In de omstandigheid dat deze procedure van familierechtelijke aard is, ziet de rechtbank aanleiding de kosten van deze procedure als volgt te compenseren.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>a. wijzigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen van 8 januari 2016 als volgt:</para>
    <para>verklaart voor recht dat de onderhoudsverplichting van de man met betrekking tot:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold">
            [minderjarige sub 1]
          </emphasis> en,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold">
            [minderjarige sub 2]
          </emphasis>,</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>is komen te vervallen met ingang van 20 oktober 2016;</para>
    <para />
    <para>veroordeelt de vrouw om vóór 20 juni 2021 aan de man te betalen een bedrag van </para>
    <para>€ 8.612,12, in maximaal acht termijnen van € 1,076,51 per kwartaal; </para>
    <para />
    <para>verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    <para />
    <para>compenseert de kosten van dit geding aldus, dat zowel de man als de vrouw met de eigen kosten belast blijft;</para>
    <para />
    <para>wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Deze beschikking is gegeven door mr. T. ter Brugge, rechter, in tegenwoordigheid van</para>
              <para>
                [naam griffier] als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2019.</para>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:</para>
              <para>- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,</para>
              <para>- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.</para>
              <para>Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.</para>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>